15.1 C
Amsterdam

‘Nederland balanceert op het randje van een democratische crisis’

Ewout Klei
Ewout Klei
Journalist gespecialiseerd in politiek en geschiedenis.

Lees meer

Is de Nederlandse democratie in gevaar nu? Historicus Robin te Slaa maakt zich zorgen. ‘De parlementaire democratie is onlosmakelijk verbonden met de rechtsstaat, waarvan de PVV-leider de fundamenten dolgraag wil slopen.’

Het nog niet aangetreden kabinet van beoogd minister-president Dick Schoof leunt op een coalitie van drie protestpartijen: PVV, NSC en BBB. De PVV is niet alleen de grootste van de drie, maar ook de radicaalste.

Protestpartijen bestaan in Nederland sinds de invoering van het stelsel van evenredige vertegenwoordiging in 1917. Sommigen van deze partijen, waaronder de Rapaille Partij, hadden een link met het fascisme. Historicus Robin te Slaa schreef hierover een fascinerend boek, De Rapaille Partijen, met een belangrijke boodschap voor nu.

De parlementaire democratie bestaat nu amper honderd jaar. Er was aanvankelijk veel weerstand tegen parlementaire politiek. Waarom?

‘Met het nieuwe systeem was nog niet iedereen vertrouwd. En niet alle partijen waren voorstander van het algemeen kiesrecht. Het stelsel van evenredige vertegenwoordiging, dat in 1917 het districtenstelsel verving, zorgde voor een getrouwe afspiegeling van de politieke opvattingen die leefden onder het electoraat. Het zorgde echter ook voor een toename van het aantal partijen in de Tweede Kamer omdat het veel gemakkelijker was geworden om één of meer zetels te behalen. Het gevolg was een politieke versplintering in de Kamer die de politieke besluitvorming niet altijd ten goede kwam.

‘Het stelsel van evenredige vertegenwoordiging had bovendien als neveneffect dat partijbestuurders een steeds dominerendere rol gingen spelen. Zij bepaalden wie er op de kieslijst kwam en waren natuurlijk genegen om te kiezen voor loyale partijgenoten. Dit had vervolgens weer zijn weerslag op hoe er door burgers tegen politici werd aangekeken.

‘Het stelsel van evenredige vertegenwoordiging, dat bedoeld was om het parlementaire stelsel verder te democratiseren, droeg er dus opmerkelijk genoeg toe bij dat de klachten over het functioneren van het democratische bestel en ‘de politiek’ flink toenamen.’

Uit welke hoek kwam deze weerstand?

‘Deze weerstand liep door verschillende klassen, standen en partijen heen. Het werd in de pers vooral verwoord door veel gelezen dagbladen als de Telegraaf en de Nieuwe Courant. Maar ook liberale tijdschriften als de Groene Amsterdammer en kranten als het Algemeen Handelsblad klaagden over de geesteloze debatten, de gezapige verkiezingscampagnes en de dominerende posities van de partijbesturen. Zij weten die voor een belangrijk deel aan het stelsel van evenredige vertegenwoordiging.

‘Je zou daartegen ook kunnen stellen dat er eigenlijk nog geen volgroeide democratische cultuur bestond in ons land. Het grootste deel van het electoraat maakte deel uit van een bepaalde levensbeschouwelijke zuil – protestanten, katholieken, socialisten en liberalen – en stemden vrijwel automatisch op de partijen die daarbij hoorden en lazen de kranten van hun eigen zuil. Deze waren dikwijls weinig kritisch waar het hun eigen partijen en politici betrof. Ze droegen hun opvattingen verder uit.’

Was er alleen kritiek op het functioneren van deze democratie (de kleine crisis van de democratie), of ook principiële kritiek op het democratische ideaal an sich (de grote crisis van de democratie)?

‘De meeste partijen op levensbeschouwelijke grondslag aanvaarden de parlementaire democratie aanvankelijk voor een belangrijk deel om pragmatische redenen: het was niet per se hun ideale staatkundige model, maar stelde hen wel in staat om effectief de belangen van de eigen achterban te behartigen. Zo beschouwden bijvoorbeeld sociaaldemocraten de parlementaire democratie in de eerste plaats als een stelsel dat hen in staat stelde het lot van arbeiders te verbeteren dat tegelijkertijd de mogelijkheid schiep om op termijn langs hervormingen het socialisme te verwezenlijken.

‘In de praktijk zie je wel degelijk dat vrijwel alle politieke partijen de geestelijke grondslagen van het parlementaire stelsel en onze rechtsstaat op principiële gronden aanvaarden. Dit blijkt bijvoorbeeld heel duidelijk als zij op basis hiervan in de jaren dertig stelling nemen tegen de NSB.

