De toekomst van de wonderpalm

Foto's: Tieme Hermans
Terwijl consumenten en activisten in een spagaat zitten, lijken producenten wel in hun nopjes te zijn als het gaat om de veelbesproken palmolie. Onze correspondent Tieme Hermans doet verslag vanuit Indonesië en Maleisië.

Het zit naar schatting in de helft van onze verpakte supermarktproducten, wordt verbouwd op een gebied dat zeven keer zo groot is als Nederland en de productie bedraagt bijna zeventig miljoen ton per jaar. Palmolie is een meestal onzichtbaar ingrediënt dat voor steeds meer ophef zorgt in de politiek en onder consumenten vanwege grootschalige houtkap, slechte arbeidsomstandigheden op de plantages en mogelijke gezondheidsrisico’s. Toch is er geen oliesoort ter wereld dat zo efficiënt geproduceerd wordt als palmolie. Activisten zitten in een spagaat, de politiek staat tussen twee vuren en de consument weet de helft van de tijd niet dat hij of zij palmolie consumeert. Wat is de toekomst van deze wonderpalm?

De Indonesische oliepalmteler Fattah (47) staat naast zijn brommer tussen de lange rijen palmbomen. Op de vraag wat hij denkt over de slechte reputatie van palmolie reageert hij mopperend. ‘Eerst kwamen westerlingen de oliepalm brengen en werden we gedwongen het bos te kappen om ze op grote schaal te telen. Nu verdienen we er zelf geld mee en komen jullie ons vertellen dat we ermee moeten stoppen. Het lijkt alsof boeren altijd aan het kortste eind trekken.’

De reputatie van palmolie ligt al jaren onder vuur. Toch lijkt het gebruik ervan in consumptiegoederen alleen maar te stijgen. Uit onderzoek blijkt dat de goedkope olie in meer dan de helft van de verpakte supermarktproducten zit en de branche verwacht de komende jaren alleen nog maar te gaan groeien. Onderzoekers stellen zichzelf de vraag: kunnen we nog zonder palmolie?

Palmolie is een plantaardige olie, gewonnen uit oranje vruchten die in grote trossen groeien aan de oliepalm (elaeis guineensis), een lange palmboom met een dikke stam en overhangende bladeren. De palm groeit voornamelijk in tropisch klimaat rond de evenaar en komt oorspronkelijk uit West-Afrika, waar de vruchten al ruim vijfduizend jaar worden geoogst door de lokale bevolking. De wereldwijde verspreiding van de oliepalm is voornamelijk te wijten aan de Nederlandse kolonisten die de palm in 1848 meenamen uit Afrika en plantten in de botanische tuinen van het stadje Buitenzorg, het huidige Bogor, op het Indonesische eiland Java. Hoewel de palmvruchten in landen als Nigeria, Angola en Guinee voornamelijk gebruikt werden als traditioneel medicijn tegen bronchitis, reuma en huidziekten, ontdekten de kolonisten het grote economische potentieel van de multifunctionele olie en begonnen plantages aan te leggen op Java en Soematra.

Sinds de aanleg van deze eerste plantages is palmolie uitgegroeid tot de meest populaire oliesoort ter wereld, met een totale productie van zo’n zesenzestig miljoen ton per jaar. Indonesië is met zes miljoen hectare en een jaarlijkse productie van ruim zesendertig miljoen ton nog altijd een van de grootste producenten, gevolgd door Maleisië met eenentwintig miljoen ton en Thailand met bijna drie miljoen ton per jaar. Andere landen waar de teelt in opkomst is zijn Colombia, Peru en Nigeria.

Het zou te makkelijk zijn om palmolie te verbieden, schrijft onderzoeksjournalist Joe Fassler in het wetenschappelijk tijdschrift Smithsonian. ‘De hetze tegen palmolie is begrijpelijk, zeker als je foto’s ziet van kleine orang-oetans in een platgebrande jungle met grote dreigende machines die alles platwalsen om oliepalmen te planten. Toch zou het verbieden van palmolie geen oplossing zijn, want we moeten niet vergeten dat de opkomst van palmolie direct gerelateerd is aan een alsmaar groeiende vraag naar goedkope oliën en vetten. Fassler beweert dat wanneer palmolie geweerd zou worden uit supermarkten, het probleem niet wordt opgelost omdat er dan simpelweg een alternatief zou worden gevonden. ‘Dat zou nog veel erger zijn, want tot op heden is er niets zo efficiënt als de oliepalm, die maar liefst negen keer zo veel olie per hectare produceert als zijn dichtstbijzijnde tegenhanger. Dit zou betekenen dat als we palmolie willen vervangen door bijvoorbeeld soja- of lijnzaadolie, er een gebied nodig is van negen keer het huidige productieoppervlak, wat zou betekenen dat er nog meer bos gekapt moet worden.’

