‘Dyslexiezorg is blind voor kinderen met migratieachtergrond’

Foto's: Creative Commons
Autochtone kinderen krijgen veel vaker een dyslexieverklaring dan kinderen met een migratieachtergrond. De Kanttekening sprak experts over de oorzaken van dit verschil.

Kinderen met een migratieachtergrond krijgen zelden de diagnose dyslexie. Bij autochtone kinderen gebeurt dat juist heel vaak. Dat is de conclusie van een recent onderzoek van de gemeente Amsterdam, die zich hardop afvroeg waarom kinderen met een migratieachtergrond nauwelijks worden doorverwezen naar de dyslexiezorg. De gemeente gaat dat nog verder onderzoeken en komt dit najaar met de resultaten.

Dyslexie komt in principe even vaak voor bij kinderen met een migratieachtergrond als bij autochtone kinderen. Kinderen met een migratieachtergrond hebben alleen vaak een taalachterstand en daarom is het voor hen soms extra moeilijk om mee te komen. Docenten zien dyslexie daardoor vaak over het hoofd bij deze groep of ontdekken het te laat. Vorig jaar concludeerde de PO-Raad (sectororganisatie voor het primair onderwijs) al dat kinderen van welgestelde ouders eerder een dyslexieverklaring krijgen dan leerlingen uit achterstandswijken. Dat komt omdat de kosten voor een dyslexietest op kunnen lopen tot duizend euro en dat is voor ouders met geld makkelijker te betalen. Landelijk gezien heeft negen procent van de autochtone kinderen problemen met dyslexie tegenover twee procent van de kinderen met een migratieachtergrond.

Er zijn verschillende redenen voor het verschil. Een belangrijke is de taalachterstand van kinderen met een migrantenachtergrond, waardoor leerkrachten minder snel naar dyslexie kijken. ‘Taalachterstand vertroebelt inderdaad het zicht op dyslexie. Daardoor denken leraren minder snel aan dyslexie en wordt een kind minder snel doorgestuurd’, legt psycholoog en onderzoeker Anick Verpalen uit. ‘Ik denk dat leerkrachten sneller aan de slag gaan met de taalachterstand. Het zijn vaak tweetalige kinderen, die van huis uit de moedertaal meekrijgen en Nederlands als tweede taal leren. Bij beide talen verloopt de ontwikkeling daardoor wat trager. Je ziet binnen het onderwijs dat dit snel als oorzaak wordt gezien voor het minder goed scoren bij toetsen.’

Dat vindt ook Anna Bosman, hoogleraar Orthopedagogiek: Leren en Ontwikkeling verbonden aan de Radboud Universiteit. ‘Als er goed lesgegeven wordt dan vertroebelt het niet. Maar het zal ongetwijfeld gebeuren dat docenten bij migratiekinderen niet denken aan dyslexie, omdat ze een taalachterstand hebben, maar je moet kinderen niet aan laten modderen. Je moet met die kinderen gezamenlijk oefenen en dan verdwijnt het verschil ook.’

Dat denkt ook Renate Salemans, logopedist bij Gezondheidscentrum Aelbrechtskade in Rotterdam. ‘Door die achterstand is het moeilijk te bepalen of de voorwaarden om te gaan leren lezen en schrijven voldoende aanwezig zijn. Het niveau van de taalontwikkeling is vaak lager dan het hoort te zijn. Ook de auditieve en fonologische vaardigheden om tot goed lezen en schrijven te komen zijn vaak onder de maat. Daardoor is het dyslexieonderzoek moeilijk af te nemen en zo is moeilijk te bepalen of een kind het in aanleg in zich heeft of niet. Maar er zijn ook andere redenen waardoor leerkrachten minder gericht zijn op dyslexie. Ouders van kinderen met een migratieachtergrond zijn minder mondig en signaleren dyslexie minder snel. Autochtone ouders zijn erg gebrand op leerprestaties.’

Bosman sluit zich daarbij aan. ‘Als de ouders zich geen zorgen maken, dan krijgen ze het bij een docent veel minder snel voor elkaar dat er een onderzoek komt. Veel van deze ouders weten ook niet dat er mogelijkheden zijn om het nader te onderzoeken.’

Ook Verpalen legt de oorzaak deels bij de ouders. ‘Ik denk dat ouders er niet mee bekend zijn. In hun eigen cultuur en in hun thuisland is het geen bekend fenomeen. Onwetendheid speelt dus mee. Bij deze ouders brengt dat angst voor het onbekende mee, dat er iets mis is met hun kind en daardoor is de drempel om actie te ondernemen wat hoger. Autochtone ouders komen vaak zelf met de vraag of hun kind niet dyslectisch is. Daar zit een groot verschil. Autochtone ouders hebben ook meteen door wat voor faciliteiten en voordelen het met zich mee kan brengen, terwijl ouders met een migratieachtergrond vaak denken dat het een nadeel is als er iets met hun kind is. Ze denken dat dit tegen hen kan werken.’

