Heeft antiracisme zijn beste tijd gehad?

Lees meer

In de jaren negentig gingen nog tienduizenden mensen de straat op tegen racisme, maar tegenwoordig is dat ondenkbaar. Wat is er veranderd in Nederland? ‘Echt heel Nederland was aan het demonstreren, van links tot rechts, kerk tot maatschappelijke organisatie, migranten en vluchtelingen.’

‘Ik loop mee, want als straks de fascisten aan de macht komen, is het te laat.’ Het is 1992 en het journaal interviewt deelnemers aan een antiracistische demonstratie – de grootste die Nederland ooit heeft gezien. ‘Maar deze keer zal dat niet gebeuren’, zegt de jonge deelnemer. ‘Deze keer zijn wij eerder op straat dan de fascisten.’ Toenmalig burgemeester van Amsterdam Ed van Thijn verzucht triomfantelijk: de opkomst is ‘veel meer is dan ik ooit had durven dromen’. Maar liefst vijfhonderd organisaties hebben zich onder de naam ‘Nederland Bekent Kleur’ aangesloten bij de optocht van zo’n tachtigduizend man, vermeldt de voice-over, ‘toen de kop van de staart op het Museumplein was, stond de staart nog op de Dam’. ‘Mij zegt dit heel veel’, vertelt een zwarte man aan de cameraploeg, terwijl hij met een lach om de lippen om zich heen kijkt. ‘Het blijkt dat de Nederlandse bevolking toch om hun minderheden geeft.’

Zevenentwintig jaar later, anno 2019, ziet Nederland er heel anders uit. Zo’n massa die de demonstratie tegen racisme op de been bracht, is sindsdien nooit meer gezien. Ook al bleef het racisme in Nederland gewoon toenemen – jaar na jaar, tot grote winsten in het parlement aan toe. Tegelijk lijkt de antiracismebeweging aan invloed gewonnen te hebben in de samenleving. Er lopen geen massale demonstraties, maar toch wordt Zwarte Piet teruggedrongen en is een diversiteitsbeleid vanzelfsprekend aan het worden. Hoe is de antiracismebeweging in Nederland veranderd de afgelopen jaren – en misschien nog belangrijker: is het gebrek aan demonstraties een teken dat antiracisme haar beste tijd heeft gehad? De Kanttekening sprak met betrokkenen en experts voor een antwoord.

Krakers met tomaten
‘Linkse organisaties zitten zeker in het defensief’, geeft Abdou Menebhi toe. Menebhi is voorzitter van het Marokkaans-Nederlandse informatiecentrum EMCEMO en één van de oprichters van Nederland Bekent Kleur. ‘‘92 was echt een uniek geval. Een aantal antisemitische incidenten en de Centrum Partij (kleine racistische partij uit de jaren tachtig en negentig, red.) in de Kamer baarden ons al zorgen. Toen werd er in Antwerpen een synagoge aangevallen. Dat heeft mensen wakker geschud – ook de grote organisaties. Allerlei clubjes zijn bij elkaar gekomen onder de naam Nederland Bekent Kleur om het protest te organiseren. De FNV steunde het ook en faciliteerde veel: door hen kregen mensen treinkaartjes en vrij van werk. Ook politici waren er, waaronder premier Ruud Lubbers.’ Menebhi grinnikt bij de herinnering: ‘Krakers hebben hem toen nog bekogeld met tomaten. Echt heel Nederland was aan het demonstreren. Van links tot rechts, kerk tot maatschappelijke organisatie, migranten en vluchtelingen. Iedereen.’

‘Vroeger was racisme taboe – na de aanval op de synagoge schrok men oprecht. Hoe kan zoiets nog gebeuren, vroegen ze zich af. Maar daarna is racisme normaal geworden.’ Als voorbeeld noemt Menebhi een actie uit 1986 tegen de verkiezing van de Centrum Partij in de gemeenteraad van Amsterdam. ‘Duizenden mensen hebben het stadhuis geblokkeerd, met de leus ‘geen racisten in de raad’.’ In 2018 werd weer zo een demonstratie georganiseerd tegen de komst van Forum voor Democratie in de gemeenteraad, maar lieten alle partijen het afweten (behalve Bij1, red.). ‘We hebben zelfs een compromis aangeboden door het racisme te noemen in plaats van racisten, maar het hielp niet’, verzucht Menebhi. ‘In de jaren tachtig werd een compleet cordon sanitaire georganiseerd tegen de Centrum Partij, maar nu wordt over racisme gezegd: ‘Dat is democratie’.’