‘Minder consumeren’, zegt voedingsdeskundige James (39) uit Engeland. ‘Kijk eens naar het soort producten waar palmolie voor gebruikt wordt’, roept hij verontwaardigd uit. ‘Goedkope zeep die slecht is voor je huid en vol zit met chemicaliën en lage kwaliteit koekjes die voornamelijk bestaan uit inferieure bloem, suiker en palmolie. Zo kan ik nog wel even doorgaan. Het probleem is niet de palmolie zelf, maar onze enorme honger naar meer en goedkoper.’ Maar minder consumeren begint bij bewustwording, geeft de Brit toe. Daarom hoopt hij dat het besef bij de eindgebruiker ontstaat dat het belangrijk is om te weten wat er in supermarktproducten zit. ‘Helaas moet je tegenwoordig bijna een afgestudeerd chemicus zijn om etiketten te lezen en te begrijpen. Zelfs in een simpel product als supermarktbrood zitten ingrediënten met namen als L-cysteïne, onbekende voedingszuren, meelverbeteraars en dextrose. De overheid zou nog strengere wetten moeten opstellen waar etiketten aan moeten voldoen of we zouden op jonge leeftijd al moeten leren hoe we al die ingrediënten moeten interpreteren. Want als je het mij vraagt, zou niemand kiezen voor zulke producten als hij echt goed wist wat het was.’ Maar de voedingsdeskundige herhaalt dat het probleem niet zit in de palmolie zelf, maar in de producten waar het in gebruikt wordt. Hij claimt dat de consument door meer bewustzijn sneller geneigd zal zijn andere keuzes te maken.

Over de gezondheidseffecten van de consumptie van palmolie is veel discussie gaande. Volgens het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne (RIVM) komt tijdens verhitting van palmolie de kankerverwekkende stof 3-MCPD vrij. Het Nederlands Voedingscentrum zegt dat palmolie relatief veel verzadigd vet bevat, wat het risico op hart- en vaatziekten vergroot. Het Geneeskundig Instituut van Harvard University (Verenigde Staten) bevestigt in een onderzoek de relatie tussen verzadigd vet en hart- en vaatziekten en suggereert dat olijfolie en lijnzaadolie nog altijd een gezondere keuze zijn, maar dat palmolie nog altijd minder verzadigde vetten bevat dan boter en kokosolie. Toch stelt het American Journal of Cardiology dat nooit onomstotelijk bewezen is dat de verzadigde vetten in palmolie leiden tot verstopte bloedvaten en verhoogde cholesterolwaarden, maar dat de olie eigenschappen heeft die bloedvaten juist beschermen tegen onvoldoende doorbloeding en vetophopingen in de aderen. Volgens het tijdschrift is palmolie niet schadelijk als het deel uitmaakt van een gebalanceerd dieet en in beperkte mate wordt geconsumeerd.

In de mate van consumptie ligt volgens het Wereld Natuur Fonds (WNF) juist het probleem. Op de website van de milieustichting staat een lijst van alledaagse supermarktartikelen waar palmolie in verwerkt is zoals margarine, supermarktbrood, chocola, koekjes en ijs. Maar ook niet-eetbare producten als shampoo, tandpasta, wasmiddel, cosmetica- en schoonmaakmiddelen bevatten palmolie.

Sinds eind 2014 zijn volgens Europese wetgeving fabrikanten verplicht om op het etiket van voedingsmiddelen te vermelden welke plantaardige olie in het product verwerkt is. Op het gebied van cosmetica, zeep en schoonmaakmiddelen is het lastiger. De stichting PalmolieVRIJ, die strijdt tegen de ontbossing voor de teelt van de oliepalm, heeft op haar website een lijst gepubliceerd met ingrediënten die afkomstig zijn van palmolie of waar palmolie vermoedelijk in zit. Dit zijn vaak ingewikkelde scheikundige namen als sodium kernelate, glyceryl stearate, sodium lauryl sulfate en palmitoyloxostearamide. Daarom vinden ook zij dat er meer moet gebeuren om de consument goed op de hoogte te stellen van wat de etiketten op de achterkant van producten in hun kastje eigenlijk zeggen.

