Wereldverbeteraars van gisteren

Lees meer

‘Er zijn weinig mensen over die rechtstreeks het verband leggen tussen wat ze doen voor de fairtradebeweging en de geschiedenis van ons kolonialisme.’

Paul van Tongeren (76) weet het ruim vijftig jaar na dato nog kleurrijk na te vertellen. Hoe hij op 3 december 1968 een hart van rietsuiker aanbiedt aan Leo de Block, de toenmalige minister van Economische Zaken. Een ludieke actie die mensen uit alle hoeken van Nederland bereikt. Het jaar daarop zal de rietsuikeractie leiden tot de oprichting van de eerste wereldwinkel.

Een kleine zes jaar deed Peter van Dam, docent aan de Universiteit van Amsterdam, onderzoek naar de geschiedenis van de fairtradebeweging, die begon bij de rietsuikeractie. Zijn bevindingen schreef hij op in het boek Wereldverbeteraars: een geschiedenis van fair trade.

Rietsuiker bleek een ideaal symbool van de koloniale erfenis in de wereldhandel, schrijft Van Dam. Hoewel het op de wereldmarkt goedkoper was dan Europese bietsuiker, kostte rietsuiker de Nederlandse klanten meer. Europese importheffingen maakten rietsuiker duur, terwijl de prijs voor bietsuiker dankzij landbouwsubsidies laag bleef.

Dat Nederlanders opstonden tegen de oneerlijke handelsverdragen had volgens Van Dam verschillende beweegredenen: de herinnering aan de oorlog, wat de behoefte om goede banden met andere landen te hebben aanwakkerde; activistische jongeren die besloten het anders te willen doen dan hun ‘gehoorzame’ ouders; en de dekolonisatie, die het zelfbeeld van Europeanen in een drastisch ander licht zette.

Het maakte dat Nederlanders hun steentje wilden bijdragen aan wereldvrede en eerlijke handel. En met succes – de consumptie van rietsuiker verdrievoudigde binnen enkele jaren. ‘Maar soms gaat naastenliefde hand in hand met minder rooskleurige dingen’, vertelt Van Dam. ‘Zoals eigenbelang en een soort betweterigheid. Het idee dat ‘wij’ wel even uitleggen hoe anderen het beter kunnen doen.’

Mainstream

Anno 2019 is de fairtradebeweging mainstream geworden. De deels fairtradechocoladerepen van Tony Chocolonely zijn een immens succes en ook fairtradebananen en -koffie liggen in de schappen van supermarkten. Het is dan ook niet voor niets dat het aantal wereldwinkels sterk slinkt. Als de supermarkten aan eerlijke handel doen, waar zijn de wereldwinkels dan nog voor nodig?

‘Dat is mijn doel’, vertelt Felice de Haan (68), mede-oprichtster van de Wereldwinkel Amersfoort. Samen met Nico van Splunder (61) is zij achtendertig jaar na de oprichting nog steeds betrokken bij het reilen en zeilen van de winkel. ‘Wij zijn er om onszelf overbodig te maken. Om ervoor te zorgen dat fairtradeproducten in ‘gewone’ winkels te koop zijn. En dat is deels gelukt.’

Toch vinden beiden het jammer dat er steeds minder wereldwinkels zijn. Ook Van Dam deelt die mening. ‘Ik maak mij daar zorgen over. Als er niets voor in de plaats komt dan mis je een lokaal aanknopingspunt. Wereldwinkels waren vertrekpunten voor veel acties. Je hebt plekken nodig waar activisten bij elkaar komen om initiatieven te ontplooien en thema’s op de kaart te zetten.’

Dat het aantal wereldwinkels drastisch afneemt, van ruim vierhonderd op haar hoogtepunt in 1998 tot driehonderd vandaag de dag, valt volgens Van Splunder te wijten aan een aantal punten. ‘De huurprijzen van winkelpanden worden steeds hoger, de vrijwilligers vergrijzen en de tijdgeest was destijds anders. Het succes van fairtradeproducten speelt ook mee. En daarnaast natuurlijk waar alle winkels last van hebben: de onlineverkoop.’

Andere wereld

Het was een totaal andere wereld dan de wereld waarin Van Splunder ooit begon met zijn initiatief. Lachend vertelt de Amersfoorter hoe hij op een bakfiets vol met rietsuiker en koffie naar de markt fietste, of de huizen langsging om producten te verkopen. ‘De rietsuiker zat in verschrikkelijke, zilverkleurige verpakkingen. En toen we voor het eerst bananen binnenkregen, waren we hartstikke zenuwachtig. Hoe gaan ze eruitzien? Hoelang blijven ze goed? Uiteindelijk hebben we alle bananen verkocht.’

