‘Dan publiceren we toch maar niet’

Vandaag is de Internationale Dag van de Persvrijheid. Nederland staat van de 180 landen op de persvrijheidslijst op de vierde plek. Zijn er wel bedreigingen voor de persvrijheid in Nederland? En heeft het zin om aandacht te besteden aan de persvrijheid in het buitenland?

3 mei is traditiegetrouw de Internationale Dag van de Persvrijheid. Die is niet overbodig. Uit de jaarlijkse persvrijheidsindex van perswaakhond Reporters Without Borders blijkt dat in steeds minder landen journalisten hun werk nog vrijuit kunnen doen. Alleen al dit kalenderjaar werden er wereldwijd negen (burger)journalisten gedood en meer dan driehonderd gevangengezet. Nederland staat van de 180 landen op de persvrijheidslijst op de vierde plek en lijkt het dus nog niet zo slecht te doen. Of zijn er toch bedreigingen voor de persvrijheid in Nederland? En heeft het wel zin om aandacht te besteden aan de persvrijheid in het buitenland? De Kanttekening vroeg het aan Evert de Vos (redactiechef De Groene Amsterdammer en voorzitter van de Vereniging van Onderzoeksjournalisten, VVOJ), Sytske Sötemann (bestuurslid PEN Nederland), zelfstandig onderzoeker Marjolein Odekerken en Thomas Bruning, secretaris van de Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ) en bestuurslid van Stichting Persvrijheidsfonds en het Comité 3 Mei.

Fysieke en verbale intimidatie

Waar ligt het meest directe gevaar voor de persvrijheid in Nederland? Daar hoeven Evert de Vos (VVOJ) en Thomas Bruning (NVJ) niet lang over na te denken: dat zijn de bedreigingen gericht tegen de misdaadjournalistiek. De Vos noemt misdaadjournalisten John van den Heuvel (de Telegraaf) en Paul Vughts (het Parool), die inmiddels permanent moeten worden beveiligd. Ook hadden we in 2018 aanslagen op de gebouwen van de Telegraaf en Panorama, volgens Thomas Bruning ‘te relateren aan de georganiseerde drugscriminaliteit, die steeds heftiger wordt’. Toch hebben daarnaast andere journalisten, hoewel beveiliging onnodig is, last van fysieke bedreigingen. Volgens Marjolein Odekerken, zelfstandig onderzoeker met expertise op het terrein van bedreigingen van journalisten, geldt dit zelfs voor vier op de vijf journalisten. ‘Denk bijvoorbeeld aan schoppen of slaan, of achtervolgingen op straat.‘

Odekerken bracht samen met Alex Brenninkmeijer in 2017 een rapport uit over de persvrijheid in Nederland en weet zodoende welke journalisten het meeste risico lopen om bedreigd te worden. Odekerken: ‘Bedreigingen zijn er in verschillende vormen en gradaties, waarmee allerlei categorieën journalisten te maken krijgen. Voorbeelden van groepen die veel bedreigd worden zijn, naast  misdaadjournalisten, columnisten, commentatoren, rechtbankverslaggevers en onderzoeksjournalisten. Maar ook journalisten met een migratieachtergrond en journalisten die over bepaalde onderwerpen schrijven zoals politiek en overheid, oorlog, veiligheid en immigratie.’

Daarnaast moeten ook vrouwelijke journalisten het relatief vaak ontgelden, vertelt Odekerken. Ze deed de afgelopen maanden speciaal onderzoek naar vrouwelijke journalisten en kwam erachter dat minstens de helft daarvan te maken heeft gehad met bedreigingen. ‘Het gaat om allerlei verschillende vormen van bedreigingen. Op nummer 1 staan bedreigingen via sociale media en op nummer 2 juridische bedreigingen. Verder ervaren vrouwelijke journalisten de bedreigingen als seksistisch en racistisch en veelal op de persoon gericht.’

De bedreigingen tegen journalisten hebben consequenties voor de persvrijheid. In Odekerkens rapport uit 2017 staat dat bedreigingen voor sommige journalisten (38 procent) de reden zijn geweest om een reportage af te breken, bepaalde locaties te mijden (32 procent) de berichtgeving uit angst aan te passen (16 procent) of zelfs helemaal niet te publiceren (15 procent).

