12.4 C
Amsterdam

De Turkse minderheid in Griekenland mag zichzelf niet Turks noemen

Lees meer

In de Griekse regio West-Thracië wonen duizenden Turken. Ze strijden al tientallen jaren voor hun rechten en identiteit. ‘We worden beschuldigd van het promoten van de Turkse identiteit in Griekenland in een land waar officieel geen Turken wonen.’


De zang van de muezzin mengt zich met de Griekse liedjes van de nabijgelegen tavernes. De moslimbewoners van de Griekse stad Komotini maken zich klaar voor het gebed. Het zijn Turken die sinds de tijd van het Ottomaanse rijk in West-Thracië wonen, een gebied dat grenst aan Bulgarije en Turkije. De minaretten van negen moskeeën torenen uit boven de lage gebouwen van deze 60.000 inwoners tellende stad.

West-Thracië is ‘een voorbeeld van de perfecte co-existentie van Grieken van verschillende religies’, stelde het Griekse ministerie van Buitenlandse Zaken onlangs. De Griekse advocaat Stergios Gialaoglou bevestigt het: ‘Veel van mijn cliënten en vrienden behoren tot de moslimminderheid. We leven hier al meer dan honderd jaar in harmonie.’

Grieken winkelen in Turkse winkels en eten de beste kebab in de stad – bij een Turk. Turken sturen hun kinderen steeds vaker naar staatsscholen in plaats van minderheidsscholen. Daar ontstaan gemengde vriendschappen. Er is meer toenadering tussen de Grieken en de Turkse minderheid, die decennialang in isolatie leefde. Toch is er geen sprake van volledige integratie.

Twee jaar geleden zei Mustafa Mustafa, een parlementariër van Turkse afkomst van de linkse partij Syriza, in een toespraak dat de Turkse minderheid en hun Griekse landgenoten liever naast elkaar leven – ‘ieder in zijn eigen hoekje’. Ook Komotini is nog steeds verdeeld in Turkse en Griekse wijken. Fatih Hüseyinoglu, een jonge IT-er, neemt mij mee voor een rondleiding in de Turkse wijk waar hij sinds zijn geboorte woont.

‘Ik ben niet zeker hoe mijn vrienden zouden reageren als ze wisten dat ik Turks ben’

We passeren lage huizen met armoedig pleisterwerk. Ze staan licht voorovergebogen of leunen tegen de aangrenzende gebouwen. Hüseyinoglu rijdt voorzichtig. ‘Het is een schande. We leven in de Europese Unie. Maar deze wegen lijken uit de Middeleeuwen te komen.’

Hüseyinoglu heeft veel Griekse vrienden. Ze praten over alles, behalve politiek en zijn afkomst. ‘Ik snijd dit onderwerp liever niet aan. Ik ben niet zeker hoe ze zouden reageren als ze wisten dat ik Turks ben.’

Hij is niet de enige. Veel mensen, waaronder journalist en politicus Mustafa Sargo, zijn bang om hun Turkse identiteit te onthullen. ‘Ik bid dat mijn Griekse vrienden van mijn wielerploeg mij niet zullen vragen of ik me Turks of Grieks voel.’ De 27-jarige Sargo is de enige Turk in deze groep. Daar is hij trots op, want hij zou toegeven dat hij tot de minderheid behoort. ‘Ik vind het confronterend dat zelfs ik – een persoon met voldoende sociaal kapitaal – zulke angsten heeft. Hoe zit het dan met mensen die zich in een precaire positie bevinden?’

De vraag naar etniciteit valt geregeld tijdens de dienstplicht. Ozan Ahmetoglu, Sargo’s collega van de redactie van de minderheidskrant Gündem, vertelt wat een van zijn vrienden heeft meegemaakt. ‘De luitenant vroeg hem of hij zich een Turk of een Griek voelde. Hij antwoordde dat hij een Turk was. De volgende dag werd hij vernederd in het bijzijn van alle rekruten. De luitenant dreef de spot met hem en legde uit waarom hij geen Turk was. Die jongen kreeg daarna psychische problemen. Hoe kan je zo spelen met iemand zijn identiteit?’