Ook boer Ahmat (54) uit Maleisië vindt dat consumenten beter geïnformeerd moeten worden. ‘Ik produceer palmolie omdat mijn familie en ik goed kunnen leven van de teelt. Als ik dan hoor dat consumenten boos zijn dat er palmolie in hun producten zit, vraag ik me altijd af waarom ze niet weten wat er in hun eten zit. Ik gebruik elke dag palmolie om in te koken en heb nergens last van. Als mensen liever geen palmolie willen, dan moeten ze toch gewoon stoppen met producten kopen waar dat in zit?’ Om Ahmat heen staan lange rijen palmbomen tot zover het oog reikt. Hij vertelt dat hier twintig jaar geleden niets dan jungle stond en dat sommige boeren kleinschalige rubberplantages hadden. ‘Totdat de prijs voor rubber omlaag ging en de vraag naar palmolie begon te stijgen. Binnen enkele jaren maakte het bos plaats voor de oliepalm.’

Redenen voor de explosieve groei sinds de jaren tachtig zijn de zoektocht naar niet-genetisch gemanipuleerde oliën, die bovendien vrij zijn van schadelijke transvetten, en een beweging vanuit de voedingsmiddelenindustrie om goedkope alternatieven te vinden voor dierlijke vetten die van oudsher veel gebruikt werden in supermarktproducten. Palmolie is goedkoop te produceren, multifunctioneel en minder schadelijk voor de gezondheid dan enkele andere vetsoorten. Ook wordt de betaalbare olie sinds enkele jaren gebruikt als biobrandstof.

Momenteel consumeert de wereld jaarlijks zo’n zeventig miljoen ton palmolie, meer dan vier keer zoveel als in 1990. Hiermee is het met afstand de meestgebruikte plantaardige olie ter wereld. Ruim vijfentachtig procent hiervan wordt geproduceerd in Indonesië en Maleisië en de grootste afnemers zijn India, China en de Europese Unie, met Nederland als voornaamste importeur in Europa.

Voor de productie van palmolie is ruimte nodig. En die ruimte is in dichtbevolkte landen als Indonesië en Maleisië vooral te vinden in de enorme regenwouden die de landen rijk zijn. Gelokt door de groeiende markt en de relatief hoge opbrengst van de oliepalm, kappen lokale boeren en grote corporaties legaal of illegaal grote lappen oerbos voor hun plantages. Deze kap geeft veel arme boeren de kans om een stabiel inkomen te verdienen, maar het zijn vooral de grote corporaties die verantwoordelijk zijn voor de grootschalige kap. De werknemers in de plantages zijn vaak onderbetaalde krachten en in Maleisië werken er grotendeels gastarbeiders uit Bangladesh en Indonesië in slechte en soms gevaarlijke omstandigheden.

Milieustichtingen maken zich ernstig zorgen over de ontbossing voor de teelt van oliepalmen. Volgens onder andere Greenpeace komen door het kappen en platbranden van de jungle veel schadelijke broeikasgassen vrij en verliezen tienduizenden dieren als tijgers, orang-oetans en olifanten, maar ook inheemse volkeren, hun natuurlijke leefomgeving. Daarbij worden er tijdens de teelt tot wel vijfentwintig verschillende soorten pesticiden ingezet, waaronder de stof glyfosaat, ook terug te vinden in het omstreden bestrijdingsmiddel roundup van het Amerikaanse agrochemische bedrijf Monsanto. Ook wordt de gifstof paraquat veel gebruikt, die in de EU verboden is, maar wel is toegestaan in de landen waar de oliepalm groeit. Daarnaast komen er tijdens de verwerking van palmolie in maalderijen en raffinaderijen afvalproducten vrij. Dit vervuilde palmolieresidu wordt veel gedumpt in rivieren, waardoor de lokale visstand achteruit gaat en het een gezondheidsrisico oplevert voor mensen die stroomafwaarts wonen.

Berichtgeving en bewustwording van de schadelijke milieueffecten van de teelt van de oliepalm hebben in het westen gezorgd voor een andere kijk op palmolie. Zo wil IJsland dit jaar alle producten die palmolie bevatten verbieden en heeft de Europese Unie bepaald dat palmolie vanaf 2019 niet meer gebruikt mag worden als biobrandstof. Door campagnes van onder andere Greenpeace en het WNF worden ook bedrijven en consumenten aangesproken en op de hoogte gesteld van de consequenties van het gebruik van palmolie en worden bedrijven aangespoord over te stappen op alternatieven of op duurzame palmolie.

