Leven onder de Rode Khmer

Foto's: Tieme Hermans
‘Of de Rode Khmer-tijd uiteindelijk goed of slecht was, dat weet ik niet, maar ik weet wel dat het leven vroeger een stuk eenvoudiger was.’

Ontruiming van de steden en collectieve verhuizing naar het platteland om daar als dwangarbeider rijst te verbouwen. Afschaffing van geld, familie, woorden die individualiteit uitrukken. Executies, foltering, hongersnood en verdwijning. Het leven van een Cambodjaan onder het bewind va de Rode Khmer anno 1975. Een nachtmerrie. Toch kijken sommige Cambodjanen met opmerkelijke mildheid terug op de horror van Pol Pot (1925-1998). Veertig jaar na dato doet de Kanttekening verslag vanuit Cambodja.

Vanuit het rijstveld zagen de boeren een hoge muur die verrees rond de plek waar vroeger een meertje lag. Ze zagen niet wat er achter die muur gebeurde en hoorden slechts nationalistische muziek uit de luidsprekers schallen. Wat muziek en de muur moesten verhullen was dat het vroegere meertje in een executieplaats annex massagraf was veranderd waar duizenden landgenoten omgebracht werden. Mannen, vrouwen en kinderen, tot volksvijand bestempeld en op beestachtige wijze omgebracht.

Dit jaar is het precies veertig jaar geleden dat het Vietnamese leger Cambodja binnenviel en het land bevrijdde uit de ijzeren greep van de ultra-maoïstische Rode Khmer. Overal in Cambodja zijn de sporen nog te zien van de allesverwoestende genocide die het regime van Pot pleegde, toch kijken niet alle Cambodjanen met donkere blik terug op deze jaren.

De machtsovername van Pot in het door oorlog verscheurde Cambodja van 1975 was het startsein voor een bizar communistisch experiment. De verwezenlijking van een utopie die zijn wortels had in de communistische ideeën van Mao Zedong (1893-1976). Cambodja moest een enorm boerencollectief worden en de grootste rijstproducent ter wereld, geleid door boeren en met niets anders dan boeren. Na de machtsovername schafte Pot het geld af, verbrak hij vrijwel alle betrekkingen met het buitenland, sloot hij scholen, postkantoren, tempels en ziekenhuizen en evacueerde hij de gehele bevolking onder dwang uit de steden. De hoofdstad Phnom Penh veranderde in een spookstad en in lange colonnes werden haar bewoners op vaak dodelijke marsen naar werkkampen en collectieve boerderijen op het platteland gestuurd. Iedereen, inclusief zieken, mensen met een beperking en jonge kinderen werd de rijstvelden in gedreven om zich daar twaalf tot vijftien uur per dag kapot te werken. Wie zich verzette of niet mee kon komen werd ter plekke geëxecuteerd. Datzelfde gold ook voor wie als klassenvijand werd aangemerkt. En dat waren er heel wat – ambtenaren en militairen van de verdreven regering Lon Nol, geestelijken, de intelligentsia. Kunnen lezen en schrijven was een gevaarlijke vaardigheid, zelfs het dragen van een bril kon een doodvonnis betekenen.

‘Als je wilt vissen, moet je eerst het water zuiveren’, zei één van de Rode Khmer-leiders Khieu Samphan (1931-) tegen zijn volgelingen. De eenenzestigjarige boer Kosal is voormalig lid van de Rode Khmer en begrijpt wel waarom het regime de samenleving moest zuiveren voordat ze echt resultaat kon boeken. ‘Ik moet ook mijn rijstveld omspitten en ongewenste elementen verwijderen. De vraag is alleen: hoe ver wil je gaan?’ Op de vraag of Kosal wist wat er gebeurde met deze die ongewenste elementen, kijkt hij wat stil voor zich uit en zucht. ‘We wisten niets, maar vermoedden het.’

In slechts drie jaar, acht maanden en twintig dagen kwam naar schatting ruim een kwart van de circa acht miljoen Cambodjanen om het leven door ondervoeding, ziekte of executie in één van de zogenaamde killing fields. Deze ‘moordvelden’ waren vaak niet meer dan een ommuurd stuk land of een open plek in de jungle waar vijanden van het regime werden omgebracht. In Choeung Ek, één van de talloze kampen, werden in deze periode naar schatting circa zeventienduizend gevangenen uit de hoofdstad Phnom Penh geëxecuteerd. Om kogels uit te sparen gebruikte de Rode Khmer alles wat ze maar om handen had zoals schoffels, knuppels en zelfs gekartelde palmbladeren waarmee slachtoffers de keel mee werd doorgesneden.

