11.6 C
Amsterdam

De meerwaarde van meertaligheid in het onderwijs

Nadia Murady
Journalist.

Lees meer

Dat meertaligheid aanwezig is in Nederland is duidelijk. Toch wordt in het onderwijs de nadruk gelegd op het spreken van de Nederlandse taal, om zo de integratie te bevorderen en taalachterstanden weg te werken. Vaak gaat dit ten koste van meertaligheid. Maar het spreken van meer talen is juist een meerwaarde, vinden taalwetenschappers.


In Nederland zijn meer dan 2,5 miljoen mensen opgegroeid met een andere taal. Nederland wordt dan wel diverser, maar deze toenemende diversiteit vertaalt zich niet in meer aandacht voor meertaligheid, stelde de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) in 2018. Engels heeft als lingua franca een dominante status en wordt in het onderwijs doorgaans behandeld. Daarnaast zijn Duits en Frans belangrijk. Maar andere talen, zoals het Arabisch en Turks, blijven vaak nog buiten beschouwing.

Taalkundige Maaike Verrips, oprichter van het kenniscentrum Meertalig.nl, legt uit dat talen een verschillende maatschappelijke status hebben op basis waarvan dit onderwijsbeleid wordt gemaakt. Onderwijsinstanties zijn zich niet genoeg bewust van deze verschillen, zegt ze. ‘Mensen kijken heel anders tegen het Berbers of Arabisch aan, ook in het onderwijs. In Nederland overheerst bij veel scholen het idee om op school alleen maar Nederlands te mogen spreken. Daar zijn ze heel streng in.’

De waardering van een extra taal is gebaseerd op de vraag: hoe kan de taal worden ingezet voor economisch potentieel? Hieronder vallen grotere internationale talen als het Duits, het Spaans en Chinees, maar ook ‘middentalen’ als het Turks of het Pools. Maar meertaligheid biedt ook cognitieve en maatschappelijke voordelen die niet altijd worden erkend, zoals een grotere taalvaardigheid en een bijdrage aan de sociale cohesie, aldus de KNAW, die stelt dat meertaligheid juist een meerwaarde kan zijn voor de Nederlandse kenniseconomie.

Daarbij leidt meertaligheid niet per definitie tot een achterstand ten opzichte van eentalige kinderen, ziet taalwetenschapper Sharon Unsworth (Radboud Universiteit), tevens maker van de meertaligheidspodcast Kletsheads. ‘Wel zijn er veel andere factoren die een rol spelen in een eventuele achterstand van een leerling, die niet verbonden zijn aan meertaligheid. Kinderen waarvan beide ouders Nederlands spreken kunnen ook te maken krijgen met een taalachterstand. Dat kan bijvoorbeeld te maken hebben met het ouderlijke opleidingsniveau.’

Met de schoolsluitingen van het afgelopen en huidige schooljaar hebben veel leerlingen leerachterstanden opgelopen. Naar de Nederlandse situatie is nog geen onderzoek gedaan, maar onderzoek naar meertalige Britse leerlingen tijdens de coronacrisis wijst uit dat veel leerlingen een leerachterstand oplopen omdat ouders de onderwijstaal niet spreken en dus moeilijker het lesmateriaal kunnen onderwijzen. Maar er bleek ook een positief gevolg, aldus Unsworth: ‘Omdat er niet veel Engels wordt gesproken thuis, is de thuistaal juist meer ontwikkeld.’

Taalkundige Verrips hoort ook van Nederlandse ouders dat ze meer kans hadden de thuistaal te spreken met hun kinderen tijdens de schoolsluiting, waardoor deze leerlingen beter de thuistaal zijn gaan ontwikkelen. Dat is niet automatisch een probleem voor de Nederlandse taalontwikkeling, meent Verrips.

‘De ouders spreken andere talen en willen hun kinderen ook die talen meegeven. Dat wil niet zeggen dat ze hen niet kunnen helpen met Nederlands huiswerk.’ Een leerachterstand is niet te wijten aan meertaligheid, omdat er ook ouders zijn die zowel het Nederlands als de moedertaal goed beheersen en hun kinderen daarbij kunnen helpen.

