Historicus Piet Emmer hekelt ‘activistische toon’ in slavernijdebat

Foto: Erwin de Vries. Het Nationaal Monument Slavernijverleden in Amsterdam.
Wat heeft de slavernij Nederland gebracht en wat is de erfenis? Die vragen zijn vandaag de dag prangender dan ooit. Historicus Piet Emmer gooit een steen in die vijver.

Historicus Piet Emmer, emeritus hoogleraar Europese Expansie en Migratie (Universiteit Leiden), publiceerde onlangs het boek Het zwart-wit-denken voorbij: een bijdrage aan de discussie over kolonialisme, slavernij en migratie. Zijn boek bevat stevige kritiek op hoe er in de media gesproken wordt over het Nederlandse slavernijverleden. De Kanttekening sprak Emmer en twee andere slavernijspecialisten van de Universiteit Leiden, emeritus hoogleraar Zeegeschiedenis Henk den Heijer en historicus en docent gespecialiseerd in de Nederlandse koloniale geschiedenis Karwan Fatah-Black.

Tussen 1600 en 1850 werden zo’n twaalf miljoen zwarte slaven van Afrika naar Amerika verscheept, circa zeshonderdduizend slaven, zo’n vijf procent van het totaal, door de Nederlanders. Het is een zwarte bladzijde uit de Nederlandse geschiedenis, maar Emmer wil het zwart-wit-denken voorbij. ‘Ik verbaas mij over de morele verontwaardiging over het feit dat men vroeger andere normen en waarden had. Het slavernijdebat wordt gevoerd in de kranten op basis van emoties. De feiten doen er niet toe. Uit mijn onderzoek blijkt dat slechts 0,005 procent van ons nationaal inkomen toentertijd aan de slavenhandel was te danken. Activisten maken slavernij veel groter.’ Dat de historicus naar aanleiding van zijn gepeperde uitspraken in de Volkskrant op Twitter zwaar onder vuur werd genomen doet Emmer niets. ‘Ach, Twitter. Ik reageer alleen op artikelen in wetenschappelijke tijdschriften.’

Contra-productief
Wat zeggen vakgenoten? Den Heijer is kritisch positief. ‘Los van de enigszins polemische toon die Emmer bezigt in zijn stukken, vind ik dat hij een punt heeft met zijn mening dat veel activisten het slavernijverleden langs de hedendaagse morele meetlat leggen. Ik vind ook dat een historicus zijn onderzoek als het gaat om morele oordelen in de context van de tijd moet plaatsen, hoe verwerpelijk wij slavernij vandaag de dag ook vinden. En ja, er waren ook in de vroegmoderne tijd tegenstanders van slavernij, maar de meerderheid had daar geen probleem mee, net zoals ze geen probleem had met lijfstraffen en openbare terechtstellingen, zaken waarvan wij nu gruwen.’ De felle kritiek op Emmer op sociale media vindt Den Heijer contra-productief. ‘Ik volg de discussie ook een beetje op Twitter waarin voor- en tegenstanders van Emmer in one-liners en niet gehinderd door enige kennis van onderzoek en literatuur elkaar proberen te overtuigen. Een trieste vertoning waarvan ik vrees dat die eerder tot meer dan minder racisme zal leiden.’

Waarheidsvinding
Toch zijn er ook historici met kritiek, zoals Fatah-Black. ‘Zo objectief is Emmer niet, hij heeft een rechts-conservatieve agenda. Wat hij als feiten presenteert zijn vaak vergezochte conclusies op basis van selectieve lezing van de literatuur.’

Het meningsverschil tussen Emmer en Fatah-Black dateert uit 2012. Het begon met een wetenschappelijk artikel van Fatah-Black, dat hij schreef samen met collega-historicus Matthias van Rossum. ‘In ons stuk hebben we een reconstructie gemaakt van de brutomarge van de slavenhandel. Voor welk bedrag zijn slaven gekocht in Afrika en voor welk bedrag werden ze verkocht in Amerika? Het verschil daartussen is de brutomarge, die volgens ons goeddeels in Nederland terechtkwam. Emmer had veel kritiek op onze onderzoeksmethode en noemde ons kwakzalvers, maar zijn cijfers kloppen gewoon niet. Hij is geen historicus van de cijfers. Hij baseert zich vooral op het werk van Angelsaksische historici, nauwelijks op eigen bronnenonderzoek.’

Volgens Fatah-Black gebruikt Emmer bovendien maar een klein deel van de cijfers. ‘Als hij het economische belang van de slavernij voor de Nederlandse economie wil uitrekenen neemt hij daarvoor het jaar 1800. Dat is vreemd, want toen werden er eigenlijk geen slaven meer verhandeld. Recent maakte hij een herberekening van de brutomarge, maar deed dat op basis van zes schepen die voeren voor een compagnie die het op dat moment slecht deed.’

Complex verhaal
Emmer is het daar niet mee eens. Van Rossum en Fatah-Black knoeien volgens hem met cijfers. ‘Geen enkele tak van de economie wordt zo bestudeerd. De slavenhandel wordt ten onrechte meer betekenis toegekend. Als je naar de brutomarge kijkt, neem je veel factoren niet mee, bijvoorbeeld de slaven die onderweg van Afrika naar Amerika overleden zijn en het feit dat een groot deel van de matrozen Duits of Pools was en dat hun salarissen de Nederlandse economie dus niet ten goede kwamen. En dan nog, de betekenis van de slavenhandel blijft dan nog klein: 0,5 procent in plaats van 0,005 procent. Veel belangrijker was de handel met de Oostzee, Engeland en Frankrijk.’

Wat vindt van Emmer van de kritiek dat zijn onderzoek selectief is? ‘Dat van het jaar 1800 klopt helemaal niet. Ik heb gekeken naar de piekjaren van de slavenhandel, de jaren zestig en zeventig van de achttiende eeuw. Maar ook toen was de slavenhandel een miniem deel van onze economie.’ En die zes schepen? ‘Er waren ook jaren dat er helemaal geen slavenhandel was. Je kan de slavenhandel wel groter proberen te maken door cijfers te manipuleren, maar dan heb je een politieke agenda.’

Den Heijer neemt in dit debat een middenpositie in. ‘We moeten beseffen dat slechts een paar procent, twee of drie, van het BNP afkomstig was van door slaven geproduceerde goederen. Dat is echter inclusief de in de Republiek der Verenigde Nederlanden verwerkte goederen. Suiker moest geraffineerd worden, tabak ‘gesponnen’, enzovoorts, zaken waar duizenden vrije arbeiders in Nederland mee bezig waren. Kortom, de economische opbrengsten van dat slavernijverleden zijn niet zo eenvoudig te duiden, dat is een complex verhaal.’

DELEN
Ewout Klei
Journalist gespecialiseerd in politiek en geschiedenis.