‘Mensen die kritiek hebben op Bouterse moeten nog steeds oppassen’

Foto: AP
Het Surinaamse OM eist gevangenisstraf tegen twee verdachten van de December-moorden. De Kanttekening sprak over de zaak met advocaat Gerard Spong en journalist Sam Jones.

Het Openbaar Ministerie in Suriname eist twintig jaar gevangenisstraf tegen voormalig bataljonscommandant Etienne Boerenveen en voormalig legerleider Arthy Gorré voor hun rol in de December-moorden. Aanklager Roy Elgin heeft die eis onlangs bekendgemaakt in Paramaribo. Volgens de aanklager blijkt uit getuigenverhoren dat Boerenveen nauw betrokken was bij het voorbereiden en uitvoeren van de moorden. Gorré zou verantwoordelijk zijn geweest voor de gang van zaken op 7, 8 en 9 december. Toen brachten militairen de opgepakte tegenstanders van het regime naar Fort Zeelandia, het hoofdkwartier van het regime. Gorré beweert dat hij een groot deel van de tijd niet aanwezig was in Fort Zeelandia, maar getuigen weerspreken dat.

De December-moorden vonden plaats in 1982. In de nacht van 8 op 9 december zijn vijftien tegenstanders van het militaire regime doodgeschoten in Fort Zeelandia. De slachtoffers waren tegenstanders van het regime van Desi Bouterse, de huidige president van Suriname. Bouterse wordt ervan verdacht betrokken te zijn bij de moorden en is hoofdverdachte in de rechtszaak. In juni is twintig jaar cel geëist tegen hem.

Suriname heeft jarenlang niets met de moorden gedaan en in 2000, een maand voordat de verjaringstermijn verliep, kwam er eindelijk een gerechtelijk onderzoek. Het duurde toen nog tot 2007 voordat het proces van start ging. Het proces is al meerdere keren uitgesteld, mede door de vele verweren van de advocaten van Bouterse en door de omstreden amnestiewet die het parlement aannam. Door de wet zouden Bouterse en vijfentwintig andere verdachten niet berecht worden. Nabestaanden van slachtoffers dienden een verzoek in om alsnog vervolging te starten en eind 2015 gaf het Hof van Justitie het OM de opdracht dat te doen. Halverwege 2016 beriep Bouterse zich op grondwetsartikel 148 waarin staat dat de president opdracht kan geven de vervolging te staken als de staatsveiligheid in het geding komt. De Krijgsraad trok zich daar niets van aan. De opdracht tot het stoppen van de vervolging was volgens de voorzitter gericht aan het OM en niet aan de raad. Het OM ging vervolgens in beroep bij het Hof van Justitie tegen het besluit van de Krijgsraad om door te gaan. Het hof verklaarde dat hoger beroep niet-ontvankelijk, omdat daarvoor geen wettelijke basis was.

Bloedvergieten
Hoewel advocaat Gerard Spong, die jarenlang adviseur was voor de Surinaamse regering over de December-moorden, ten tijde van de moorden al lang advocaat was in Den Haag, trekt hij het zich wel aan. ‘Ik vind het afschuwelijk wat er gebeurd is. Ook al ben je feitelijk niet ter plekke aanwezig. Vooral de betrokken advocaten heb ik zeer goed en van dichtbij gekend, ik had veel contact met hun.’

Journalist Sam Jones woonde tot kort na de moorden in Suriname. Bouterse was een paar jaar voor de moorden zelfs zijn overbuurman. ‘Ik zat toen op de middelbare school. Bouterse woonde tegenover mij in de straat in Paramaribo. Ik kende hem vrij goed, in die zin dat we buren waren en zo met elkaar omgingen. Ik heb ooit nog een badmintonracket van hem cadeau gekregen. Vroeger was Bouterse voor veel Surinamers een groot voorbeeld. Hij was jong en energiek, stond altijd vroeg op, ging joggen en had een positieve uitstraling. Men geloofde in 1980 in hem. Hij was charismatisch en de bevolking wilde verandering na de strenge regels in het leger en de grote corruptie in het land.’ Volgens Jones moesten er dingen veranderen in Suriname, maar was de coup van Bouterse en de zijnen daar niet de juiste manier voor. ‘Er ontstond angst in de samenleving en Maurice Bishop, vriend van Bouterse’s revolutie en premier van Grenada, riep op tot bloedvergieten en eliminatie. De coup ontaarde in een dictatuur en er kwam veel kritiek van studenten, docenten, advocaten en journalisten. Je moest echt uitkijken met wat je zei. Critici van Bouterse zijn toen van hun bed gelicht en hij heeft hun laten executeren. Hij kon niet tegen kritiek en was bang dat hij weer het onderspit zou delven. Hij zei op de televisie ‘het is zij of wij die eraan gaan’. Het staat voor mij als een paal boven water dat hij verantwoordelijk is voor de moorden en misschien ook wel een dader is geweest.’