‘Scholen moeten beseffen dat ze kinderen en ouders uitsluiten met eentalig onderwijs, dat ze hen en zichzelf benadelen door de manier waarop ze omgaan met andere talen’

Onderzoek uit 2018 toont aan dat de verschillende talen die kinderen spreken tegelijkertijd actief zijn in hun hersenen, aldus Stichting Leerplan Ontwikkeling. De verschillende talen worden opgeslagen in één systeem in de hersenen en blijven dus actief als een leerling Nederlands spreekt. Bovendien hebben de talen ook invloed op elkaar: de moedertaal legt de basis voor de taalontwikkeling en het leren van het Nederlands. Andersom geldt dit ook.


Unsworth: ‘We weten uit onderzoek dat kinderen die hun thuistaal goed ontwikkelen beter een tweede taal kunnen leren. Je hoeft alleen de woorden te leren in de tweede taal, maar niet het concept. Als je de taal nog niet goed hebt ontwikkeld, dan moet je zowel het label (het woord zelf, red.) als het concept erachter leren.’

Unsworth ziet dan ook dat de onderwijswereld sinds vijf jaar langzaamaan wat positiever tegen meertaligheid begint aan te kijken. Zo zijn er initiatieven waarbij leerkrachten de thuistalen van leerlingen betrekken in de klas. Unsworth ziet dat vooral bij nieuwkomers gebeuren, maar het komt ook voor bij andere leerlingen.

‘Er wordt voortgebouwd op de kennis die een leerling al heeft, in plaats van dat die wordt genegeerd. Want dat is eigenlijk wat we doen, als ze de taal bij de deur moeten achterlaten. Hun moedertaal speelt een belangrijke rol voor die leerlingen. Als je die taal meeneemt in de klas dan is dat ook terug te zien in het zelfvertrouwen van de leerlingen.’

Bovendien is er soms ook sprake van ‘translanguaging’: dat meertalige leerlingen hun moedertaal, de lestaal en andere talen waarin ze kennis verwerven mogen inzetten tijdens de les. Daarbij hoeft een docent zelf niet alle talen te beheersen, maar worden leerlingen wel gestimuleerd om alle talen die ze kennen te gebruiken.

Verrips vindt het ook een goed idee om de moedertaal van biculturele leerlingen mee te nemen naar het klaslokaal: ‘Als hun moedertalen gewaardeerd worden in de klas en ze die ook mogen gebruiken om iets te vragen of als ze zich ergens in moeten verdiepen, dan kunnen ze de taal beter ontwikkelen.’

Unsworth stelt onder meer voor om kinderen te vragen naar labels voor belangrijk concepten die ze misschien in een andere taal al kennen, en dit samen te bespreken. ‘Als er meerdere leerlingen zijn die dezelfde taal spreken, dan zouden ze in een groepje mogen overleggen in die taal. Dan kunnen ze echt de inhoud gaan bespreken en het daarna rapporteren aan de rest van de klas.’

Een ander voorbeeld: de Espirit-scholen in Amsterdam, waar leerlingen in verschillende talen examens kunnen afnemen. Leerlingen mogen dan alle talen inzetten die ze kennen om kennis te vergaren. Of neem de 85 drietalige scholen in Friesland, een concept dat is onderzocht door taalwetenschappers Joana Duarte en Günther-van der Meij. Op deze scholen worden het Fries, Nederlands en Engels onderwezen.

Verrips: ‘Het belangrijkste is dat scholen beseffen dat ze kinderen en ouders uitsluiten met eentalig onderwijs en hen en zichzelf benadelen door de manier waarop ze omgaan met andere talen.’

Leerkrachten kunnen bijvoorbeeld ouders vragen om voor te lezen aan de klas, zoals tijdens de Boekenweek, stelt Verrips voor. ‘Alle kinderen pikken dan iets op van de talen en erkennen dat iedereen verschillende talen spreekt, en dat ze daar plezier in kunnen vinden. Kinderen krijgen de gelegenheid om te stralen.’

Nu u hier toch bent...

Goede journalistiek kost geld. Leden en donaties maken onze gebalanceerde berichtgeving over biculturaliteit, zingeving en vrijheid mogelijk. Steun ons daarom als u ons werk belangrijk vindt.

Vertel mij meer!

- Advertentie -