Ook in Anlong Veng, gelegen in een bergachtig gebied aan de Thaise grens, vonden massamoorden plaats, ondanks dat de steun voor de Rode Khmer hier groot was. Het was in deze afgelegen en moeilijk toegankelijke regio waar de guerrilla’s al in begin jaren zeventig hun basis hadden en de dienst uitmaakten. En ook hier, in de jungle niet ver buiten het stadje, ligt een killing field waar naar schatting circa drieduizend mensen zijn omgebracht.

De vierenveertigjarige Sokoeun geeft les op de middelbare school van Anlong Veng. Hij legt uit dat toen de Vietnamezen in 1978 het land binnenvielen om de Rode Khmer te verjagen, veel leiders van het regime zich als guerrilla’s in deze dunbevolkte, dicht begroeide en bergachtige regio vestigden. ‘De Vietnamezen hadden het gebied echter nooit echt onder controle en toen zij hun troepen in 1989 terugtrokken en het land overdroegen aan de nieuwe regering van Hun Sen, bleef de Rode Khmer hier de lakens uitdelen.’ Het bewind van de Rode Khmer in Anlong Veng duurde voort tot de partij in 1997 uiteenviel en Pot in 1998 onder verdachte omstandigheden stierf.

Volgens Sokoeun deed de Rode Khmer goede dingen voor de boeren zoals het graven van irrigatiekanalen. ‘Maar… werd je bestempeld als ongewenst element, dan belandde je daar. Ook in Anlong Veng leefden mensen in angst’, zegt hij, wijzend in de richting van de dichte jungle.

‘De dag dat de soldaten van de Rode Khmer kwamen, was iedereen bang’, vertelt de zeventigjarige tuinman Chanthou uit een dorpje vlak buiten Anlong Veng. ‘Lokale vrijwilligers, gewoon jongens uit de buurt, kwamen gewapend langs de deur om al ons kookgerei in beslag te nemen. Vanaf die dag bepaalden zij wanneer, wat en vooral hoeveel we te eten kregen in gemeenschappelijke gaarkeukens.’ Om aan wapens te komen, verkocht de Rode Khmer zoveel mogelijk rijst uit de landbouwcollectieven aan China. Ten koste van de voedselvoorziening voor de bevolking. Boeren kregen dagelijks vaak niet meer dan twee kleine kommetjes waterige rijstpap. Wat natuurlijk volstrekt ontoereikend was voor mensen die van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat op het land werkten. ‘Wij hadden gelukkig nog een paar bananenbomen en wat groenten die we naast ons huis verbouwden,’ legt Chanthou uit. ‘Maar de stadsmensen hadden het pas echt zwaar. Zij kwamen in een lange stoet vanuit de steden naar de dorpen gelopen en werden van de ene op de andere dag gedwongen om op het land te werken. Als ze moe waren, werden ze geslagen en veel ervan werkten letterlijk tot ze erbij neervielen.’ De lokale vrijwilligers kregen het recht om vijanden van de Rode Khmer te doden. ‘Ze konden je al doden als je te moe was om te werken, een bril droeg of een banaan plukte voor je hongerige kind.’

Chanthou en zijn familie zeggen er vrij goed vanaf te zijn gekomen omdat ze al op het platteland woonden en gewend waren aan het zware werk. Ook werden boeren vaak beter behandeld dan de dwangarbeiders uit de stad, omdat zij al voldeden aan het klasseloze ideaal van Pot waarin iedereen boer was. Toch werden ook de boeren in Anlong Veng gedwongen in een collectief te wonen, werden traditionele familiebanden verboden en leefden ze in de permanente angst om van de ene op de andere dag te verdwijnen.

De drieënvijftigjarige Taing is rijstboer. Hij gelooft dat Pot in wezen niet zo slecht was. ‘Hij zorgde goed voor de boeren en had een hele eerlijke maatschappij voor ogen, maar zijn plannen werden gedwarsboomd door de KGB, de CIA en de Vietnamezen, die allemaal streden om invloed over Cambodja.’ Taing vertelt dat de leiders van de Rode Khmer paranoïde werden en ze niet meer wisten wie ze konden vertrouwen, waardoor hun zuiveringsacties steeds agressiever en willekeuriger werden. ‘Het water bleef troebel en de Rode Khmer zag steeds meer vijanden. Aan deze paranoia ging de staat ten onder.’