Bevolkingsuitwisseling

Tot de jaren zeventig gebruikten de Griekse autoriteiten afwisselend de termen ‘moslimminderheid’ en ‘Turkse minderheid’. De houding van politici begon te veranderen na de pogroms op de Griekse minderheidsgemeenschappen in Istanbul en andere Turkse steden in 1955. De gevolgen van die gebeurtenissen waren voelbaar voor de Turken in Thracië – de volgende 35 jaar werden hen bepaalde basisrechten onthouden. Ze mochten onder meer geen grond kopen of een rijbewijs bezitten. Na een wetswijziging verloren bovendien ongeveer 60.000 mensen met een Turkse etnische achtergrond de Griekse nationaliteit.

‘Sindsdien heerst het principe van wederkerigheid in de Grieks-Turkse betrekkingen: wat er met de Griekse minderheid in Turkije gebeurt, gebeurt er ook met de Turkse minderheid in Grienland, en vice versa, zegt Konstantinos Tsitselikis, docent Balkan-, Slavische en Oosterse Studies aan de Universiteit van Thessaloniki. ‘We hebben ook te maken met een constant spel van leugens en laster. Het is een vicieuze cirkel. We zijn tot stilstand gekomen omdat beide partijen overdrijven: Turkije heeft harde kritiek op de situatie van de Turkse minderheid in Griekenland en negeert de positieve veranderingen. Griekenland ontkent op haar beurt alles en beschouwt het gebruik van de term ‘Turkse minderheid’ door de Turkse politici als de grootste provocatie’, zegt Tsitselikis.

Nationale minderheden zijn de gijzelaars geworden van het lange conflict tussen Griekenland en Turkije. De bescherming van de minderheden werd meermaals als een voorwendsel gebruikt voor een inmenging en zelfs een invasie. Zoals vlak na de Eerste Wereldoorlog, toen het koninkrijk Griekenland het leger naar Anatolië stuurde om de Grieken in Smyrna (het huidige Izmir) te beschermen.


Om nieuwe etnische conflicten te voorkomen, vond er na de Grieks-Turkse oorlog van 1919-1922 een bevolkingsuitwisseling plaats. Meer dan een miljoen orthodoxe gelovigen – voornamelijk Grieken – werden toen verdreven uit Turkije en ongeveer 300.000 moslims van verschillende nationaliteiten moesten Griekenland verlaten. De uitwisseling gold echter niet voor de Grieken uit Istanbul en de Turken uit West-Thracië. Het in Lausanne gesloten vredesverdrag garandeerde deze minderheden alle rechten, waaronder vrijheid van godsdienst en taal.

Het verdrag uit 1923 keert terug als een mantra in verhalen over de Griekse Turken. Vertegenwoordigers van de moslimminderheid citeren artikelen die hen autonomie zouden moeten geven, maar die niet worden gerespecteerd. De Griekse autoriteiten herhalen daarentegen dat het verdrag alleen de moslimminderheid vermeldt. Het dient als excuus om de Turkse minderheid niet officieel te erkennen – hoewel mensenrechtenorganisaties Griekenland al jaren oproepen om dat wel te doen.

Angst voor een tweede Noord-Cyprus

Advocaat Gialaoglou vreest de imperialistische aspiraties van de Turkse president Recep Tayyip Erdogan, die zijn invloed probeert uit te breiden op de Balkan, met name in die landen met een islamitische meerderheid: Albanië, Bosnië-Herzegovina en Kosovo. Ook vreest hij dat de geschiedenis zich zal herhalen. ‘We willen niet het tweede Cyprus zijn.’

Cyprus, het op twee na grootste eiland in de Middellandse Zee, is de sleutel tot het begrijpen van de geschiedenis van discriminatie van de Turkse minderheid in West-Thracië, zegt academicus Tsitselikis. ‘Alle repressie die de minderheid in Griekenland heeft meegemaakt, is een echo van de gebeurtenissen op Cyprus. Dit is een gevoelig onderwerp waar niet over wordt gepraat.’