‘Kritiek was er voornamelijk op het functioneren van de democratie, met name de trage politieke besluitvorming en versplintering in de Tweede Kamer die het gevolg waren van het stelsel van evenredige vertegenwoordiging. Als premier uitte Colijn daar in 1937 nog publiekelijk kritiek op. De dreiging die er in de jaren erna uitging van nazi-Duitsland en de bezetting leidde uiteindelijk tot een duidelijke herwaardering van de parlementaire democratie in zijn huidige vorm. Sindsdien geldt deze als onomstreden.’

Het wereldbeeld van Boer Braat

Een van de protestpartijen die in het parlement komt is de Plattelandspartij van Arend Braat. U schrijft dat hij het aanzien van de politiek schaadde. Hoe deed hij dat?

‘Hij deed dat door zijn lompe gedrag in de Tweede Kamer en door zijn van elke nuance verstoken retoriek. ‘Boer Braat’, zoals hij werd genoemd, had geen flauw benul van de parlementaire gebruiken en verdiepte zich al evenmin in de details van het regeringsbeleid.

‘In zijn simplistische wereldbeeld werd het platteland uitgebuit ten gunste van de verkwistende overheid en parasiterende stedelingen. Zo sprak hij ‘over de hetze tegen de plattelandsbevolking’ en ‘het domme Regeeringsintellect’. Het tweede kabinet van de katholieke politicus Ruys de Beerenbrouck (1922-1923, red.) hekelde hij zelfs als een ‘vreedzame Sovjet-regeering’ die ervoor verantwoordelijk was dat ‘het werkzame, nijvere deel der maatschappij tot slaven der werkschuwe elementen werd gemaakt’. Het waren geen alledaagse geluiden op het Binnenhof.

In hoeverre is de Plattelandspartij een voorloper van de BBB?

‘Tussen beide partijen zijn onmiskenbare parallellen aan te wijzen. Ze presenteren zichzelf allebei als buitenstaanders in Den Haag en hebben een verwrongen voorstelling van de werkelijkheid. Daarin zijn het de boeren die verreweg het meeste bijdragen aan de samenleving en is het de overheid die recht tegen de belangen van de boeren in handelt. Het is kortom een karikatuur.

‘Natuurlijk zijn er ook verschillen. De BBB benadrukt veel minder dat er een tegenstelling tussen het platteland en de stad bestaat. Hiernaast is er ook sprake van een hele andere maatschappelijk context. Zo bestond er ten tijde van ‘Boer Braat’ nog geen agro- en bio-industrie en evenmin een stikstofprobleem.’

‘De beroemdste kandidaat was natuurlijk de alcoholistische straatzwerver Had-je-me-maar’

Een andere protestpartij was de Rapaille Partij. Hoe schaadde deze partij het aanzien van de politiek?

De Rapaille Partij en haar navolgers, die zich meestal met dezelfde naam tooiden, schaadden het aanzien van de politieke in de eerste plaats door schertskandidaten verkiesbaar te stellen op basis van een onzinnig programma. De beroemdste kandidaat was natuurlijk de alcoholistische straatzwerver Had-je-me-maar. Eenmaal gekozen in vertegenwoordigende lichamen zouden deze kandidaten zich volstrekt onaangepast moeten gedragen en de boel zoveel mogelijk moeten ontregelen. In hun verkiezingsacties en propaganda verkneukelden de Rapaille Partij en haar navolgers zich daar bij voorbaat al over. Zij maakten hierin ook een persiflage van ‘de politiek’ en parlementaire democratie. Het enige wat Kamerleden en andere volksvertegenwoordigers volgens hen dreef was persoonlijk gewin en het in stand houden van het kapitalisme. Dit speelde zich voornamelijk af in de vroege jaren twintig, waarin politiek grotendeels nog een zaak van deftige notabelen was.’

Was de Rapaille Partij een succes?

‘De verkiezingsstunt met Had-je-me-maar kan in verschillende opzichten als een succes worden beschouwd. Ten eerste electoraal. De lijst waarop Had-je-me-maar bovenaan prijkte, kreeg bij de Amsterdamse gemeenteraadverkiezingen maar liefst 14.246 stemmen, oftewel 5,2 procent. Niet alleen hij, maar ook de nummer twee werd gekozen. De actie bracht tot tevredenheid van de initiatiefnemers een geweldige beroering te weeg bij de pers, het publiek en de politiek. Vrij breed bestond de vrees dat ook andere volstrekt onhandelbare types zouden worden gekozen in vertegenwoordigende lichamen.

