Moet Nederland IS-strijders terughalen

Balkis Press
Nederland wil zijn IS-strijders liever niet terughalen en berechten. Wat vinden mensenrechtendeskundigen hiervan? En wat deed Nederland na de Tweede Wereldoorlog eigenlijk met die andere groep oorlogsmisdadigers, Nederlandse vrijwilligers bij de Waffen-SS?

Het kalifaat van IS is zo goed als gevallen. Dat brengt nieuwe dilemma’s met zich mee. Er zitten honderden uit westerse landen afkomstige IS-strijders in Koerdische gevangenissen en kampen. Westerse landen, waaronder ook Nederland, willen deze IS-strijders onder geen beding terughalen en berechten. Regeringspartijen CDA, D66 en ChristenUnie vinden dat IS-strijders moeten worden berecht door een internationaal tribunaal. De VVD is van mening dat de berechting door een lokale rechtbank moet geschieden. De Amerikaanse president Donald Trump zei eerder reeds dat Europese landen hun IS-strijders moeten terughalen.

Wat nu? Moet Nederland toch de eigen IS-strijders terughalen, omdat ze in Syrië en Irak de doodstraf boven het hoofd hangt en China en Rusland, twee landen met een vaste zetel in de VN-Veiligheidsraad, niets voelen voor een internationaal tribunaal? En kunnen we misschien iets leren van het verleden? Er vochten immers duizenden Nederlandse vrijwilligers mee voor de Waffen-SS in de Tweede Wereldoorlog. Wat heeft ons land na de oorlog met deze strijders gedaan? De Kanttekening sprak over het dilemma van Nederlandse IS-strijders met senior beleidsmedewerker Doutje Lettinga van Amnesty International, senior onderzoeker Christophe Paulussen van het T.M.C. Asser Instituut, rechtsfilosoof David Suurland, universitair docent politieke theorie aan de University College in Utrecht, en historicus Evertjan van Roekel, die gespecialiseerd is in de geschiedenis van Nederlandse vrijwilligers bij de Waffen-SS.

Individuele benadering

Behalve IS-strijders zitten er ook vrouwen en kinderen gevangen in de Koerdische kampen. Doutje Lettinga, senior beleidsmedewerker van Amnesty International, vindt het heel belangrijk dat er onderscheid wordt gemaakt tussen de drie groepen. Kinderen mogen niet het kind van de rekening worden. ‘De belangen van het kind horen leidend te zijn in alle besluiten die genomen worden. Maar wat is eigenlijk in het beste belang van het kind? Dat blijkt individu afhankelijk te zijn. Per kind moeten autoriteiten dus bekijken wat het beste is en daarbij hulp inschakelen van VN-organisaties met expertise in kinderrechten. Detentie zal dat vrijwel nooit zijn. Welke hulpverlening heeft het kind nodig? Zijn de kinderen wel echt de kinderen van deze ouders? En natuurlijk hebben kinderen recht op onderwijs en recht op zorg. We krijgen helaas signalen over de slechte, inhumane omstandigheden in de Koerdische kampen en gevangenissen in Irak. Het zou daarom in het belang van die kinderen kunnen zijn dat ze zo snel mogelijk naar Nederland kunnen. Nederland zou in dat geval de terugkeer van de kinderen moeten faciliteren, zeker als er een verzoek om repatriëring ligt. Over het algemeen geldt dan dat kinderen niet tegen hun wil gescheiden zouden moeten worden van hun ouders. Maar niet alle kinderen komen uit Nederland. Dat maakt het ingewikkeld, want wat moet je doen voor kinderen uit landen waar hun mensenrechten ook niet gewaarborgd worden? Maatwerk is daarom cruciaal.’

Ook ten aanzien van IS-vrouwen is Lettinga voor een individuele benadering. ‘Het overheersende beeld is nu dat alle IS-vrouwen slecht zijn. Dat is echter nog maar de vraag. Niet alle vrouwen waren betrokken bij de oorlogsmisdaden van IS. Er zijn vrouwen die gedetineerd en gestraft worden op basis van het enkele feit dat ze getrouwd zijn met iemand die betrokken is of zou zijn bij IS. Zij zijn slachtoffer van guilt by association. Er moet per geval worden onderzocht of zij misdaden hebben gepleegd. En als ze dat hebben gedaan moeten ze berecht worden met een eerlijk proces en een passende straf krijgen.’ Ten slotte moeten mannen die voor IS hebben gevochten eveneens vervolgd worden met een eerlijk proces en beschermd worden tegen de doodstraf, vindt Lettinga. ‘Dit betekent dat als berechting in Irak plaatsvindt, waar mensen na een showproces van een minuut de doodstraf krijgen, de internationale gemeenschap capaciteit en middelen beschikbaar moet stellen om hun recht op een eerlijk proces te garanderen.’

