Historicus en Iran-kenner Peyman Jafari beschrijft in The Economist hoe de Iraanse oppositie in ballingschap verdeeld is geraakt door de oorlog en de gevolgen daarvan voor de toekomst van Iran.
Een maand geleden was de oppositie nog enthousiast over de oorlog, schrijft hij. Veel Iraniërs zagen de Verenigde Staten en Israël als mogelijke bevrijders na het harde optreden van het regime tegen demonstranten. In steden als Londen en Los Angeles vierden ballingen de dood van ayatollah Ali Khamenei. Tienduizenden steunden Reza Pahlavi, die de bombardementen ‘humanitair’ noemde.
Een deel van de oppositie denkt daar nog steeds zo over. Sommigen vergelijken de aanvallen met chemotherapie en spreken openlijk hun steun uit voor Israël. Tegelijk groeit de twijfel, vertelt Jafari. Demonstraties worden kleiner en meer mensen vragen aandacht voor burgerslachtoffers. Artiesten geven concerten en anderen organiseren herdenkingen voor Minab, waar een Amerikaanse raket meer dan 160 mensen doodde, vooral schoolmeisjes.
Doordat ook infrastructuur wordt aangevallen, maken veel mensen zich zorgen over familie in Iran. De kritiek op Pahlavi neemt toe: hij zou meer aandacht hebben voor Amerikaanse soldaten dan voor de meer dan 1.500 Iraanse burgers die zijn omgekomen.
Ondertussen zoeken delen van de oppositie naar andere oplossingen. In Londen werd het Iran Freedom Congress opgericht, een brede groep die afstand wil houden van de VS en Israël. Volgens hen moet verandering uit Iran zelf komen en heeft de oorlog het regime juist sterker gemaakt.
In Iran zelf blijven grote protesten uit en vullen pro-regime fanatiekelingen de straten. Ondertussen gaan de economische problemen en onderdrukking door. Zelfs tijdens de oorlog worden demonstranten geëxecuteerd. Zonder een verenigde oppositie blijft verandering onzeker, aldus Jafari.