Ik, racistisch?!
Volgens Menebhi is er twijfel gezaaid over moslims en vragen politici zich nog af of ze het voor hen op moeten nemen. ‘Het individualisme is groot geworden.’ Ook heeft de anti-Zwarte Pieten-beweging veel mensen opgeschrikt. ‘Wat is dit nu, dat is toch onze cultuur?’ vragen veel mensen zich af. Nu racisme duidelijker is geworden, is de steun aan antiracismebewegingen afgenomen. Duidelijker maakt moeilijker, want iedereen heeft een beetje racisme in zich’, zegt Menebhi met een lachje.

Het gebrek aan zelfreflectie wordt ook opgemerkt door antiracist van de nieuwe slag, Leroy Lucas. ‘Racisten, dat waren de ‘anderen’ – de skinheads in nazi-pak. Dan is het makkelijker. Maar zodra het jouw buurman of jouw oom wordt, is het heel anders – het is niet makkelijk om hen met hun racisme te confronteren.’ Met overslaande stem demonstreert hij de reactie: ‘Ík, racist?! Nee joh, ben je gek! Ik geef geld aan Afrika!’

Lucas protesteert al sinds 2012. ‘In ben gewoon aangesloten bij de anti-Zwarte Piet-demonstratie in Utrecht, georganiseerd door Utrecht in Actie. Vanaf toen ben ik steeds actiever geworden. We ervaren allemaal racisme: mijn moeder heeft het ervaren, ik ben het aan het ervaren – ik wil niet dat onze kinderen ons later vragen: waarom hebben jullie niets gedaan? We zitten nog steeds in dezelfde shit!’

‘Quinsy en Jerry waren de katalysator voor mij.’ Lucas heeft het over het prille begin van de anti-Zwarte Pieten-beweging, toen bij de Sinterklaasintocht in 2011 Jerry Afriyie en Quinsy Gario een T-shirt droegen met ‘Zwarte Piet is racisme’ – en vervolgens hardhandig werden gearresteerd. ‘Ik had altijd al het gevoel: dit zaakje stinkt. Toen zag ik hen: zij hadden gewoon een T-shirt aan en dat was al te veel? Toen wist ik: we need to do something.’

Foto: Zwartepietisracisme – Quinsy Gario en Jerry Afriyie

Op zoek naar identiteit
‘Ik zeg niet dat de mobilisatie zoals in 1992 niet meer kan gebeuren, maar voor witte Nederlanders is het wellicht minder vanzelfsprekend om mee te lopen,’ zegt socioloog en professor Jan-Willem Duyvendak. ‘Het is nu vooral een zwarte groep die mobiliseert.’ Volgens Duyvendak is dit is het gevolg van enkele lange processen, zoals een starre verhouding met nationale identiteit.

‘In de jaren negentig lukt het nog enigszins om op te roepen tot kritische reflectie over de omgang met etniciteit. Daarmee stond men ook enigszins open voor het idee dat de Nederlandse samenleving in het verleden ook racistisch is geweest. Er was een zekere openheid naar het verleden. Dat verandert met de opkomst van Pim Fortuyn, het populisme en het nationalisme. Het zelfbeeld van Nederland wordt dat wij altijd aan de goede kant hebben gestaan – niet alleen in het heden zijn we fantastisch, we zijn altíjd al goed geweest. Het koloniale verleden van Nederland mag niet ter discussie staan, dan doe je afbreuk aan dat idee. Dit zie je op meer plekken: wanneer landen nationalistischer worden, krijgen ze een ingewikkeldere verhouding met hun verleden.

Zeker was er in Nederland in de zeventiende eeuw iets bijzonders aan de hand met religieuze vrijheid’, verduidelijkt Duyvendak, ‘maar het idee dat we sinds de zeventiende eeuw tot vandaag volstrekt tolerant zijn geweest, is een mythe. Dat is gewoon empirisch helemaal niet waar, maar het past wel heel erg in het idee dat we alleen maar goed kunnen zijn.’ En wie alleen maar goed is, hoeft niets tegen het eigen racisme te doen – laat staan demonstreren.

De VOC-mentaliteit
De opkomst van het nationalisme heeft meerdere effecten gehad, legt Duyvendak uit: ‘In eerste instantie ageerden de nationalisten vooral tegen de islam. Maar in de discussie van de afgelopen twintig jaar ging het steeds meer over: wat is nou de Nederlandse identiteit? Het heersende idee werd: ‘We hebben veel te weinig nagedacht over wat de Nederlandse identiteit is, maar als iets de Nederlandse identiteit is, is het wel dat we helemaal niet racistisch zijn.’ Dat idee zit er vanaf die periode heel diep in.