Christophe Paulussen houdt zich als onderzoeker bezig met de juridische kant van de zaak. ‘Volgens het internationaal recht hebben staten het recht mensen te berechten die op hun grondgebied misdaden hebben gepleegd, dit is het territorialiteitsbeginsel. Als Irak Nederlandse IS-strijders berecht en veroordeelt is dat in principe dus toegelaten, hoewel aan het niet krijgen van een eerlijk proces en het opleggen van de doodstraf natuurlijk wel internationaalrechtelijke haken en ogen zitten.’

Nederland wil IS-strijders niet terughalen en als het even kan hun Nederlandse nationaliteit afpakken. Paulussen legt uit dat dit laatste niet zomaar kan. ‘Mensen mogen niet stateloos worden. Dat betekent dat Nederland alleen de nationaliteit kan afpakken van mensen met een dubbele nationaliteit, bijvoorbeeld van Marokkaanse Nederlanders die behalve staatsburger van Nederland ook onderdaan van Marokko zijn. Maar dit is niet correct, want op deze manier maak je onderscheid in je aanpak tussen burgers. Als mensen met een enkele nationaliteit op een andere, minder vergaande manier kunnen worden aangepakt, waarom mensen met een dubbele nationaliteit dan niet? Deze indirect discriminerende aanpak kan radicalisering in de hand werken. Bovendien parkeert Nederland zijn eigen problemen bij een ander land, wat vanuit een juridisch, moreel en veiligheidsperspectief niet correct is.’

Foto: Youtube

Internationaal tribunaal

Amnesty International heeft geen voorkeur over waar de berechting plaats moet vinden, zolang eerlijke procesrechten maar zijn gegarandeerd en dit niet kan leiden tot de doodstraf. Wel geldt dat de meeste slachtoffers van IS in Irak en Syrië wonen. Zij kunnen gemakkelijker deelnemen aan het proces als dat in die jurisdicties plaatsvindt. Bovendien bevordert dit de toegang tot het bewijs dat nodig is voor vervolging. ‘Een internationaal tribunaal dat door de Verenigde Naties wordt opgezet behoort tot de mogelijkheden, maar hiervoor is een resolutie van de Veiligheidsraad nodig’, aldus de senior beleidsmedewerker van Amnesty International. ‘China, de Verenigde Staten en Rusland, die het vetorecht hebben als permanente leden van deze raad, moeten dan wel ja stemmen. Dat is een harde dobber. Een andere optie is een hybride tribunaal, met internationale rechters en nationale rechters, dat georganiseerd wordt in het land zelf. In ieder geval kost het opzetten van beide soorten tribunalen (vooral de eerste) veel tijd en geld. Zo’n tribunaal moet ook door de permanente leden van de VN worden ondersteund. Bovendien kost het opzetten ervan heel veel tijd en geld. Hier moet door de internationale gemeenschap in geïnvesteerd worden. Voor sommige verdachten geldt dat ze zouden kunnen worden berecht voor de misdrijven waar het internationaal strafhof in Den Haag voor bevoegd is: genocide, misdaden tegen de menselijkheid, en oorlogsmisdaden. Ten slotte kunnen IS-strijders worden berecht in de landen waar ze vandaan komen, in het geval van Nederlandse IS-strijders dus in Nederland.’

Paulussen heeft de juridische opties grondig bestudeerd. ‘Er wordt vaak geroepen dat er een internationaal terrorisme tribunaal moet komen, maar maak allereerst gebruik van wat je al in huis hebt: nationale procedures. Een internationaal tribunaal kost veel tijd geld en bovendien wordt vaak vergeten dat er geen internationaal erkende definitie van terrorisme bestaat. Maar als er een internationaal tribunaal komt, dat bijvoorbeeld zou kijken naar oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid of genocide, dan moet het geen IS-tribunaal worden. Dat is namelijk een overwinnaarstribunaal, dat zich laat leiden door victor’s justice. Als we het goed willen doen moet je kijken naar de situatie en misdrijven in Syrië en Irak in het algemeen. Dat omvat uiteraard de misdaden van IS, maar ook die van de andere partijen in het conflict, met name die van Assad.’ Een hybride tribunaal zou eventueel ook een optie zijn voor Paulussen. ‘Dit gaat ook veel geld en tijd kosten, maar betekent tevens een investering in de kwaliteit van de nationale rechtsgang.’