Volgens Salemans heeft het ook te maken met het taalniveau van de ouders. ‘Het komt vaker voor bij deze groep dat ouders of grootouders analfabeet zijn. Als het in een gezin niet vanzelfsprekend is om samen boekjes te lezen, dan zullen ouders niet snel in de gaten hebben dat er iets mis is met hun kinderen.’

Bosman kijkt er nog op een andere manier tegenaan. ‘We proberen de dingen nu aan het verkeerde eind recht te trekken. Je moet er niet voor zorgen dat meer kinderen met een migratieachtergrond een verklaring krijgen, je moet zorgen dat kinderen uit autochtone gezinnen geen verklaring hebben als dat niet nodig is. Als het aan de kant van de autochtonen niet zover doorgeslagen zou zijn, dan zou er helemaal geen verschil zijn. Autochtone kinderen krijgen sneller zo’n verklaring, omdat het allerlei voordelen oplevert. Je krijgt uitzonderingsposities. Zo krijgen ze bijvoorbeeld meer tijd voor een toets en meer studiebeurs. Als een kind geen vlotte lezer is bijvoorbeeld, vragen ouders zo’n verklaring aan, terwijl het kind gewoon op een heel gemiddeld niveau leest. Maar ze denken dat als een kind slim is, hij of zij ook snel moet lezen, maar dat is onzin. Veel kinderen hebben onterecht een dyslexieverklaring. Die hebben helemaal geen dyslexie. Of je hebt geen goed onderwijs gehad of je hebt zelf niet goed geoefend.’

Volgens Verpalen is het verschil tussen kinderen met een migratieachtergrond en autochtone kinderen eenvoudig te overbruggen. ‘Op de school waar ik werk krijgt iedereen dezelfde aandacht en wordt er een evenredig deel aan dyslexie opgespoord, geen uitzonderingen bij bepaalde groeperingen. Je moet je als docent niet laten verblinden door taalachterstand.’

Salemans gaat verder: ‘De mate van geletterdheid verschilt wel en de mate ervan bij de ouders bepaalt of kinderen problemen houden met het leren lezen en schrijven. Ik gebruik zelf het lezen als ondersteuning om een onduidelijke uitspraak te trainen. De geschreven taal is goed te gebruiken om de totale taalontwikkeling naar een hoger plan te trekken. Dat is nog een reden dat het bij kinderen te laat ontdekt wordt.’

‘Er moeten duidelijk bepaalde dingen in het onderwijs veranderen om dit probleem op te lossen’, zegt Bosman. ‘Beter onderwijs. Het heeft allemaal te maken met goed onderwijs en als je goed onderwijs geeft als school dan heb je bijna geen kinderen met dit probleem, niet bij autochtone kinderen en niet bij kinderen met een migratieachtergrond. Er is voldoende onderzoek waaruit blijkt dat 99 procent van de kinderen het gewoon leert en nergens last van heeft. Maar dat moet dan wel gebruikt worden en het is raar dat leerkrachten hier geen gebruik van maken.’

Salemans: ‘Leerkrachten zijn er onvoldoende in geschoold. Er moeten onderzoeksmethodes voor de leesvoorwaarden bij anderstalige kinderen ontwikkeld worden. Als je het probleem landelijk wil aanpakken dan moet er iets structureels gebeuren, zoals richtlijnen en onderzoeksmethodes. En er moet meer betrokkenheid komen vanuit de ouders. Die moeten echt meer met hun kinderen oefenen met lezen. Ouders moeten daarin gestimuleerd worden ook al spreken ze niet goed Nederlands. Aan voorlezen kun je namelijk niets fout doen.’

Verpalen sluit af: ‘Scholen en leerkrachten moeten meer kennis hebben zodat ze makkelijker kinderen met dyslexie kunnen opsporen, ongeacht of het autochtone kinderen of kinderen met een migratieachtergrond zijn. Extra expertise en financiële middelen zijn ook nodig. Scholen moeten extra kennis in huis halen over dyslexie, hoe dit te herkennen is en aan te pakken. Maar bijna geen enkele school kan het zelf betalen en als ouders het dan ook niet kunnen betalen dan houdt het op. Zo’n kind blijft dan met een vermoeden van dyslexie rondlopen. Het is raar dat dit in een rijk land als Nederland niet beter geregeld is. Er valt ook veel winst te halen bij het trainen van docenten. Dat moet op de pabo al gebeuren en daar is nu nauwelijks aandacht voor. De doorsnee afgestudeerde leraar weet er bijna niets van en al helemaal niet hoe het zit bij kinderen met een migratieachtergrond.’

DELEN
Jesse Voorn
Journalist gespecialiseerd in politiek en maatschappij.