Ook Van Tongeren staat de begintijd nog goed bij. ‘Mijn studentenkamertje aan de Korte Tolstraat in Amsterdam was het hoofdkwartier van de rietsuikeractie geworden. Op de overloop stond een baal van zestig kilo rietsuiker. Iedereen kwam bij mij thuis rietsuiker scheppen om te kunnen verkopen.’

Foto: Liselot van der Klift

Koloniale agressie

Naast de rietsuikeractie waren de wereldwinkels ook actiecentra voor protestacties. Zo kwam de wereldwinkel in Breukelen zelfs in aanvaring met het gemeentebestuur, vanwege posters die de koloniale agressie van NAVO-bondgenoot Portugal aan de kaak stelden. Nederlanders voelden sympathie voor landen die hun onafhankelijkheid opeisten. De boycotacties tegen koffie uit Angola, een land dat samen met Mozambique aanhoudend werd onderdrukt door Portugal, behoren tot de meest succesvolle campagnes van de beweging. Zelfs supermarktketen Albert Heijn haalde Angola-koffie uit de schappen.

Maar er was ook een keerzijde. Toen de Landelijke Vereniging van Wereldwinkels een steentje wilde bijdragen aan de onafhankelijkheidsstrijd van Suriname, destijds een kolonie van Nederland, was er beduidend minder animo. Waarom voelden de tegenstanders van Portugese koloniale uitbuiting zich niet thuis in een actie voor Suriname?

‘In Suriname waren we zelf partij’, verklaart Van Dam. ‘Die actie draaide echt uit op een teleurstelling. Op Portugal was iedereen erg boos, maar als het ging om onze eigen geschiedenis, was men ambivalent. Dat was deels omdat de Portugese omgang met haar koloniën in de jaren zeventig niet te vergelijken was met de situatie in Suriname. Maar je zag ook dat het voor veel mensen een stuk moeilijker was om te praten over iets wat dichter bij huis gebeurde.’

Dat het een gekke situatie was beaamt Van Dam. Maar hypocriet zou hij het niet noemen. ‘Dat vind ik te makkelijk. Het is vaak ook zo dat het makkelijker is om een stellige mening te hebben over iets waar je weinig van afweet. Ken je alle ins and outs van een situatie, zoals wellicht het geval was bij Suriname, is het moeilijker om zo’n harde mening te hebben als men had over Portugal destijds.’

Vijftig jaar

Van Dam vindt het belangrijk dat er aandacht is voor het koloniale verleden van Nederland, maar die aandacht moet zich niet alleen naar binnen toe keren. ‘Er zijn weinig mensen over die rechtstreeks het verband leggen tussen wat ze doen voor de fairtradebeweging en de geschiedenis van ons kolonialisme. Er wordt wel over gesproken, maar meer in de context van mensen die hier nu, in Nederland, last van hebben. Het gaat weinig over de mensen die in de voormalige koloniën wonen. Het idee dat zij na vijftig jaar onafhankelijkheid niet meer mogen klagen vind ik onzin. Het is volstrekt duidelijk dat er nog steeds problemen zijn en ontstaan die een direct gevolg zijn van het kolonialisme. Er is nog steeds een mondiaal probleem dat nog lang niet opgelost is.’

De acties die in de jaren zeventig en tachtig in wereldwinkels beraamd werden, beperkten zich niet alleen tot het kolonialisme. Onderwerpen als klimaat, racisme en kernenergie passeerden ook de revue. ‘Wij organiseerden destijds allerlei soorten acties’, vertelt Van Splunder in de bovenkamer van de Amersfoortse wereldwinkel. ‘Daar stond ik erg voor. Helaas is dat vandaag de dag minder. De tijdgeest is anders. Mensen zijn moeilijker in beweging te krijgen.’

Van actiecentrum tot verkooppunt

Het klopt dat er een hoop veranderd is. Niet alleen de taak van de wereldwinkel kreeg een andere vorm – van actiecentrum tot verkooppunt – ook qua uiterlijk maakte de wereldwinkel een heuse metamorfose door. Van donkere slooppanden naar winkelpanden in drukke winkelstraten. ‘Er was nergens geld voor’, vertelt Felice de Haan over de beginjaren van Wereldwinkel Amersfoort. ‘Alle spullen die we gebruikten om het pand aan te kleden, waren tweedehands. Dat is eigenlijk nog steeds zo. Doordat we zo zuinig zijn, bestaat de winkel nog. We hebben een buffer opgebouwd waardoor we het verlies van de afgelopen jaren aankunnen.’

