Fascisme in Europa: feit of fictie?

Foto: Reuters
‘Honderd jaar geleden konden we consequenties van fascisme niet overzien, nu kunnen we dat wel.’

Is het fascisme teruggekeerd in Europa? Is het Hongarije van Viktor Orban een fascistische staat? Zijn Thierry Baudet en Geert Wilders fascisten? Het Amsterdamse debatcentrum De Rode Hoed organiseerde hierover op maandag 14 januari een debat. GroenLinks-Europarlementariër Judith Sargentini en NRC-journalist Hubert Smeets kruisten de degens met Rob Riemen, directeur van het Nexus Instituut en auteur van het roemruchte pamflet De eeuwige terugkeer van het fascisme (2010). De Kanttekening was erbij en doet verslag.

Een lege ideologie

Acht jaar geleden schreef Rob Riemen een geruchtmakend boek waarin hij betoogde dat het fascisme terug is van nooit echt weggeweest. Er was toentertijd veel kritiek op Riemens verhaal. Zo zou hij populistische partijen te makkelijk als fascistisch bestempelen, waarmee hij volgens critici het debat doodsloeg. Riemen is echter aan zijn standpunt blijven vasthouden en gelooft hier nu des te vuriger in. In zijn speciaal voor deze debatavond geschreven toespraak, die een geactualiseerde versie is van zijn pamflet van toentertijd, legt Riemen aan de hand van talloze historische en literaire voorbeelden uit waarom het zijns inziens vijf voor twaalf is. ‘Honderd jaar geleden, in maart 1919, richtten Mussolini en de zijnen in Italië de fascistische partij op. Op dat moment wisten ze nog niet wat ze allemaal teweeg zouden brengen. Dat veel mensen, waaronder ook kunstenaars en intellectuelen, door het fascisme verleid zouden worden. (…) Honderd jaar geleden konden we consequenties van fascisme niet overzien. Nu kunnen we dat wel. We moeten wat doen, want de politieke vrijheden, die ons in staat stellen om wat te doen, functioneren nog wel.’

Rob Riemen bekijkt het fenomeen fascisme vanuit het perspectief van een cultuurcriticus en laat zich inspireren door de Nederlandse intellectueel Menno ter Braak (1902-1940), die in 1937 het essay Het nationaal-socialisme als rancuneleer schreef. Fascisme wil volgens Riemen de existentiële vragen van het menselijk bestaan beantwoorden,  maar doet dit door een beroep te doen op de laagste instincten van de mens: wellust, agressie en haat. Echt fascisme is in Riemens ogen dan ook een lege ideologie, puur nihilistisch, puur gericht op het bevredigen van de vulgaire behoeftes van de mens. Doel van het fascisme is volgens Riemen om mensen verslaafd te maken, iets wat Aldous Huxley in zijn roman A brave new world heel goed zag.

Echte democratie daarentegen richt zich, aldus Riemen, op het hogere, het schone en het goede. ‘Democratie is in essentie een elitaire beweging, in de beste zin van het woord, die zich ten doel stelt om de mens te verheffen.’ Als cultuurcriticus die staat in de traditie van Menno ter Braak en José Ortega y Gasset (Spaanse filosoof, 1883-1955), vindt Riemen dat we wat vaker een boek moeten pakken in plaats van de krant. Van massademocratie, die luistert naar de nukken en grillen van het volk, moet hij niets hebben. Die vorm van democratie is volgens hem niet echt en leidt juist tot fascisme.

Een nieuwe religie

Riemen vat het fascisme dus heel breed op. Vandaar dat Viktor Orban, Thierry Baudet, Geert Wilders, Donald Trump en andere populistische politici in Riemens optiek ook fascisten zijn. Het element van geweld, volgens veel politicologen een cruciaal onderdeel van fascisme – waarmee fascisme zich principieel onderscheidt van populisme – wordt door hem van ondergeschikt belang geacht. Geweld is volgens Riemen niet slechts het grijpen naar wapens en het voeren van straatgevechten met politieke tegenstanders – wat Mussolini’s Zwarthemden en Hitlers Bruinhemden deden – maar ook agressieve retoriek. De scheidslijn tussen retoriek en geweld moeten we niet te scherp trekken, vindt Riemen. Hij wijst op de moord op de burgemeester van de Poolse stad Gdansk, die op 14 januari van dit jaar werd neergestoken. ‘Als het bloed eenmaal is gevloeid, zal het niet stoppen.’

Bovendien heeft fascisme in de opinie van Riemen alles met domheid te maken. Hij bedoelt hier niet mee dat laagopgeleide mensen allemaal fascisten zijn, want domheid is volgens hem een morele keuze, een wijsheid die Riemen bij de Duitse theoloog en antifascistische verzetsstrijder Dittrich Bonhoeffer (1906-1945) vandaan heeft. De achterban van Thierry Baudet bestaat voor een groot deel uit hoogopgeleide, jonge mensen. Mussolini werd gesteund door veel kunstenaars en intellectuelen. ‘In de jaren twintig moesten Italiaanse intellectuelen een loyaliteitsverklaring aan Mussolini afleggen. Slechts tien mensen weigerden om dit te doen.’ En de nazi’s kregen de steun van de beroemde filosoof Martin Heidegger. Riemer: ‘Juist intelligente, hoogopgeleide mensen kunnen zich laten regeren door domheid. Omdat ze verblind zijn.’