Rechtvaardigheidsgevoel

Ook David Suurland, rechtsfilosoof en  universitair docent politieke theorie aan de University College in Utrecht, legt de focus op het internationaal recht. Maar hij benadert dit vanuit een ander perspectief: de wijze waarop de Duitse rechtspraak sinds 2011 met oud-nazi’s omgaat.

In zijn stuk ‘IS-strijders als Abu Sumail al-Hollandi zijn de hedendaagse SS’ers’, schreef de rechtsfilosoof in 2016 dat wij bij de berechting van de IS-strijders niet dezelfde fouten moeten maken als bij de berechting van nazi-oorlogsmisdadigers. Suurland licht toe: ‘Tot vrij recent lag de bewijsplicht bij de berechting van deze groep misdadigers bij het Duitse OM. Dat wil zeggen: zelfs als men een nazi in Auschwitz kon plaatsen ten tijde van de Holocaust men niet tot een veroordeling kon komen indien geen concrete misdrijven ten aanzien van een groep slachtoffers kon worden aangewezen. Daarbij was men in grote mate afhankelijk van getuigenverklaringen. Maar de nazi’s waren in vernietiging zo effectief, dat zowel slachtoffers als getuigen letterlijk in rook waren verdwenen. Het gevolg was dat méér dan negentig procent van de bewakers van Auschwitz, grotendeels wegens gebrek aan bewijs, nooit voor de rechter is komen te staan. Diegenen die wel werden veroordeeld kwamen er wegens ditzelfde gebrek aan getuigen vaak met lichtere misdrijven vanaf en liepen na een straf van tien jaar weer vrij rond. De regels van de rechtspraak beschermde de daders.’

Dit is waar Suurland voor vreest als wij IS-strijders in Nederland gaan berechten. ‘De slachtoffers en getuigen zijn dood. Hoe kunnen wij dan gerechtigheid verwachten?’ Een antwoord is volgens hem gelegen in de zaak-Demjanjuk uit 2011, waarbij de Duitse rechter stelde dat bewijslast werd omgekeerd. ‘Omdat John Demjanjuk in Sobibor aanwezig was ten tijde van de Holocaust wordt hij geacht deel te hebben genomen aan de genocide, tenzij hij het tegendeel aannemelijk kan maken.’

Dit is het voorbeeld dat Nederland volgens Suurland voor elke Syriëstrijder moet volgen, wil er enige kans op gerechtigheid zijn. ‘Je hebt je aangesloten bij een beweging die zich kenmerkte door de systematische misdrijven tegen de menselijkheid en genocide. De bewijslast ligt bij de verdachte om zijn onschuld te bewijzen. Nu doet Nederland dat niet en kunnen wij mensen alleen veroordelen voor deelname aan een terroristische organisatie. Het element genocide komt niet eens ter sprake. Een recent voorbeeld hiervan betrof een Nederlandse vrouw die drie jaar bij IS heeft gezeten, maar slechts een effectieve gevangenisstraf van twintig maanden heeft gekregen. Dan voel ik mij als Nederlandse burger door de Nederlandse staat echt in de steek gelaten. Dit is apert onrecht. Daarnaast is het ook beledigend voor de landen waar IS-strijders hun misdaden hebben gepleegd. Waar haal je de blanke arrogantie vandaan om de mensen daar hun schreeuw om recht te ontzeggen, ze hier te berechten en maar twintig maanden te geven? Ik vind dit een miscarriage of justice (rechterlijke dwaling, red.). Het mooie van mijn vak, rechtsfilosofie, is dat we verder kijken dan rechtsprocedures. We moeten ons hoeden voor procedureel fetisjisme. Als we alles volgens de regeltjes willen doen dan verliezen we de rechtvaardigheid, dan verliezen we het democratisch draagvlak. In plaats van ons zo druk te maken over de rechten van IS-strijders, IS-vrouwen en IS-kinderen zouden we ons moeten focussen op de slachtoffers van IS: jezidi’s, christenen, sjiieten en anderen.’