Vanaf 1878 tot 1960 heersten de Britten over Cyprus, een eiland dat bevolkt wordt door Grieken en Turken. In 1960 werd er een onafhankelijke staat gevormd, hoewel de Griekse Cyprioten wilden dat hun eiland onderdeel van Griekenland zou worden, en veel Turkse Cyprioten aansluiting van Cyprus bij Turkije wensten. In 1974 heeft Turkije het noordelijke deel van Cyprus geannexeerd. Angst voor een nieuwe invasie van Turkije – deze keer in West-Thracië, waar ongeveer 140.000 moslims wonen – leeft sterk. ‘Vandaar ook de afkeer van de Turkse minderheid: mensen zijn bang voor een Turkse aanval’, zegt Tsitselikis, die zo’n scenario heel onwaarschijnlijk vindt. ‘Erdogan zal geen lidstaat van de Europese Unie binnenvallen. Het is normaal dat de staat de diaspora verdedigt. Griekenland verdedigt ook de rechten van Grieken in Albanië. Maar dat is geen reden om paranoïde te worden.’

Woordenstrijd

Door het aanhoudende conflict op Cyprus werd de Turkse minderheid in Griekenland nog meer gemarginaliseerd. Al voor de invasie van Noord-Cyprus begonnen borden met het woord ‘Turks’ uit de openbare ruimte te verdwijnen. Eerst verwijderde men het bijvoeglijke naamwoord uit de namen van minderheidsscholen. Later, in 1988, verbood het Griekse Hof van Cassatie ook drie verenigingen het woord ‘Turks’ in hun naam te vermelden.

‘Onze stichting, Turkse Xanti Unie, is de oudste organisatie die de culturele ontwikkeling van de Turkse minderheid ondersteunt’, legt de huidige voorzitter Ozan Ahmetoglu uit. ‘Al veertig jaar strijden we voor ons bestaan. Rechtbanken wijzen verzoeken tot herregistratie af en de Griekse regering heeft de beslissingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 2007 en 2008 nog steeds niet geïmplementeerd.’

Het Hof oordeelde toen dat Griekenland het artikel van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens betreffende de vrijheid van vereniging had geschonden. Ahmetoglu gelooft dat de Griekse autoriteiten de uitspraken van het Hof eindelijk zullen accepteren.

Hij wacht niet zomaar en blijft schrijven over minderhedenkwesties, omdat ‘de media de macht hebben – ze creëren ons beeld van de wereld’. Maar ze kunnen de publieke opinie ook manipuleren. Ahmetoglu heeft dit meermaals ondervonden toen zijn foto’s en die van andere collega’s van de redactie in de Griekse kranten verschenen.

‘De hele situatie is absurd – de Grieken noemen de Turkse minderheid Turken, maar zelf mogen ze zich zo niet noemen’

‘Krantenkoppen zoals ‘Turkse spionnen’, ‘Ankara-agenten’ zijn de norm. De Griekse mainstream media gebruiken consequent de term ‘illegaal’ om naar onze vereniging te verwijzen. Zo worden we gecriminaliseerd. Daardoor denken mensen dat we terroristen zijn die een bedreiging vormen voor de openbare orde. Dit is ook het officiële standpunt van de rechtbanken en autoriteiten – we worden beschuldigd van het promoten van de Turkse identiteit in Griekenland in een land waar officieel geen Turken wonen’ zegt Ahmetoglu.

In het verhaal van de gerechtelijke strijd van verenigingen gaat het niet om rechtshandhaving, maar om politiek – daarover zijn Sargo, Ahmetoglu en Tsitselikis het eens. ‘De Griekse regering maakt de fout om zware juridische middelen in te zetten in een woordenstrijd, het gebruik van het adjectief ‘Turks’’, zegt Konstantinos Tsitselikis. ‘De hele situatie is absurd – de Grieken noemen de Turkse minderheid Turken, maar zelf mogen ze zich zo niet noemen.’

Turken vormen geen uitzondering. Griekenland erkent geen etnische minderheden. Macedoniërs en Albanezen, net als Turken, bestaan ​​gewoon niet. En academici als Tsitselikis worden vijanden van het moederland genoemd omdat ze het tegendeel durven te beweren.

Nu u hier toch bent...

Goede journalistiek kost geld. Leden en donaties maken onze gebalanceerde berichtgeving over biculturaliteit, zingeving en vrijheid mogelijk. Steun ons daarom als u ons werk belangrijk vindt.

Vertel mij meer!

- Advertentie -