Die identiteit wordt vooral historisch verankerd in de zeventiende eeuw en de VOC-mentaliteit. Je ziet al die discussies ontstaan over de oprichting van een Nationaal Historisch Museum, van een historische canon, noem maar op. Dat gaat steeds meer over native Nederlanders. Daar vallen moslims buiten, maar daar worden ook zwarte Nederlanders buitengesloten. Er zit natuurlijk wel een denkfout in’, stelt Duyvendak, ‘het lijkt me dat heel veel mensen die in Suriname woonden en daar als slaven heen gebracht waren, ook deel zijn van de Nederlandse geschiedenis.’

‘Het is niet zo expliciet dat wordt gezegd: Nederland is alleen wit. Maar bij zwarte Nederlanders wordt wel geïmpliceerd dat ze niet in dezelfde mate Nederlander zijn. Op het moment dat zwarte Nederlanders dan ruimte claimen en zeggen: ‘Luister eens, wij vinden die Zwarte Pieten-traditie discriminerend’, dan zie je witte Nederlanders zeggen: maar hoe kun je dat nou zeggen? Wij zijn per definitie niet racistisch. Dus als zwarte Nederlanders zeggen dat witte Nederlanders racistisch zijn, betekent dat dat zwarte Nederlanders niet Nederlands zijn. Daarmee plaatsen zwarte Nederlanders zichzelf erbuiten. Dat klinkt ingewikkeld, maar dat is het eigenlijk niet.‘

Zwarte middenklasse
‘De afgelopen tien jaar zie je dat degene die als Nederlander wordt gezien steeds witter is geworden – heel veel Surinamers zagen zich als autochtone Nederlanders, maar door het Zwarte Pieten-debat hebben ze moeten leren dat ze toch minder als echte Nederlander worden gezien. En ondanks het debat over Zwarte Piet denkt een groep in Nederland nog steeds dat we echt niet racistisch zijn. Als het gemeentebestuur van Amsterdam dat verhaal van Nederlandse tolerantie mobiliseert, doet hij dat met de beste bedoelingen, om te zeggen dat we nu ook tolerant moeten zijn tegenover migranten. Maar het probleem is dat je met de mobilisatie van dat verhaal op den duur het tegenovergestelde bereikt, namelijk:  we zijn altijd goed geweest. Het kan nu misschien helpen om vluchtelingen welkom te heten, maar ik denk dat het uiteindelijk uitsluitend werkt.’

Er zijn ook nog andere factoren aan het werk, stelt Duyvendak. ‘Hedendaags antiracisme wordt gedragen door een nieuwe zwarte middenklasse die allerlei dingen niet meer accepteert. Dat is behoorlijk nieuw volgens mij – de demonstratie uit 1992 was, neem ik aan, behoorlijk wit.’

Lucas knikt vol herkenning. ‘We hebben nu een generatie die hier geboren is – die zien dat ze niet gelijk zijn aan hun witte tegenhangers en dat steekt. De mensen vóór mij zagen het racisme, maar waren meer bezig met het bouwen en opzetten van de basis – ze konden niet zoveel. Mijn moeder was hard aan het werk, ze had geen tijd voor demonstraties. Brood moest op de plank, want Leroy moest naar school. Maar nu is Leroy er en heb ik wat meer ruimte om me te bewegen – en velen met mij. En wij constateren: niet alles in deze ruimte is even gelijk. Ik heb ook de tijd, de energie en de wil om daar iets tegen te doen.’

Foto: Youtube – Ed van Thijn

Transformerende analyses
‘Het verhaal van antiracisme in Nederland is geen teloorgang, maar een transformatie’, stelt Duyvendak. ‘Antiracisme is een verschuivend doelwit. In 1992 was het echt wat anders. Toen dachten mensen nog dat heel veel dingen samenvielen. Onder de banier van antiracisme viel meer dan verschil op basis van huidskleur. Het ging toen ook bijvoorbeeld over discriminatie van gastarbeiders en migranten.’

Soms komt alles nog samen zoals vroeger, zegt Duyvendak: ‘Ik denk dat er tegenwoordig pogingen zijn om de discussies te verbinden. Zeker Bij1 probeert verschillende clubs te verenigen, om het ook te hebben over discriminatie op basis van huidskleur, religie en geaardheid – ze hebben de mond vol over ‘intersectionaliteit’ (het idee dat verschillende categorieën van onderdrukking kunnen overlappen, red.). Maar ik denk daarentegen zeker dat de discussies rondom om huidskleur op zichzelf zijn gaan staan. De mobilisatie van zwart Nederland is succesvoller. Voor zover er rondom islamofobie wordt gemobiliseerd, is het defensief.’