‘Had-je-me-maar zag echter af van zijn raadszetel en de nummer twee, de anarchistische straatcolporteur Bertus Zuurbier, beperkte zich in de gemeenteraad tot een incidentele kwinkslag, maar leverde vrijwel geen enkele inhoudelijke bijdrage.

‘Bij de Tweede Kamer verkiezingen in 1922 hoopte de Rapaille Partij op vier zetels, maar er werden ruim drieduizend stemmen minder gehaald dan bij de Amsterdamse gemeenteraadsverkiezingen. Het was kortom een gênant fiasco. Slechts in een paar plaatsen, waaronder Rotterdam en Haarlem, werden hierna nog een enkele vertegenwoordiger van de lokale Rapaille Partij in de gemeenteraad gekozen.

‘Het verschijnsel ‘Rapaille Partij’ leek uiteindelijk het meeste op een ballon die snel heel hoog stijgt en vervolgens leegloopt. De parlementaire democratie had deze onvoorziene uitdaging met glans doorstaan.’

Aantrekkingskracht van het fascisme

Een van de drijvende krachten achter de Rapaille Partij was de anarchistische kunstenaar Erich Wichmann. Hij werd later fascist. Waarom?

‘In tegenstelling tot andere drijvende krachten achter de Rapaille Partij was Erich Wichman geen anarchist. Hij wilde met de verkiezingsactie voor Had-je-me-maar ook het algemeen stemrecht an sich belachelijk maken. Mensen waren volgens hem niet gelijkwaardig en verdienden dus ook niet allemaal dezelfde rechten. De grote massa was in zijn optiek onbekwaam om haar eigen vertegenwoordigers te kiezen. Democratie was dus in beginsel al fout.

‘Wichman was al vroeg in zijn leven beïnvloed door de antiliberale en antidemocratische denkbeelden van de hegeliaanse filosoof Gerard Bolland, de wijsgeer Friedrich Nietzsche en de grondlegger van het futurisme Filippo Tommaso Marinetti. In mijn boek ga ik in op deze invloeden en laat ik zien dat er in de opvattingen van Wichman over de jaren heen een grote mate van continuïteit bestond. In het vroege fascisme, dat onder andere ook door de denkbeelden van Nietzsche en het futurisme waren beïnvloed, herkende hij veel van zijn eigen opvattingen.

‘Het bijzondere van de verkiezingsactie voor Had-je-me-maar en de oorspronkelijke Rapaille Partij is dat er sprake was van een monsterverbond tussen extreemlinkse anarchisten en Wichman, die er extreemrechtse opvattingen op nahield.’

Had-je-me-maar, de Amsterdamse zwerver die raadslid werd, 1921. Beeld: Nationaal Archief

Het fascisme oefende een sterke aantrekkingskracht uit op nogal wat Nederlanders in de jaren twintig. Wat maakte het fascisme zo interessant?

‘De opmerking dat het fascisme in de jaren twintig een sterke aantrekkingskracht uitoefende op veel Nederlanders, vraagt om enige nuancering. De eerste fascistische partij hier – het Verbond van Actualisten – behaalde bij de Tweede Kamerverkiezingen in 1925 slechts 2253 stemmen, ofwel 0,07 procent van het totaal.

‘Twee jaar later kozen de lezers van het liberale Algemeen Handelsblad bij een enquête in oktober 1927 Mussolini tot de op een na grootste figuur van zijn tijd. Dit duidt erop dat veel Nederlanders hem als een kundig en geschikt leider beschouwden voor een land als Italië, maar niet het fascisme wilden invoeren. Pas in de jaren dertig kregen partijen die dat nastreefden hier werkelijk aanhang van enige betekenis.’

‘Veel Nederlanders beschouwden Mussolini als een kundig leider’

Waarin verschillen de fascistische partijtjes uit de jaren twintig van de in 1932 opgerichte NSB van Anton Mussert?

‘Allereerst was de NSB veel beter en hechter georganiseerd dan haar voorgangers en concurrenten. Duizenden leden kregen bovendien een functie met een fraai klinkende titel die hen een gevoel van eigenwaarde gaf. Dat was een psychologische factor van niet te onderschatten belang. Leden werden ook voortdurend bij de activiteiten van de beweging betrokken. De NSB had hiernaast een duidelijke politieke stijl met massabijeenkomsten, uniformen en vlaggen die velen aansprak.