Bij binnenkomst in Wereldwinkel Amersfoort is vandaag de dag weinig te zien van het beeld dat De Haan schetst. De rieten manden, beelden en etenswaren zijn zorgvuldig ingedeeld. De kleurrijke Keniaanse sieraden hangen veilig achter glas. Op kaartjes die aan alle producten hangen, staat in welk land het gemaakt is.

Foto: Liselot van der Klift

Economisch effect

De jarenlange inzet van de betrokken vrijwilligers vindt Van Dam bewonderenswaardig. Dat is het succes van de beweging, zegt hij. Toch is de vraag in hoeverre de fairtradebeweging geholpen heeft, moeilijk te beantwoorden. ‘De beweging is enorm gegroeid, dat zeker. Er zijn inmiddels enorm veel producenten die profiteren van het systeem. Helaas levert het nog vaak te weinig op voor mensen om het bestaansminimum eraan te verdienen. Het economisch effect is ook moeilijk te meten. Verkoop je heel veel producten, dan maak je een enorm verschil. Maar ben je één kleinschalig fairtradekoffiemerk, dan verandert er weinig.’

Wat ook meespeelt is dat de focus van de beweging voor eerlijke handel niet lag op de verkoop van producten, maar vooral op het creëren van bewustzijn. Dat veel fairtradeproducten nu in de supermarkt liggen is daaraan te danken. ‘Het is echt een beweging van de lange adem’, vertelt Van Dam. ‘Wat dat betreft vind ik het heel succesvol. De vrijwilligers weten al vijftig jaar het gesprek aan de gang te houden. Het laat zien dat, als je lang genoeg met iets bezig bent, je echt iets op poten kunt zetten. Dat bedrijven nu überhaupt gevoelig zijn voor het argument dat ze een maatschappelijke verantwoordelijkheid hebben, is iets wat je je in de jaren zeventig niet had kunnen voorstellen. Op dat gebied heeft de fairtradebeweging echt een bijdrage geleverd.’

Politiek

Wat Van Dam jammer vindt, en activist van het eerste uur Van Tongeren erkent, is dat er op politiek gebied weinig bereikt is. ‘Wellicht waren we wat naïef’, bekent Van Tongeren. ‘Wij dachten in 1968: ‘Als we dit nu onder de aandacht brengen, slaan we over vier jaar, tijdens de wereldconferentie in 1972, spijkers met koppen’. Zo makkelijk bleek het niet te zijn.’

Van Dam vindt het wrang. Dat consumenten meedoen maar politici niet thuis geven. ‘Een deel van de Nederlanders koopt fair trade, maar juist daar zit volgens mij ook het gevaar in. Het mag geen luxeproduct worden. Dat mensen het idee krijgen dat fairtradeproducten alleen voor welgestelde mensen weggelegd zijn. Of dat het te veel als liefdadigheid wordt gezien. Ik heb geld, dus ik kan een goed mens zijn. Dat betekent dat het omgekeerde dus waar is voor mensen die weinig geld hebben. Dat staat haaks op het ideaal van de beweging.’

Toekomst

Hoewel de geschiedenis van de fairtradebeweging vastgelegd is in het boek van Van Dam, ligt de toekomst open. ‘Er is nu een heel nieuwe generatie op een andere manier met dit onderwerp bezig’, aldus de schrijver. ‘Je ziet meer bewustzijn op het gebied van de kledingindustrie. De stichting Young & Fair probeert dat op scholen op de kaart te zetten. Ook voor fairtradeproducten lopen veel jongeren warm, bijvoorbeeld de Tony Chocolonely-repen. De vraag is hoe je jonge mensen betrokken kunt houden, zodat ze niet alleen een chocoladereep kopen of een oproep van de Schone Kleren Campagne retweeten. Daarnaast zie ik het geloof terugkomen dat het mogelijk is in de politiek veranderingen teweeg te brengen.’

Ook Van Tongeren ziet de toekomst positief in. ‘Alle jongeren die recent spijbelden voor het klimaat – geweldig vind ik het. De politiek in Den Haag zet omtrent het klimaat niet de urgente stappen die nodig zijn, daar erger ik mij ongelooflijk aan. Met de klimaatmars zetten jongeren de oude mannen die denken dit soort onderwerpen vooruit te kunnen schuiven op hun nummer. Dat doet mij goed.’

- Advertentie -

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here