Voor Jones was er een periode vóór 1982 en een periode na 1982, omdat er veel veranderd is in Suriname. ‘Ik ben zelf naar Nederland gegaan om journalistiek te studeren, want in Suriname was in die periode absoluut niet het klimaat om verder te leren. De angst zat er goed in. Heel die situatie heeft ervoor gezorgd dat ik vertrok. Dat was niet mijn eerste keuze, maar ik wilde echt weg, dat gold voor meer mensen.’

Verdeeld
De Surinaamse bevolking is verdeeld over het onderwerp. Jones: ‘Dat komt omdat er geen alternatief is voor Bouterse. De huidige oppositie heeft geen aansprekende leider. Een andere reden is dat 1982 voor veel mensen lang geleden is. Een groot deel van de bevolking heeft de revolutie en de December-moorden niet meegemaakt. Verder is iedereen sinds 1982 vooral met zichzelf bezig, niet met het land. Men vindt het allemaal wel best zo. Bouterse belooft van alles, maar zit zelf ook in een heleboel onduidelijke toestanden, zoals drugshandel. Er was onlangs nog nieuws over drugshandel, waarin Bouterse niet expliciet genoemd wordt, maar je kunt er donder op zeggen dat er wel een link moet zijn. De Surinaamse pers durft dit soort zaken ook niet echt bloot te leggen. Ik ben zelf ook voorzichtig en ik woon daar niet eens. Mensen die kritiek hebben op Bouterse moeten nog steeds oppassen.’ Voor de Surinaamse gemeenschap in Nederland is dat volgens Jones anders. ‘Hier is de betrokkenheid minder. Een relatief kleine groep vindt het belangrijk, een andere groep interesseert het niet en er is een heel kleine groep aanhangers van Bouterse. In Nederland zijn er meer mensen die kritisch zijn. Ik hoor zelfs dat sommige mensen Suriname hebben afgeschreven hebben, ze hebben de hoop opgegeven en afstand gedaan van het land.’

Hoop
Nabestaanden hebben de hoop nog niet opgegeven. Jones vindt het van groot belang dat het proces wordt voortgezet. ‘Het is niet alleen iets van de nabestaanden, maar een zaak van de totale Surinaamse samenleving’. Ook Spong heeft hoop op een goede afloop. ‘Er gaat uiteindelijk een uitspraak komen, daar ben ik van overtuigd. Hoe je het ook wendt of keert, het komt stap voor stap dichterbij, zelfs in een land als Suriname.’ Hij hekelt de manier waarop Bouterse zich opstelt. ‘De houding van Bouterse is buitengewoon laf. Hij mag ontkennen zoveel hij wil, dat is het recht van iedere verdachte, maar ik vind het ronduit laf dat hij niet in de rechtszaal verschijnt en daar zijn verhaal doet. En ik vind het een vorm van minachting naar de Surinaamse rechter. Hij schreeuwt wel overal van de daken dat hij politieke verantwoordelijkheid neemt voor het een en ander, maar laat hem dat maar even komen uitleggen in de rechtszaal en laat hij zich daar ook maar onderwerpen aan kritische vragen. Maar hij gaat die kritische vragen uit de weg door gewoon niet te verschijnen en dat vind ik laf. Ik acht de kans dat hij toch gaat verschijnen voor de rechter zeer onwaarschijnlijk en hetzelfde geldt voor de kans dat hij gaat bekennen. U kunt zich voorstellen dat de slachtoffers en nabestaanden snakken naar gerechtigheid. Ze blijven het proces op de voet volgen en geven de moed niet op. Ik ben zeer nauw betrokken bij het proces en de nabestaanden, maar meer dan dat kan ik daar niet over zeggen.’

Jones weet niet hoe lang Bouterse het proces nog kan rekken. ‘Dat is moeilijk, geen idee eigenlijk. Persoonlijk maakt het mij niet uit wat de uitspraak is, als er maar een uitspraak is. Zodat het afgerond is en duidelijk wordt wat wel en niet door de beugel kan, want het is te gek voor woorden dat iemand verantwoordelijk is voor moord, maar daar geen straf voor krijgt. Je merkt wel dat Bouterse op verschillende plekken mensen benoemt die officieel geen functie hebben binnen de regering, maar ineens gebombardeerd worden tot adviseur van de president. Dat zijn vaak oude vrienden die ook belangen hebben. Hij is dus voortdurend aan het bekijken hoe hij zijn positie kan verstevigen. Hij is zich aan het indekken voor als het misgaat. Als dit voorbij is kan een nieuwe start gemaakt worden in het land, dat is nodig.’

DELEN
Jesse Voorn
Journalist gespecialiseerd in politiek en maatschappij.