‘Anton Mussert genoot bovendien een gunstige reputatie als hoofdingenieur van de Provinciale Staten van Utrecht en hij had naam gemaakt in nationalistische kringen in de jaren twintig als initiatiefnemer en secretaris van het Nationaal Comité van Actie tegen het Verdrag met België. Hoewel de NSB-leider weinig charismatisch was, stak hij gunstig af bij veel andere fascistenleiders, zoals bijvoorbeeld Jan Baars, die het fascisme op dezelfde rumoerige wijze aanprees als voorheen zijn koopwaar op de markt.

‘Ten slotte verkondigde de NSB vanaf haar begin een revolutionair-utopische ideaal waarvan een mobiliserende aantrekkingskracht uitging. Dit was het ideaal van de klassenoverstijgende en solidaire volksgemeenschap. Dit gold niet alleen als alternatief voor het moeizaam functionerende parlementaire stelsel en het ontspoorde kapitalisme, maar ook als alternatief voor het marxisme.

‘Onder bekoring van fascistisch Italië werd het ideaal van de volksgemeenschap aanvankelijk vooral geassocieerd met de corporatieve staat, maar in de loop van de jaren dertig kreeg het door de invloed van het nazisme steeds meer de vorm van een etnisch homogeen Groot-Nederland.’

Protestpartijen van nu

Als we de jaren twintig van de vorige eeuw vergelijken met die van nu: wat zijn de belangrijkste overeenkomsten tussen de protestpartijen van toen, met die van thans?

‘Een belangrijke overeenkomst is dat protestpartijen vinden dat de belangen van bepaalde maatschappelijke groepen, bijvoorbeeld boeren, of zelfs van het volk in zijn geheel, zoals populisten verkondigden, bewust worden veronachtzaamd door de gevestigde partijen en het politieke establishment. Hun politiek boodschap en streven staat hierbij vrijwel volledig in dienst van deze eenzijdige visie. Een andere overeenkomst is dat verreweg de meeste protestpartijen opereren binnen de kaders van het parlementaire stelsel.’

En wat zijn de belangrijkste verschillen?

‘Een belangrijk verschil is dat de protestpartijen van toen slechts één of twee zetels behaalden en geen werkelijke politieke invloed uitoefenden, terwijl de belangrijkste protestpartijen nu deel gaan uitmaken van het kabinet en grotendeels de politieke agenda bepalen. De twijfelachtige houding van de grootste protestpartij – de PVV – tegenover de parlementaire democratie wekt verontrusting.’

‘Wilders is een aanhanger van de racistische omvolkingstheorie’

Hebben we in Nederland, nu de PVV de grootste partij is en de leiding neemt in de nieuwe coalitie, te maken met een grote crisis van de democratie?

Als politieke partij opereert de PVV ogenschijnlijk binnen de wettelijke kaders van het parlementaire stelsel. Tegelijkertijd ondermijnt Wilders met zijn uitlatingen over ‘nepparlement’, ‘totaal gestoorde D66-rechters’ en journalisten als ‘tuig van de richel’ welbewust en al jarenlang het vertrouwen in de parlementaire democratie.

‘Bovendien is parlementaire democratie onlosmakelijk verbonden met de rechtsstaat waarvan de PVV-leider de fundamenten dolgraag wil slopen. Het basisprincipe van de rechtstaat is dat alle burgers gelijke rechten hebben en dat die door de staat worden beschermd. De PVV wil een hele grote groep burgers bepaalde grondrechten ontnemen en daarmee degraderen tot tweederangsburgers. Last but not least, Wilders is een aanhanger van de racistische omvolkingstheorie. In 2011 verklaarde hij letterlijk voor de rechtbank: ‘Door heel Europa vechten de multiculturalistische elites een totale oorlog uit tegen hun bevolkingen, met als inzet de voorzetting van de massa-immigratie, uiteindelijk resulterend in een islamitisch Europa – een Europa zonder vrijheid: Eurabië.’

‘Het feit dat de PVV de grootste partij is geworden en dankzij de bereidwillige houding van andere partijen, waaronder een liberale partij, de leiding neemt in een nieuwe coalitie, lijkt erop te duiden dat Nederland balanceert op het randje van een grote crisis van de democratie. Ook als Wilders er niet in slaagt om de discriminatoire bepalingen uit zijn partijprogramma te verwezenlijken, kan dat niet verhullen dat met het salonfähig maken van deze abjecte politicus een morele grens is overschreden.’

Robin te Slaa, De Rapaille Partijen – Antipolitieke sentimenten 1918-1931, Boom uitgevers, 448 blz., €32,90.

Nu u hier toch bent...

Goede journalistiek kost geld. Leden en donaties maken onze gebalanceerde berichtgeving over biculturaliteit, zingeving en vrijheid mogelijk. Steun ons daarom als u ons werk belangrijk vindt.

Vertel mij meer!
- Advertentie -