12.2 C
Amsterdam

Slavernijexcuses van koning zijn niet goedkoop

Mathijs van der Loo
Student Geschiedenis aan de Universiteit Leiden.

Lees meer

De excuses die de koning maakte op Keti Koti waren terecht. Ze werden gedaan namens de Nederlandse regering en niet namens historicus Maarten van Rossem of andere burgers, schrijft Mathijs van der Loo.


Historicus Maarten van Rossem sprak zich in zijn podcast fel uit tegen de excuses die koning Willem-Alexander maakte voor het slavernijverleden: ‘Ik vind excuses flauwekul. Uit alle dingen die nu nog worden gezegd blijk ook ik nu nog schuldig te zijn, wat is dat voor onzin. Ik ben niet gebeld over de slavernij in de negentiende eeuw. Excuses, dat is een soort rare politieke gewoonte geworden. (…) Ik heb het al eerder gezegd: excuses maken is goedkoop.’

Van Rossem maakt dezelfde fout die wel meer mensen in het publieke debat maken: de excuses zijn niet namens jou. Dit was ook te horen in de speech die de koning gaf: ‘Op 19 december vorig jaar heeft de minister-president namens de Nederlandse regering excuses aangeboden voor het feit dat mensen in naam van de Nederlandse staat eeuwenlang tot handelswaar zijn gemaakt, zijn uitgebuit en mishandeld. Als uw koning en als deel van de regering maak ik vandaag deze excuses zelf.’ De excuses die dit weekend de koning maakte op Keti Koti, en Mark Rutte eerder, zijn namens de Nederlandse regering en niet namens de Nederlandse burgers.

Lange weg naar afschaffing


Het is ook niet gek dat de Nederlandse regering, nu 150 jaar na de definitieve afschaffing van de slavernij, deze excuses maakt. Nederland bungelt onderaan in de lijstjes van wanneer de Europese staten de slavernij afschaften. Het moet zelfs Rusland, met twee jaar, voor zich dulden. Onder internationale druk had koning Willem I in 1815 al de slavenhandel in zijn koninkrijk verboden. De noodzaak tot het afschaffen van de slavernij zag Minister van Koloniën Jean Chrétien Baud al in 1844 in, maar vanwege een lege schatkist raadde hij dit aan koning Willem II af. Een kleine tien jaar later vormde de Tweede Kamer een speciale commissie over dit onderwerp. In deze commissie zaten zowel mensen die voor de afschaffing waren, maar ook Amsterdamse kooplieden die belangen hadden in de plantages. De protestants-christelijke, antirevolutionaire politicus Guillaume Groen van Prinsterer stapte uiteindelijk uit de commissie op omdat deze volgens hem te behoedzaam werkte. Hier merkte hij over op dat: ‘eene emancipatie die over duizend jaren welligt tot stand (komt)’.

‘In tegenstelling tot wat Van Rossem beweert was de Nederlandse regering dus wel duidelijk betrokken bij de slavernij’

De voorstellen van de commissie zouden de stemmingen in de Kamer niet overleven en pas in 1862 slaagde minister van Koloniën James Loudon erin de afschaffing door de kamer te loodsen. Dit was dus inclusief de schadeloosstelling voor de plantagehouders – de Nederlandse staat financierde dit trouwens met de opbrengsten van het Cultuurstelsel op Java over de ruggen van Indonesische dwangarbeiders – en dat de voormalig slaafgemaakten onder staatstoezicht werden gezet.

Het verhaal over de Nederlandse worsteling over de afschaffing laat heel goed zien dat de Nederlandse regering in deze kwestie als eerste keek naar de belangen van de handelaren en schatkist en niet naar die van de slaafgemaakten. Dat de Nederlandse regering onder Mark Rutte en Willem-Alexander de eigen rol hierin erkent en daar excuses voor aanbiedt, is in dat licht dan ook zeer goed. In tegenstelling tot wat Van Rossem beweert was de Nederlandse regering dus wel duidelijk betrokken bij de slavernij. In dat licht zijn de excuses dus zeker terecht.

Dat deze verontschuldigingen wel degelijk wat uitmaken was te zien aan de reactie van het publiek dat luid applaudisseerde voor de woorden van de koning. Willem-Alexander benoemde zelf ook de rol die zijn eigen familie in het proces heeft gespeeld: ‘Maar voor mij is er daarnaast nog een andere persoonlijke dimensie. De stadhouders en de koningen van het Huis van Oranje-Nassau hebben hier niets tegen ondernomen.’

Onlangs kwam het bericht naar buiten dat de stadhouders tussen 1675 en 1770 omgerekend een half miljard euro aan slavernij en kolonialisme hebben verdiend. Dit is slechts een topje van de ijsberg, omdat dit de periode van de negentiende eeuw nog uitsluit. De periode waarin met name koning Willem I de koloniale gebieden als wingewesten voor het moederland zag, denk hierbij aan het Cultuurstelsel. Het onderzoek dat Willem-Alexander naar instelde naar de Oranjes en kolonialisme in de negentiende eeuw moet hier meer uitsluitsel over geven. Deze persoonlijke geschiedenis en het feit dat de koning deze ook benoemt maakt zijn excuses nog waardevoller.

Nu u hier toch bent...

Goede journalistiek kost geld. Leden en donaties maken onze gebalanceerde berichtgeving over biculturaliteit, zingeving en vrijheid mogelijk. Steun ons daarom als u ons werk belangrijk vindt.

Vertel mij meer!

- Advertentie -