Riemen stelt ten slotte dat onze samenleving in essentie niet anders is dan vroeger. De menselijke natuur is hetzelfde gebleven. Omdat religie een veel minder prominente plek heeft in onze samenleving, is er volgens hem een leegte ontstaan, die het fascisme als nieuwe religie probeert op te vullen. Vanwege de groeiende economische onzekerheid, die veel mensen in hun bestaanszekerheid treft, rukt het fascisme op. Riemen noemt naast Hongarije ook Brazilië, Polen, Rusland, Turkije, Venezuela (dit land heeft een linkse regering, red.) en de Verenigde Staten als voorbeelden. Riemen vindt dat we het beestje bij de naam moeten noemen. ‘Populisme, rechts populisme, autoritair populisme en alt-right, dit zijn nieuwe termen die bedacht zijn om het maar niet over fascisme te hebben.’ Dat moeten ook de lezers van kwaliteitskranten, het publiek dat bijeenkomsten van De Rode Hoed bezoekt, inzien volgens Riemen. Onze samenleving is ziek, concludeert hij. ‘Als we onze samenleving beter willen maken, moeten we de juiste diagnose stellen.’

Medische metaforen en sterke mannen

Hubert Smeets en Judith Sargentini onderschrijven Riemens cultuurkritische diagnose van de samenleving niet. Smeets heeft vooral grote moeite met de medische metaforen die Riemen hanteert. ‘Als je deze beeldspraak gebruikt, dan doe je precies hetzelfde als je tegenstanders. Fascisten diagnosticeerden de samenleving ook als ziek en wilden de kanker uit de samenleving wegsnijden – de mensen die ongewenst waren.’ Volgens Smeets moet je het fenomeen fascisme met een politieke bril analyseren, niet met een culturele bril. ‘Dat het fascisme in de jaren dertig zo succesvol was, kwam niet omdat de samenleving ziek was, maar omdat de democratische krachten hadden gefaald.’

Sargentini kiest als politica voor een praktische benadering. ‘Als je in gesprek wilt blijven met iedereen, moet je niet allemaal etiketten gaan opplakken. Als je populisten fascisten noemt, dan luistert niemand meer naar je. Partijen als VVD en CDA willen dan niet meer met mij praten. Ik spreek daarom liever over totalitaire tendensen en regimes die steeds autoritairder worden. Dat is al erg genoeg en dat moeten VVD en CDA ook meer inzien.’ Sargentini is voorts nieuwsgierig hoe het komt dat Orban, Poetin, Bolsonaro enzovoort zoveel bijval krijgen. ‘Waarom heeft een ‘sterke man’ zo succes? En waarom zet een ‘sterke man’ telkens een nieuwe stap om de democratie verder in te perken?’

De GroenLinks-Europarlementariër vindt dat we moeten kijken naar de wensen en behoeftes van mensen die ervoor kiezen om op partijen als Fidesz (de partij van Orban) te stemmen. Ze wil deze groepen kiezers niet afserveren. ‘Dat veel mensen in Hongarije boos zijn, dat snap ik. Dat is ook terecht. Ik snap ook wel dat ze op Fidesz hebben gestemd, die deze mensen allemaal mooie dingen heeft beloofd. Dankzij Fidesz is de kinderbijslag omhoog gegaan. Voor de armere groepen heeft Fidesz wat dat betreft echt het verschil gemaakt.’ Sargentini is uiteraard wel uiterst kritisch op Fidesz en Orban: ‘Als ik naar Hongarije kijk, dan zie ik dat in acht jaar tijd de democratie en de rechtsstaat zijn geërodeerd. Hoe verder weg mensen wonen van de hoofdstad, hoe minder informatie ze krijgen. Buiten Boedapest hoort niemand van de demonstraties tegen het regime, omdat de meeste media in handen van de regering zijn.’ Het ergste vindt Sargentini echter dat Europa veel te laat heeft ingegrepen. ‘Dit is al acht jaar aan de gang. Orban heeft zeven jaar ongestoord zijn gang kunnen gaan en pas nu doen we wat. Lange tijd dachten veel politici dat Orban vast wel tot de orde zou worden geroepen door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Die houding was veel te passief.’

Smeets hoopt, geïnspireerd door Rob Riemen en Menno ter Braak, dat er een brede coalitie tegen extremisme komt. Hij doet hierbij een beroep op het ‘Comité Waakzaamheid’ en ‘Eenheid door Democratie’, twee democratische, anti-totalitaire bewegingen uit de jaren dertig van de vorige eeuw. De meeste Nederlanders steunen nog steeds gematigde partijen, volgens Smeets is dat hoopgevend. ‘De partijen op de vleugels wekken de indruk dat zij de stem des volks vertegenwoordigen, maar dat is niet zo. Ze krijgen alleen meer aandacht. Het Nederlandse volk heeft niet met één stem gesproken tijdens het Oekraïne-referendum van 2016. Op dit moment hebben de populisten nog geen vijfentwintig procent van de parlementszetels in handen. Vijfenzeventig procent van Nederland stemde niet-populistisch. Die kiezers krijgen in de media helaas niet de aandacht die ze verdienen. De grote partijen in ons land zijn zoekend. Tot 2002 hadden CDA, VVD en PvdA hun electoraat redelijk onder controle, toen kwamen Pim Fortuyn, Geert Wilders en Thierry Baudet. Dat de grote partijen kritisch bij zichzelf te rade gaan en willen weten wat de mensen beweegt die op de populisten stemmen, is terecht. Maar dat betekent niet dat je de populisten moet napraten.’

DELEN
Ewout Klei
Journalist gespecialiseerd in politiek en geschiedenis.