‘Ik wil niet zeggen dat de discussies nooit meer samen kunnen komen, maar hoeveel moslims er tegen Zwarte Piet gedemonstreerd hebben, kun je je afvragen.’

Racisme en islamofobie hebben ook een verschillende aard. Er zit iets in islamofobie dat extreem massief is: volgens de islamofoben past de gehele cultuur niet bij Nederland, of de godsdienst kan nooit Nederlands worden. Over zwarte Nederlanders wordt wel geïmpliceerd dat ze geen Nederlanders kunnen zijn, maar wordt er ook keihard gegeneraliseerd over hun cultuur? Dat vraag ik me af.’

Duyvendak is niet optimistisch over het lot van de antiracistische organisaties uit de jaren negentig. ‘Ik denk dat er iets tragisch zit in die organisaties, omdat ze proberen om migratie door de lens van klasse en in marxistische termen te zien. Maar heel veel mensen denken niet meer zo: ze worden gediscrimineerd op basis van cultuur of godsdienst, die minderwaardig wordt genoemd. Dan kun je je wel heel boos maken over klasse, maar daarmee plaatsen klassieke antiracisten zich ook enigszins buiten de discussie.’

Losstaande discussies
Lucas snapt goed hoe de discussies zijn onthecht. ‘Ik denk dat bepaalde zwarte mensen zagen en zeiden: ons probleem is toch iets dringender dan de rest. Vaak hebben zwarte mensen aan het kortste einde getrokken. Maar ook veel te lang hebben we achterover geleund, wachtend tot de machthebbers dingen zouden veranderen – maar dat gebeurt niet.’

Hij is het niet helemaal eens met Duyvendak over de ernst van racisme en islamofobie: ‘Niet veel mensen zeggen letterlijk ‘Zwarte mensen zijn dom en lui’. Ze zeggen wel ‘Curaçao is een corrupt eiland met een achterlijke regering’. Dan doe je ook de mensen daar tekort. Voor zover de ‘domme racist’ bestaat, valt hij snel door de mand. Daarom verschuilen ze zich tegenwoordig achter de Baudets. Die zeggen eigenlijk hetzelfde, maar dan met peperdure woorden. Ze zijn ook even gevaarlijk.’

Lucas maakt de vergelijking met goede doelen: ‘Natuurlijk, alle ziektes moeten worden bestreden, maar het kankerfonds zal geen geld inzamelen voor slachtoffers van MS. Op die manier sta ik voor de pan-Afrikaanse beweging. De scherpte van wat wij vinden vervaagt als we niet voor onszelf opkomen. Dat doet de zaak geen goed, denk ik.’

Dat wil niet zeggen dat de raakvlakken totaal verdwenen zijn. ‘Er bestaan ook overlappingen, zoals economische teloorgang. En als een moslimbroeder of gay-man of vrouw wordt aangevallen, zijn we solidair, laat dat duidelijk zijn.’ Deze solidaire woorden brengt Lucas ook in de praktijk: ‘Toen we zagen dat de islamofobe organisatie Pegida actiever begon te worden in Utrecht, gingen we daar ook tegen demonstreren. Wij vinden dat er in Utrecht geen ruimte moest zijn voor welke vorm van racisme of discriminatie dan ook en voelden dat Pegida iets vertegenwoordigde wat we in Utrecht echt niet konden gebruiken. Samen met andere politieke en gelovige partijen – allerlei van zulk soort ‘linkse hoek’-mensen (Lucas lacht) – ‘hebben wij daartegen Utrecht Bekent Kleur opgericht.’

Oplossing
‘Zeker is de anti-Zwarte Pieten-beweging deel van de strijd’, zegt Menebhi. Hij vermoedt dat het relatieve succes van de anti-Zwarte Pieten-beweging verklaard kan worden door de concrete insteek. ‘Zwarte Piet is een heel duidelijk geval, waar ook duidelijke taal voor te vinden is. ‘Zwarte Piet is racisme’ is een goede boodschap.’ Voor Menebhi is die duidelijke taal een puzzelstukje voor nieuw succes. ‘Je behaalt geen succes alleen omdat je gelijk hebt. Het is een combinatie van de juiste boodschap en een stuk professionalisering. Flyeren werkt niet meer, mensen lezen niet twee A4’tjes. De nieuwe manier is door sociale media – we proberen dat te professionaliseren.’ Menebhi zegt dat er al mensen mee aan de slag zijn. ‘We hebben groepen die met sociale media aan de slag gaan. Maar we zijn allemaal vrijwilligers, het gaat echt uurtje bij uurtje’.

