Eritreeërs integreren extra lastig. Hoe komt dit?

Lees meer

Sinds 2014 deden meer dan 17.000 Eritreeërs een asielaanvraag in Nederland. Hiermee vormen ze na Syrische vluchtelingen de grootste groep nieuwkomers. Omdat Eritrea een onveilige dictatuur is, worden de meeste asielaanvragen in Nederland ingewilligd. Uit diverse onderzoeken blijkt echter dat het voor Eritreeërs extra lastig is om hier te integreren. Hoe komt dit, en wat is er aan te doen?

Eritrea is, na lange tijd gekolonialiseerd te zijn geweest door onder andere Italië, Groot-Brittannië en Ethiopië, sinds 1993 officieel een onafhankelijke staat. De huidige president van Eritrea, Isaias Afwerki, leidde het Eritrean People Liberation Front (EPLF) in de strijd tegen de meest recente bezetter, Ethiopië. Hiervoor kreeg hij erkenning van zijn landgenoten in de vorm van stemmen voor zijn politieke partij. In het begin waren veel Eritreeërs positief over Afwerki, maar inmiddels is dit veranderd. Er zijn, nadat Afwerki in 1993 aan de macht kwam, geen democratische verkiezingen meer gehouden en het dictatoriale regime perkt de vrijheid van de Eritrese burgers steeds verder in. Zo moeten ze voor onbepaalde tijd in militaire dienst en mogen ze bijna nooit reizen. Mensen die zich hiertegen verzetten worden gevangen gezet en gemarteld. Toch proberen mensen weg te komen. Als het ze lukt staat er een gevaarlijke tocht op ze te wachten.

Op de vlucht

Ibrahim Saleh heeft die tocht gemaakt. Hij woont nu vier jaar in Nederland en werkt bij Stichting Warm Welkom, waar hij probeert statushouders wegwijs te maken in Amsterdam-Noord. ‘Mijn eerste vluchtpoging deed ik in 2006’, vertelt Ibrahim. ‘Maar dat lukte niet. Ik werd opgepakt en heb toen zes maanden in de gevangenis gezeten. Toen ik weer vrij was heb ik een tijd een normaal leven gehad. Ik was er voor mijn familie, had mijn werk en was in de avond en in het weekend in dienst.’ In die tijd wilde Ibrahim wel vluchten. Maar doordat hij in de hoofdstad Asmara woonde, was het voor hem lastig zomaar naar de grens te gaan. Uiteindelijk vertrok hij in 2014 voorgoed. ‘Ik vluchtte toen ik weer naar de gevangenis moest. Sinds 2006 was ik daar al drie keer naartoe gestuurd, meestal voor een paar maanden. Dat overkomt iedereen die zelfstandig werkt of zich tegen het regime uitspreekt. Toen ik de grens was overgestoken voelde ik mij ontzettend opgelucht.’

‘Voor Eritreeërs is het lastig om contact te maken met onbekenden’

Aanvankelijk was het zijn plan om naar Zweden te gaan, omdat hij daar vrienden heeft. Nederland kende hij niet. Althans, alleen van het nationale voetbalelftal: hij was fan van Arjen Robben en Robin van Persie. Maar toen hij na een lange reis in België aankwam, nam hij de trein naar Amsterdam en besloot hij te blijven. Makkelijk ging dat niet, in het begin ervaarde hij een ware cultuurschok. ‘Voor Eritrese mensen is het over het algemeen lastig om contact te maken met onbekenden’, vertelt Ibrahim. ‘We zijn bang om fouten te maken en nemen vreemden moeilijk in vertrouwen. Thuis weten we soms zelfs niet eens of we onze eigen familie kunnen vertrouwen, dat speelt mee.’

Mek Ykeallo

Brugfunctionaris tussen twee werelden

Mek Ykeallo trok zich het lot van de nieuwe statushouders aan. Zelf woont hij sinds 1994 in Nederland, nadat hij vluchtte uit Ethiopië. Hierdoor weet hij als geen ander hoe het is om hier opnieuw te beginnen. Hij spreekt Tigrinya, de officiële taal van Eritrea, en kent zowel de Eritrese als de Nederlandse cultuur goed. Hij heeft Stichting Ykeallo opgezet, waarbij hij fungeert als ‘brugfunctionaris tussen twee werelden’. Dat begon ooit met een nieuwe jongen in zijn buurt. ‘Ik speelde vaak een potje voetbal met mijn vrienden en op een gegeven moment stond er een jongen aan de zijlijn te kijken. Ik zag direct dat hij Eritrees was en heb hem gevraagd met ons mee te doen. Hij was een erg goede voetballer en na afloop zijn we in gesprek geraakt. Toen ik hem vroeg hoe hij zijn verblijf in Nederland tot nu toe had ervaren zei hij: ‘Ik heb alles, maar ik kan niks’. Hij vertelde dat hij de spullen in huis had om zijn huis in te richten, maar dat hij niet wist hoe het allemaal in elkaar gezet moest worden.’