Lettinga is het oneens met de suggestie dat Amnesty International eigenlijk niet om de slachtoffers van IS geeft: ‘Natuurlijk zijn we voor een proces tegen mensen die bij oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid en genocide betrokken zijn of andere mensenrechtenschendingen. Dit past in onze strijd tegen straffeloosheid en voor gerechtigheid en genoegdoening van slachtoffers van schendingen. Maar dit moet wel zorgvuldig gebeuren. We moeten ook niet doen alsof dit nieuw is. Er zijn inmiddels heel veel methodes en middelen ontwikkeld om aan bewijsgaring te doen. We zijn sinds de jaren zestig ver gevorderd wat betreft internationale gerechtigheid. Denk aan het Joegoslavië-tribunaal of het Rwanda-tribunaal. De teneur is nu: laat de IS-strijders daar. Maar zitten de Koerden daar wel op te wachten? En krijgen ze daar wel een passende en eerlijke straf? Staten moeten hun verantwoordelijkheid nemen voor internationale gerechtigheid en de problemen niet afschuiven op de Koerden. We mogen mensen die naar IS-gebied zijn gereisd bovendien niet over één kam scheren. Twintig maanden gevangenisstraf voor die vrouw lijkt laag, maar het is een hele hoge straf als ze alleen maar huisvrouw was.’

Paulussen is het helemaal eens met Lettinga: ‘Dat de straffen nu relatief laag zijn komt omdat we nog maar weinig weten en mensen vaak worden veroordeeld voor deelname aan een terroristische organisatie en niet voor specifieke misdrijven. We moeten meer weten over wat er precies gebeurd is. Anders krijgen we dat lage mensen een relatieve hoge straf krijgen en een leider van IS na een paar jaar weer vrijkomt, hetgeen natuurlijk totaal onwenselijk is. Nu het fysieke kalifaat is gevallen komt er ook meer bewijs vrij, denk aan de opgraving van massagraven. Mensen die nu enkel berecht worden voor deelname aan een terroristische organisatie zouden dan ook veroordeeld kunnen worden voor specifieke oorlogsmisdrijven, waardoor de straf omhoog gaat.’ Maar, geeft Paulussen toe, ‘het zal een lang proces worden. Sinds de Tweede Wereldoorlog, toen nazi’s hun misdaden goed bijhielden, zijn oorlogsmisdadigers voorzichtiger geworden.’

Foto: Boekomslag, Evertjan van Roekel

Nederlanders in de Waffen-SS

Tot zover het juridische perspectief, hoe zit het eigenlijk met de historie? De ongeveer tweehonderdtachtig Nederlandse IS-vrijwilligers zijn immers niet de eerste Nederlanders in vreemde krijgsdienst. Tussen 1866 en 1870 vochten meer dan drieduizend katholieke jongens voor de Pauselijke Staat in Italië als zoeaven; een kleine zevenhonderd Nederlanders, vooral communisten, vochten tijdens de Spaanse Burgeroorlog (1936-1939) tegen Franco; en bijna vijfentwintigduizend Nederlandse vrijwilligers dienden gedurende de Tweede Wereldoorlog als vrijwilliger in de Waffen-SS. De vergelijking met de SS’ers ligt wellicht het meest voor de hand, gezien het feit dat de SS en IS betrokken zijn geweest bij oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid en genocide. Historicus Evertjan van Roekel schreef in 2011 het boek Jongens van Nederland: Nederlandse vrijwilligers in de Waffen SS en legt nu de laatste hand aan het uitgebreidere vervolg Veldgrauw: Nederlanders in de Waffen-SS, dat binnenkort in de boekhandels ligt. Wat gebeurde er eigenlijk met de Nederlandse SS’ers na de oorlog?

Van Roekel vertelt dat Nederland qua absolute aantallen de meeste SS-vrijwilligers kende, relatief gezien stak Denemarken ons land naar de kroon, maar niet veel. ‘Dé SS’er bestaat niet. Er waren drie onderdelen waarin Nederlandse SS’ers voornamelijk dienden. Deze onderdelen moet je scherp van elkaar onderscheiden. Allereerst was er Regiment Westland, dat in mei 1940 werd opgericht. Dit regiment ging op in de divisie Wiking. Dit was echt een elite-eenheid, die ook door de Wehrmacht werd gerespecteerd. Behalve Nederlanders vochten ook Duitsers, Scandinaviërs en Vlamingen in deze divisie. Wiking vocht aan het Russische zuidfront, nam deel aan de genocide op de Joden in en rondom Tarnopol, was in 1944 betrokken bij de slag om Boedapest en gaf zich in 1945 in Wenen aan de Amerikanen over. Daarnaast had je het Vrijwilligerslegioen Nederland, dat in februari 1942 werd gevormd. In 1942 vocht dit legioen bij Leningrad, medio 1943 werd het Vrijwilligerslegioen teruggeroepen naar Kroatië om de Partizanen te bestrijden en verdere training op te doen en in 1944 verdedigden de Nederlandse legionairs met succes het bruggenhoofd Narva tegen het Rode Leger. In 1945 viel het Vrijwilligerslegioen onder Berlijn uit elkaar. Niettemin was ook dit regiment militair gezien best succesvol. Ten slotte had je de Landstorm, formeel een militaire eenheid maar feitelijk weinig meer dan een militaire hulppolitie. Deze SS-eenheid was militair gezien het minst indrukwekkend. De meeste jongens die voor de Waffen-SS tekenden waren tussen de achttien en begin twintig. Hoewel er fanatieke nazi’s tussen zaten waren de meeste vrijwilligers gewone jongens, niet echt ideologisch gemotiveerd. Sommigen voelden zich wel aangetrokken door het Duitse militarisme.’