Ook over duurzaam geproduceerde palmolie is discussie gaande. Volgens Willie Smits van Masarang International, een stichting die zich inzet voor natuurbehoud in Indonesië in samenwerking met lokale bevolkingsgroepen, bestaat duurzaam palmolie namelijk niet. Volgens Smits is elke vorm van landbouw waar houtkap aan te pas komt per definitie niet duurzaam. Greenpeace is het deels met hem eens en focust zich voornamelijk op het voorkomen van houtkap. Maar net als enkele andere actiegroepen werken ook zij aan het verduurzamen van het proces op de huidige plantages en in de productieketen. Volgens enkele labels van duurzame palmolie houdt dit in dat er rekening gehouden wordt met de rechten van werknemers, met de inheemse bevolking in gebieden waar het bos gekapt is, het verminderen van vervuiling tijdens het productieproces en met het gebruik van gevaarlijke pesticiden. Maar de controle is moeilijk in de vaak afgelegen plantages en veel kleinere boeren kunnen de certificeringsprocedure niet betalen, waardoor er nog onduidelijkheid bestaat over hoeveel palmolie er in werkelijkheid duurzaam verbouwd wordt. Toch is ook het WNF positief over de transitie naar duurzame palmolie en heeft de stichting een scorekaart ontwikkeld voor grote bedrijven om te laten zien hoeveel zij bijdragen aan de verduurzaming van hun assortiment. Ook Nederlandse bedrijven als Albert Heijn, Jumbo, Remia en Unilever zijn aangesloten, zodat consumenten zich op de hoogte kunnen stellen van de herkomst van de palmolie in hun producten, aangezien dit doorgaans niet op de etiketten vermeld staat.

Volgens Thomas Mielke, directeur van marktonderzoeksbureau Oil World, bestaat er veel onbegrip bij het publiek over palmolie en heeft het product onterecht een slechte reputatie. Hij beweert dat internationale milieuorganisaties niet het volledige verhaal vertellen, omdat de productiestandaarden niet onderdoen voor die van vergelijkbare producten als soja- en zonnebloemolie.

Er bestaat dus discussie over de gezondheidsrisico’s van palmolie, over de duurzaamheid van het verbouwen en over de alternatieven. Consumenten zitten vast tussen conflicterende informatiestromen en kiezen vaak voor gemak; activisten zitten in een split vanwege de onzekere alternatieven; de producenten zien hun marktaandeel nog altijd stijgen; de impuls tot expansie, en dus meer houtkap, blijft bestaan zolang de markt blijft vragen.

Volgens de Maleisische biologe Adelia (28) is de beste oplossing in de eerste plaats dat er meer controle moet komen op het kappen van regenwouden. ‘Daar moeten Indonesië en Maleisië wel mee geholpen worden, want niemand kan verwachten dat een arm land als Indonesië alles op alles zet om het regenwoud te redden. Ze hebben daar simpelweg niet de middelen voor. Het is een enorm land en de corruptie is groot. Armoede en gebrek aan bewustzijn bij de bevolking zijn grote problemen. Als we stoppen met palmolie consumeren, dan gaan ze rubberbomen planten of misschien sojabonen voor sojaolie. Het kappen van bomen is al een lucratieve business op zich. Daarbij verschaft de branche werkgelegenheid voor bijna vijftig miljoen mensen in arme landen en leveren palmolie-inkomsten een grote bijdrage aan het bruto nationaal product in Maleisië en Indonesië.’

In een zoektocht naar een duurzaam geproduceerde oliesoort voor de toekomst zijn er proeven gaande met onder andere algenolie, maar ook dat is niet geheel omstreden vanwege genetische modificatie en de grote hoeveelheid rietsuiker die nodig is voor de algengroei, wat ook weer veel productieoppervlak vergt. Tot op heden is palmolie veruit de meest efficiënt geproduceerde oliesoort. Dus tenzij consumenten stoppen met het consumeren van producten met olie, lijkt de toekomst van de oliepalm voorlopig verzekerd.

DELEN
Tieme Hermans
Journalist die de wereld rondreist; momenteel in India. Verslaggever.