Taings vader werd op jonge leeftijd uit eigen overtuiging lid van de Rode Khmer, maar over wat hij precies in die duistere jaren deed werd nooit gepraat. ‘Dat is iets Cambodjaans. Ik weet dat er schaamte is over wat er gebeurd is in die jaren, dus uit respect heb ik hem zijn verhaal mee in het graf laten nemen.’ Wel weet Taing dat zijn vader geen echte communist was en dat de meeste guerrilla’s onopgeleide boerenjongens waren die geen kennis hadden van politiek, maar die wel geloofden in een Cambodja voor de Cambodjanen, gezuiverd van buitenlandse invloeden en geleid door mensen die in ogen van de Rode Khmer een puur en eerlijk leven leiden, de boeren dus.

Net als zijn buren woont Taing in een eenvoudig houten hutje op palen met een golfplaten dak en reclamedoeken als isolatie. Binnen liggen vloermatrasjes, een paar boeken en een oude radio. Onder het huisje wordt gekookt en scharrelen wat kippen rond. In de naastgelegen hutjes liggen mannen in hangmatten te wachten tot de heetste uren van de dag voorbij zijn en kinderen in gescheurde kleren rennen buiten rond. Overal ligt plastic en half verbrand huisafval.

Anlong Veng. Het is niet moeilijk je voor te stellen hoe het er hier enkele decennia geleden uitzag. Net als in de omringende dorpen zijn de meeste huisjes nog altijd gemaakt van hout en golfplaten. In het droge seizoen zijn de straten droog en stoffig, in het regenseizoen verandert alles in een modderpoel. Het Rode Khmer-leger van jonge, ongeschoolde boeren dat destijds uit dit afgelegen oord naar de hoofdstad Phnom Penh reisde, moet zich verbaasd hebben over de weelderige koloniale villa’s, de witte overheidsgebouwen en de luxe restaurants aan de oever van de rivier. En de propaganda geloofd hebben dat de stadse rijkaards armoede en ongelijkheid hadden veroorzaakt en vijanden van het volk waren.

Sinds het verdwijnen van de Rode Khmer is het leven op het platteland er in materieel opzicht zeker op vooruit gegaan. Er is stroom, veel mensen hebben een brommer en verderop staat een dorpskliniek. In het stadje Anlong Veng staat zelfs een ziekenhuis, vind je banken en een casino, iets wat veertig jaar geleden ondenkbaar zou zijn geweest. Volgens Taing gaat de verandering snel. ‘Mensen hebben mooie kleren, een smartphone en denken aan geld. Misschien hebben ze geleerd dat het communisme van Pot niet werkt en proberen ze nu het kapitalisme uit.’ Taing zelf leende geld bij de bank om te investeren in een stal en een paar varkens. Zo hoopt hij extra inkomen te genereren om zijn zoon naar de universiteit te kunnen sturen, want de kans op werk hier in dit gebied is klein. ‘Ik wil niet dat hij rijstboer wordt zoals ik. We hebben slechts anderhalve hectare aan grond, de prijs voor rijst is erg laag en het werk is zwaar.’

De Vietnam-oorlog, de verschrikkingen van Pots revolutie, het corrupte bewind van Hun Sen en de erfenis van geweld en genocide. Het land is niet alleen getraumatiseerd en gedebiliseerd, Cambodja behoort tot één van de armste landen ter wereld. Corruptie tiert er welig en jaarlijks komen nog tientallen mensen om het leven door de vele landmijnen die er liggen of door onontplofte munitie. Anlong Veng is net als voor, tijdens en na de boerenrevolutie van Pot nog steeds één van de armste regio’s van het land. ‘We hebben het net iets minder slecht dan vroeger,’ zegt Taing. ‘Maar nu moeten we ons zorgen maken om ons pensioen, leningen, schoolgeld voor onze kinderen en een nieuwe brommer. Of de Rode Khmer-tijd uiteindelijk goed of slecht was, dat weet ik niet, maar ik weet wel dat het leven vroeger een stuk eenvoudiger was.’

DELEN
Tieme Hermans
Journalist die de wereld rondreist; momenteel in Cambodja. Verslaggever.