Juridische dreiging

Naast fysieke en verbale intimidatie heeft de Nederlandse journalistiek ook steeds meer te maken met juridische dreiging. Zo was er recent de zaak die ex-VVD-senator Anne-Wil Duthler aanspande (en verloor) tegen Quote, dat Duthlers belangenverstrengelingen blootlegde. Evert de Vos noemt dit soort procedures ‘slapping’: het aanspannen van rechtszaken door bedrijven en mensen met diepe zakken, ook al maken die weinig kans. De gedachte erachter? ‘Ze doen dit om de journalist of het medium op kosten te jagen.’

Maar verder zie je toch nauwelijks rechtszaken tegen journalisten? Volgens De Vos is het dreigen met juridische procedures al bedreigend genoeg. ‘Journalisten kunnen denken: ‘Dan publiceren we toch maar niet. Van ‘slapping’ gaat dus een afschrikwekkende werking uit.’ Thomas Bruning vult aan: ‘Wanneer er een rechtszaak wordt gevoerd, dan is dat slechts het laatste stadium van deze juridische dreiging. Er zijn gevallen dat er publicaties worden gewijzigd of ingetrokken. Maar soms is het geval dat journalisten dan juist doorbijten.’

Wet Open Overheid

Evert de Vos ziet nog een juridisch pijnpunt voor de persvrijheid, één die vooral onderzoeksjournalisten raakt: de Wet Openbaarheid Bestuur (WOB). Nog te veel delen van geopenbaarde overheidsdocumenten worden volgens hem zwartgelakt. Er is wel een opvolger voor de WOB in behandeling bij de Tweede Kamer, de Wet Open Overheid (WOO), maar die kan volgens De Vos in de huidige vorm net zo goed naar de prullenbak. ‘De WOO is inmiddels zo geamendeerd dat alle verbeteringen eruit zijn. Het aantal te ‘wobben’ documenten en bestuursorganen wordt er niet door vergroot.’ En dat is wel nodig, vindt De Vos. ‘Op deze manier zullen er heel veel zaken onder de pet blijven.’

Ondermijning door populisme

Werken populistische partijen en politici niet ook mee aan een vijandig klimaat tegen journalisten? Zo is er Denk, dat vele journalisten weert, Geert Wilders die de – volgens hem ‘linkse’ – NPO stelselmatig boycot en Thierry Baudet die stelt dat ‘we worden ondermijnd door onze journalisten’. Thomas Bruning denkt dat dit een verkeerde trend is. Hij hekelt de ‘populistische tendens om de journalistiek neer te zetten als partijdige speler in plaats van observator. Dit voedt het publiek met wantrouwen en helpt journalisten neer te zetten als doelwit, als mensen waar je je tegen moet verweren.’

Wat zou het antwoord van journalisten hiertegen moeten zijn? Zouden zij hier niet harder tegenin moeten gaan? Dat lijkt Bruning niet verstandig. ‘Dan ga je juist mee in het populistische frame. Het is beter om je te blijven beperken tot afstand houden, registreren en vastleggen. Je zou Donald Trump nog bijna gelijk geven wanneer hij zegt dat journalisten tegen hem zijn.’ De Vos voegt daar nog een positieve noot aan toe: ‘Juist door populisme beginnen we de noodzaak van kwalitatieve journalistiek in te zien. Zo groeit The New York Times behoorlijk sinds Donald Trump president van Amerika is.’

Wat nu te doen?

Wat zou er moeten gebeuren om de persvrijheid in Nederland te waarborgen? Evert de Vos vindt dat de overheid financieel moet bijspringen om ‘slapping’ tegen onderzoeksjournalisten te betalen. ‘Het Persvrijheidsfonds heeft maar drie ton klaarliggen om hiertegen een verweer te leveren. En ook de NVJ is niet eindeloos rijk.’ Ook Odekerken heeft een aanbeveling: ‘Bedreigingen mogen niet als risico van het vak worden gezien, ook niet als deze bedreigingen niet voor de wet strafbaar zijn. Zowel de politiek als de journalistiek zelf zullen daar een actieve rol in kunnen spelen.’