‘Ongeveer 18.500 Nederlandse SS-vrijwilligers overleefden, naar schatting 6.500 sneuvelden, of raakten vermist’, vertelt Van Roekel. ‘Van de naar schatting 2.000 Nederlandse SS’ers die door het Rode Leger gevangen werden genomen keerden in de jaren vijftig enkele tientallen terug.’ En hoe zat het met de rechtszaken tegen Nederlandse SS’ers? Hoeveel straffen zijn er uitgedeeld? En hoe hoog waren deze straffen? Van Roekel: ‘Wat betreft de Waffen-SS vrijwilligers was men middels de bijzondere rechtspleging eigenlijk vooral gericht op het bewijzen van het ‘in vreemde krijgsdienst treden’. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kon dat leiden tot zeer uiteenlopende vrijheidsstraffen. Naarmate het naoorlogse sentiment verminderde na verloop van jaren, werden de straffen milder. De algemene tendens was dat wanneer vrijwilligers slechts lid van de Waffen-SS waren geweest zonder dat men vond dat de omstandigheden van het geval aanleiding waren tot een hogere straf, kwam het vaak tot een gevangenisstraf van vijf tot tien jaar. Deze kon lichter uitvallen wanneer er verzachtende omstandigheden waren, vaak drie tot vijf jaar. Wanneer er verzwarende omstandigheden waren, dan schoten de straffen omhoog, meestal tien tot vijftien jaar. Hogere straffen, waaronder levenslang en de doodstraf, kwamen relatief niet vaak voor.’

Ten slotte, wat vindt Van Roekel van een historische vergelijking tussen Nederlandse vrijwilligers bij de Waffen-SS en Nederlandse vrijwilligers die voor IS hebben gevochten? ‘Ik ben niet voldoende ingelezen in de casus van de IS-strijders en ik kan hier dus geen uitgebreid inhoudelijk antwoord op geven, maar ik geloof zelf niet dat deze vergelijking een op een gemaakt kan worden’, antwoordt Van Roekel. Hij vervolgt: ‘Ik denk zelfs dat je eerder moet zoeken naar overeenkomsten dan naar verschillen. De context is wezenlijk anders. Ideologie in de vorm van het nationaalsocialisme speelde mijn inziens voor de meeste SS-vrijwilligers een vele malen minder grote rol dan de rol die de radicale islam speelde voor IS-strijders. SS’ers namen de beslissing om zich aan te melden in een bezet land mede door propaganda.  Bovendien kon men zich heel makkelijk en bij wijze van spreken in een opwelling op iedere straathoek aanmelden. Een aankomend IS-strijder moest nogal wat moeite doen om uiteindelijk echt terecht te komen binnen de gelederen van IS. Op die reis waren voldoende afhaakmomenten waar men geen gebruik van maakte. Bovendien waren er voldoende prikkels uit hun Nederlandse omgeving dat het wellicht niet verstandig was om toe te treden tot IS. De moeite die moest worden gedaan om echt bij IS aan te sluiten, laat naar mijn mening een ideologische bereidheid van de meest extreme soort zien. Voor veel SS-vrijwilligers was hun keuze voor de Waffen-SS zeker in de beginjaren van de oorlog, ook opportunistisch van aard. Men dacht dat Duitsland de oorlog ging winnen en hoopte ook carrière te maken in de gelederen van de SS. Ik betwijfel of dergelijke motivatie ook gold voor IS-vrijwilligers. Of die vanuit opportunisme geloofden in een eindoverwinning van het kalifaat. Waarschijnlijk lag hun motivatie veel meer in radicale opofferingsgezindheid voor in hun ogen de belangen van de islam, en de tweeënzeventig maagden die na hun dood klaar zouden staan in het paradijs.’

DELEN
Ewout Klei
Journalist gespecialiseerd in politiek en geschiedenis.