Mek en zijn vriendin hebben hem daarbij geholpen en zo is het contact gegroeid. ‘We hebben hem op het hart gedrukt dat hij altijd welkom was bij ons, waarna hij regelmatig op bezoek kwam. Na een tijdje bracht hij ook vrienden mee die hulp konden gebruiken. Bijvoorbeeld met het vertalen van brieven of het plegen van telefoontjes. Twee jaar lang heb ik een groep Eritrese jongens op deze manier geholpen. Toen werd het op de een of andere manier opgepikt door de media en benaderde de gemeente Amsterdam mij met de vraag of we samen konden werken. Zo is Stichting Ykeallo ontstaan.’

‘Ons is nooit geleerd eigen keuzes te maken of jezelf te uiten. Dat botst soms’

Het individu centraal

Door de taalbarrière en de complexe cultuur was het in het begin erg lastig voor gemeentes en maatschappelijke instanties om Eritrese statushouders te bereiken. ‘Wat het moeilijkste is geweest – en nog steeds is –, is dat Eritrea zo’n geïsoleerd land is. Het is eigenlijk door de regering gekidnapt,’ vertelt Mek. ‘Het volk krijgt geen informatie van buitenaf en leert dat de president van Eritrea de beste leider ter wereld is. De jongeren zijn een product van die regering. En dan komen zij opeens in een vrij land, waar heel veel kan, heel veel mag en waar vrijheid van meningsuiting een geboorterecht is. Ze kunnen werken, studeren – er zijn grenzeloze mogelijkheden. Aan mensen uit Eritrea is nooit geleerd eigen keuzes te maken of jezelf te uiten. Dat botst soms. Daarbij hebben wij ons in Europa ook niet goed kunnen voorbereiden op hoe wij het moesten aanpakken. Er is een beleid gebruikt dat in het verleden leek te werken, maar dat niet per se goed past bij deze groep.’

Milka Yemane

Volgens Mek zou het beter zijn om tijdens het integratieproces meer aandacht te besteden aan het individu. Die opvatting deelt Milka Yemane. Milka vluchtte begin jaren negentig met haar moeder en broertje uit Eritrea. Nu helpt ze Eritrese nieuwkomers met hun integratie. Daarnaast traint ze professionals die zich met Eritrese statushouders bezighouden. Dit doet ze door middel van haar stichting Lemat, dat ‘opbloeien’ betekent in het Tigrinya. ‘Nederland is heel gedigitaliseerd en gaat uit van zelfredzaamheid,’ vertelt ze. ‘De nieuwkomers waren in Eritrea ook zelfredzaam, maar op een andere manier. Hier wordt snel veel van mensen verwacht, terwijl zij meestal geen ervaring hebben met de vaardigheden die ze daarvoor moeten hebben. Het is dus goed om eerst te investeren in dat soort skills, zodat ze hier ook zelfredzaam kunnen zijn. Als voorbeeld geef ik altijd: hier ken ik de cultuur. Maar zet je me in Eritrea neer in een ruraal gebied, waar veel Eritreeërs vandaan komen, dan ben ik daar niet zelfredzaam en hoop ik dat mensen mij gaan leren hoe ik dat kan worden. Als ik niet weet hoe ik mijn eigen eten moet verbouwen maar mensen vinden dat ik dat zelf moet uitzoeken, dan is dat eigenlijk een valse start.’

Daar heeft ook Ibrahim ervaring mee: ‘Mensen die gestudeerd hebben vinden uiteindelijk hun weg wel. Vaak kunnen zij zich makkelijker verstaanbaar maken. Bovendien zijn ze al bekend met studeren, wat erg helpt bij taallessen en de voorbereiding op het inburgeringsexamen. Als je al weet hoe je het leren voor een examen aan moet pakken en hoe toetsen in elkaar steken, heb je natuurlijk een grote voorsprong. Het grootste deel van de Eritrese nieuwkomers heeft in het thuisland echter nooit kunnen studeren en ik ken veel mensen voor wie dat hier echt heel moeilijk was.’

