Wilhelmina en de Joden-vervolging

Foto: Nationaal Archief
‘Dat Wilhelmina en Nederland zo weinig aandacht hadden voor de Joden-vervolging kwam door de geallieerde strategie die het winnen van de oorlog exclusieve prioriteit gaf.’

Wilhelmina (1880-1962) werd door historici Lou de Jong en Cees Fasseur geprezen om haar rol in oorlogstijd, maar de koningin ligt nu onder vuur. In zijn pas verschenen boek Wilhelmina: werkelijkheid en fictie schrijft historicus Gerard Aalders onder andere dat de vorstin nauwelijks geprotesteerd heeft tegen de Holocaust in Nederland. De Kanttekening sprak Aalders en twee andere historici, Bart van der Boom en Katja Happe, over Wilhelmina en de Joden-vervolging.

Sla de mof op zijn kop
Aalders is uiterst kritisch over Wilhelmina: ‘Lou de Jong, Cees Fasseur en anderen hebben van haar een heldin gemaakt. Nederland zou dankzij haar een prominente plek hebben gekregen in het geallieerde bondgenootschap en ze zou het verzet tegen de Duitse bezetter hebben gestimuleerd. Hier klopt echter niets van. De geallieerden namen Wilhelmina totaal niet serieus. De Amerikaanse president Franklin Delano Roosevelt oordeelde vernietigend over haar. Ze had volgens hem geen enkel inzicht in internationale betrekkingen en het verloop van de oorlog. Het onderbrengen van de verschillende verzetsorganisaties in Nederland in de Binnenlandse Strijdkrachten in september 1944 pakte rampzalig uit. De Gestapo en de Sicherheitsdienst konden hierdoor gemakkelijk in het Nederlandse verzet infiltreren, met vele doden als gevolg.’

Ook over Wilhelmina’s houding ten opzichte van de Joden kraakt Aalders harde noten. ‘In haar praatjes voor Radio Oranje heeft ze het slechts drie keer over de Joden-vervolging gehad. De koningin was in haar uitspraken bovendien onbegrijpelijk en vaag. Lou de Jong beweerde dat de toespraken van Wilhelmina kunnen worden vergeleken met die van Winston Churchill (1874-1965), maar ze kwam niet verder dan ‘sla de mof op zijn kop’. Ik viel, eerlijk gezegd, bijna in slaap.’

Waarom deed Wilhelmina dan zo weinig? ‘Desinteresse en onwetendheid. De kennis van Wilhelmina en het kabinet over bezet Nederland was verbijsterend slecht. Wilhemina kreeg ook steeds verkeerde inlichtingen, ze hoorde alleen verhalen die ze graag wilde hoorde. De Engeland-vaarders werden van te voren goed geïnstrueerd. ‘Maak haar niet van streek, spreek haar niet tegen.’ Een Engeland-vaardster die wel over de Joden-vervolging begon mocht haar verhaal niet verder vertellen, want dat vond de koningin niet leuk.’

Aalders benadrukt dat hij de bronnen goed heeft onderzocht. ‘De Jong en Fasseur beweren dat Wilhelmina in de jaren dertig al anti-nazi was, maar dat onderbouwen ze nergens. Ik heb nog contact opgenomen met het Koninklijk Huisarchief in Den Haag, dat niet vrij toegankelijk is, met het verzoek om brieven te lezen waaruit Wilhelmina’s zogenaamde anti-nazi-houding blijkt. Ze wilden mij niet helpen en wezen mij op de Wilhelmina-biografie van Fasseur. Die zijn stelling niet met voetnoten onderbouwt. Mijn conclusie luidt daarom: Wilhelmina’s afkeer van Hitler dateert van 10 mei 1940 en geen dag eerder.’

De oorlog winnen
Van der Boom, verbonden aan de Universiteit Leiden, is een stuk milder over Wilhelmina. ‘We moeten het verleden niet bekijken met de normen van nu. Veel interessanter is waarom de mensen toen deden wat ze deden. Wilhelmina had inderdaad weinig aandacht voor de Joden, maar daarin verschilde ze niet van de andere geallieerde leiders. Franklin Delano Roosevelt (1882-1945, red.) sprak in 1944 voor het eerst over de Joden-vervolging, heel laat. En de Belgische regering in ballingschap besloot tegen de Joden-vervolging te protesteren, omdat de Nederlanders dat ook hadden gedaan.’

Dat er zo weinig aandacht was voor de Joden-vervolging had volgens Van der Boom drie redenen. ‘Ten eerste was men erop gebrand om de oorlog te winnen. Er waren plannen om Joden vrij te kopen, maar behalve onhaalbaar waren zulke plannen ook in strijd met het geallieerde beleid. Het losgeld zou door de Duitsers kunnen worden gebruikt om de oorlog te verlengen. Ten tweede was het tot midden 1944 onduidelijk wat er precies met de Joden gebeurde. Er waren wel veel gruwelverhalen, maar men wist niet hoe betrouwbaar die waren. Ten slotte waren de geallieerde regeringen bang de nazipropaganda in de kaart te spelen. Als men extra aandacht besteedde aan de Joden zouden de nazi’s zeggen ‘zie je wel, de geallieerde regeringen staan onder controle van de Joden’. Zeker in Amerika was het publiek niet ongevoelig voor deze propaganda.’

Veel te laat
Happe heeft net ook een boek over de Holocaust afgerond: Veel valse hoop: de Joden-vervolging in Nederland 1940-1945. Happe vindt de vraag of Wilhelmina meer had kunnen of moeten doen een beetje gek. ‘Wat gebeurd is is gebeurd, we kunnen de gebeurtenissen niet terugdraaien. Maar je kunt desalniettemin wel concluderen dat Nederland heel weinig gedaan heeft. Pas in 1944 werd er adviescommissie voor Joden ingesteld. Dat was veel te laat, want in 1942 en 1943 waren de meeste Nederlandse Joden al naar het oosten gedeporteerd.’

Dat de Nederlandse regering in ballingschap tot midden 1944 weinig wist over de Holocaust wordt door Happe in twijfel getrokken. ‘Lou de Jong, die toen voor Radio Oranje werkte, was Joods en wist vrij goed wat er met de Joden gebeurde. In december 1942 hadden de geallieerde naties een gezamenlijke verklaring doen uitgaan. Daarin schreven ze dat ze wisten wat het lot was van de gedeporteerde Joden was. Wanneer de oorlog voorbij was zouden de daders daarvoor verantwoordelijk worden gehouden en gestraft.’

Wat vindt Happe ten slotte van Van der Booms bewering dat de andere geallieerde regeringen ook heel weinig deden en dat de Belgen dankzij Nederland ook aandacht begonnen te besteden aan de Joden-vervolging? ‘De regeringen in ballingschap in Londen hadden goede contacten met elkaar. Dat kan een rol hebben gespeeld. Maar dat Wilhelmina en Nederland zo weinig aandacht hadden voor de Joden-vervolging kwam door de geallieerde strategie die het winnen van de oorlog exclusieve prioriteit gaf.’

DELEN
Ewout Klei
Journalist gespecialiseerd in politiek en geschiedenis.