Ook de juiste boodschap zoeken is nog moeilijk. ‘De goede boodschap van tien jaar geleden is niet de goede boodschap van nu. Je moet altijd op zoek naar een boodschap die bindender, korter en concreter is.’ Zo’n boodschap vinden is natuurlijk makkelijker gezegd dan gedaan, erkent Menebhi: ‘Je moet altijd optimistisch en principieel blijven, in elk geval. Ook moet je een duidelijk uitgangspunt hebben. Bij ons is dat mensenrechten die niet gerespecteerd worden. Vrijheid? Prima, iedereen is voor vrijheid – maar in de praktijk is dat anders. De boodschap moet makkelijk, bindend en concreet. Een symbolische actie, waarom niet? Maar ons doel is vooral de mobilisatie van mensen. Een conflict kan helpen, maar dan moet je wel nadenken: gaat het conflict mensen of alleen activisten mobiliseren? Onze boodschap is breder – we willen niet alleen vandaag actievoeren, maar we kijken ook naar de lange termijn. We willen een racismevrije samenleving.’

Social media
Over de rol van sociale media is Duyvendak sceptisch. ‘Ik denk dat de vraag is: waarom hebben de oude organisaties zichzelf niet vernieuwd? Andere bewegingen die uit die tijd stammen, zoals de milieubeweging, hebben zichzelf wel vernieuwd en geleerd met nieuwe media om te gaan. De oudere antiracistische organisaties hebben iets repeterends – ze komen nog met de leuzen van vroeger; ‘Hun strijd is onze strijd.’  Zij hebben geen analyse gemaakt waarom het minder gemakkelijk is om al die vormen van discriminatie op een hoop te gooien. Ik denk dat ze inhoudelijk de boot hebben gemist, geen nieuwe generaties hebben aangesproken en dus geen moderne technieken hebben leren gebruiken.’

Lucas meent daarentegen dat sociale media wel cruciaal zijn. ‘De veranderingen die nu wel plaatsvinden, komen door sociale media. Alles wat men aan het doen is, kan naar jouw kleine telefoontje gebracht worden. Mensen worden directer geconfronteerd met de issues die er gaande zijn en het wordt persoonlijker gemaakt. Antiracisme is niet per se succesvoller op dit moment dan vroeger. Mijn voorgangers hebben gedaan wat ze konden met wat ze hadden. Maar we zijn nu in andere tijden: er is veel meer belangstelling in de media voor zulke zaken. Die grote demonstratie heeft niet zoveel bewerkstelligd, maar twee mannen staan in een T-shirt waarin ze worden weggeslagen – zwart Nederland ziet dat en denkt: dit kan toch niet!’

Eindstation: gesprek
Uiteindelijk zijn grote demonstraties niet het doel, volgens Lucas. ‘Ik heb vooral aan manifestaties en demonstraties gedaan. Maar het meest succesvol was niet zozeer wat we deden op straat, maar wat we binnen deden – de gesprekken met het intochtcomité. Dat was ‘Utrecht In Dialoog’, waar tegenstanders en aanhangers van Zwarte Piet aan tafel gingen zitten. Eindelijk konden we praten! Dan zie je toch: goh, ik snap het. Het was een eye-opener. Ik begreep meteen waar de pijn zat voor heel veel mensen. Andersom denk ik dat ze mij ook begrepen: Zwarte Piet is geen deel meer van de officiële Sinterklaasintocht. Demonstratie is belangrijk, want dat vraagt aandacht voor zaken die eerst niet speelden. Maar nadat je aandacht hebt, is het belangrijk om te praten met partijen – daar gebeurt het.’

Maar ook Lucas ziet de grenzen van het gesprek. ‘Sommige angsten kan ik tegemoetkomen, maar met anderen kan ik gewoon niets. Mensen zijn hier ook niet opgegroeid en opgevoed met de juiste geschiedenis en informatie. Wat ze ooit hebben geleerd is vastgeroest – dat gaat niet meer veranderen. De hoop ligt bij de nieuwe generatie.’ Om anno 2019 tachtigduizend mensen op de been te brengen, moet er volgens Lucas bewustwording komen. ‘Het is een probleem van ons allemaal. Vooral zwarte Nederlanders raakt het fysiek, maar witte Nederlanders raakt het in hun humaniteit. Maar ik hoop dat we niet meer tot zo’n demonstratie hoeven te komen. Want we moeten niet slechts vragen, maar beleid creëren.’

- Advertentie -

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here