Een hele ontwikkeling

Ibrahim heeft wel het idee dat het ondertussen wat beter gaat. ‘Veel statushouders wonen hier nu zo’n vier jaar. Zij spreken inmiddels redelijk tot goed Nederlands en gaan naar school of zijn aan het werk. Daarnaast zijn er veel stichtingen en organisaties ontstaan die kunnen helpen.’ Ook Mek ziet dat er een ontwikkeling is geweest in de afgelopen vier jaar. ‘Het probleem is geschetst, er is onderzoek gedaan en de deskundigheid bij instanties is gegroeid. De Nederlanders zijn volgens mij meer gewend geraakt en weten beter hoe ze om kunnen gaan met statushouders. Ik merkte in het begin, als we aan het voetballen waren, dat de buurt dat best raar vond en aan mij vroeg waar al die jongens toch vandaan kwamen. Nu praten zij met de jongeren en zijn sommigen zelfs ‘buddies’ geworden. Dan helpen ze bijvoorbeeld met het leren van de taal of komen ze gewoon bij het voetbal kijken. De buurt is niet meer vreemd voor de jongens en de jongens zijn niet meer vreemd voor de buurt.’

‘Maatwerk is de enige oplossing om langdurige integratie te bewerkstelligen’

Meks en Ibrahims belangrijkste advies om de integratie makkelijker te maken: neem de tijd om iemand te leren kennen. ‘Spreek eerst een paar keer met iemand af, bouw het vertrouwen op. Daar krijg je uiteindelijk zoveel voor terug’, zegt Ibrahim. Mek geeft aan dat hij dit voor elke statushouder zou aanraden, maar dat het in het geval van Eritreeërs extra belangrijk is. ‘Investeer in een goede relatie!’ Daarnaast denkt hij dat er nog een andere sleutel tot succes is: maatwerk. ‘Integratie is een proces. Een proces dat niet kan worden voltooid in een, twee, drie, of vier jaar, maar waar je de rest van je leven in groeit. Deskundigen, instanties, beleidsmakers, professionals en de bevolking moeten zich realiseren dat elke mens zijn eigen ontwikkeling doorloopt. Maatwerk is de enige oplossing om langdurige integratie te bewerkstelligen. Wij moeten dus niet in stereotypes gaan denken, maar stap voor stap maatwerk bieden om in de toekomst een positief resultaat te behalen.’

Milka ziet ook een positieve ontwikkeling. ‘Steeds meer gemeenten schakelen tegenwoordig hulp in van stichtingen en organisaties als Lemat en Ykeallo, die hen kunnen helpen. Maar dit mag van mij nog radicaler, op landelijk niveau, omdat je soms op lokaal niveau heel mooie dingen ziet gebeuren. Het zou mooi zijn als dat nationaal zou worden doorgevoerd.’

Nieuw integratiebeleid

Het inschakelen van zulke instanties lijkt langzaam maar zeker onderdeel te worden van het Nederlandse inburgeringsbeleid. Bovendien wordt in 2020 het inburgeringsbeleid op grote schaal aangepast; voortaan zullen gemeenten dan een persoonlijk ‘Plan Inburgering en Participatie’ maken voor de nieuwkomers. ‘Er is aangegeven dat er verschillende inburgeringsroutes zullen komen, waarbij er ook meer praktijkgerichte mogelijkheden zijn. Maar hoe dit precies geïmplementeerd wordt, dat vind ik nog wel spannend’, zegt Milka. ‘Verder hoop ik dat er met terugwerkende kracht zal worden gekeken naar hoe de groep, die nu zijn inburgeringstraject afrondt, ook daarna nog hulp kan krijgen.’

Eritreeërs moeten veel leren over de Nederlandse cultuur, maar er zijn ook dingen die Nederlanders van hen zouden kunnen leren, vertelt Milka: ‘Wij zijn zo druk bezig met werk en carrière maken, noem het maar op, waardoor we soms weinig tijd hebben voor de dingen in het leven die écht belangrijk zijn. De nieuwkomers herinneren mij eraan dat familiebanden, vriendschappen en je gezondheid veel belangrijkere zaken zijn. Daar maken ze veel tijd voor vrij. In Nederland is de klok de baas over ons, terwijl zij de baas over de klok zijn.’

- Advertentie -

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here