Op dit moment zijn verschillende partijen al bezig om de persvrijheid te bevorderen. Uit Odekerkens persvrijheidsonderzoek uit 2017 vloeide het project ‘PersVeilig’ voort. Op initiatief van de NVJ, het Genootschap voor Hoofdredacteuren, het Openbaar Ministerie en Politie is er op 1 april dit jaar een meldpunt geopend voor agressie en geweld tegen journalisten. De politie en het OM zullen ook meer prioriteit geven aan het opsporen en vervolgen van dit soort zaken. Bovendien is sinds 1 april de strafeis verdubbeld voor gewelds- en agressiedelicten tegen journalisten. Thomas Bruning geeft aan dat de NVJ, vanwege de toegenomen juridische dreiging, deze zomer een ‘balie voor juridische dreiging’ zal openen, wederom in samenwerking met het Genootschap voor Hoofdredacteuren, het Openbaar Ministerie en Politie. Journalisten bij wie een rechtszaak boven het hoofd hangt kunnen daar juridisch advies inwinnen. Deze balie kan vooral voor de ‘kleinere’ journalistieke spelers handig zijn. Bruning: ‘Grote redacties hebben vaak al fulltime juristen in dienst die journalisten kunnen bijstaan. Kleinere redacties en freelancers hebben dat niet.’

Aandacht voor het buitenland

Op de Dag van de Persvrijheid staan we niet alleen stil bij de persvrijheid in Nederland, maar ook bij die in het buitenland. Maar heeft het wel zin om aandacht te besteden aan de persvrijheid in het buitenland? We vroegen het aan Syske Sötemann. Zij is bestuurslid van PEN Nederland, onderdeel van PEN International, dat zich inzet tegen de vervolging van schrijvers, academici en journalisten wereldwijd, dus ook in Europa. Sötemann noemt ‘schrijnende gevallen’ als Hongarije, Polen, Malta en met name Turkije. ‘Niet voor niets bungelt Turkije onderaan de internationale persvrijheidslijst. Sinds de mislukte coup worden daar journalisten aan de lopende band opgepakt en vastgezet.’ In april was er nog een afvaardiging van PEN in Istanbul aanwezig bij het proces van journalist Ahmet Nesin, professor Sebnem Korur Fincanci en Erol Önderoglu van Reporters Without Borders. Hun proces is om onduidelijke reden aangehouden tot juli, maar Sötemann geeft ze alsnog weinig kans. ‘Er zijn nauwelijks vrijspraken in Turkije.’

PEN vraagt ook aan de Nederlandse instanties en ministers om zich in te zetten voor het vrijlaten van gevangenen in het buitenland. Maar ook als PEN antwoord krijgt dat dit gebeuren zal, alsnog is het effect dan beperkt omdat er vaak ook andere belangen in het geding zijn. Sötemann grijpt terug naar het voorbeeld van Turkije: ‘Hoewel het kabinet-Rutte de persvrijheid in Turkije ter sprake heeft gebracht is er vooralsnog geen zichtbaar resultaat.’ Al had Sötemann daar ook eigenlijk geen illusie over: ‘We zitten met Turkije in een migratiedeal, Turkije is NAVO-lid en we hebben handelsbetrekkingen met dat land. Dus dat soort belangen prevaleren dan.’

Sötemann kent niet zoveel voorbeelden van gevangenen die zijn vrijgesproken of vrijgekomen dankzij de inspanningen van PEN, dat vaak samen optrekt met andere mensenrechtenorganisaties als Amnesty International en Reporters Without Borders. ‘De Azerbeidzjaanse blogger Rashad Ramazanov, die na zes jaar onterecht gevangen gezeten te hebben gratie kreeg, is een van de uitzonderingen.’ Heeft het dan nog wel nut om je, zoals PEN en andere mensenrechtenorganisaties of overheden, in te zetten voor de vrijheid van journalisten en schrijvers in het buitenland? Sötemann vindt van wel: ‘Het blijft belangrijk om stelselmatig aandacht te besteden aan misstanden en in te spelen op actuele ontwikkelingen, zoals de moord op de Maltese journaliste Daphne Caruana Galizia of de hongerstaking van de in Rusland gevangen gezette Oekraïense filmer Oleg Sentsov. Net zoals het jaarlijks uitreiken van de Oxfam Novib/PEN Awards aan monddood gemaakte schrijvers en journalisten. Van ex-gevangenen horen we vaak dat ze door de aandacht die ze tijdens hun gevangenschap kregen de moed erin konden houden, dat ze voelden niet vergeten te zijn.’

Op woensdag 8 mei vindt het Festival van het Vrije Woord plaats in museum Beeld en Geluid in Hilversum. Een van de sprekers daar is Marjolein Odekerken, die de resultaten zal presenteren van haar onderzoek naar de bedreiging en intimidatie van vrouwelijke journalisten. Opgeven voor het Festival van het Vrije Woord kan via www.persvrijheid.nl

DELEN
Arnout Maat
Redacteur