17 C
Amsterdam

‘Nederlandse regering liet Papoea’s als een baksteen vallen’

Ewout Klei
Ewout Klei
Journalist gespecialiseerd in politiek en geschiedenis.

Lees meer

Nieuw-Guinea zou tot 1962 een Nederlandse kolonie blijven. Was het een ‘troostprijs’ voor het verloren Nederlands-Indië, waar Nederland tegen beter weten in aan wilde vasthouden? Historici zetten hier hun vraagtekens bij.

Lange tijd was Nieuw-Guinea een ondergeschoven kindje in de geschiedschrijving over het Nederlandse kolonialisme in de Oost, de epiloog van de geschiedenis van Nederlands-Indië. Toen Nederland op 27 december 1949 de soevereiniteit overdroeg aan de Republiek Indonesië werd westelijk Nieuw-Guinea daarbuiten gehouden. Nederlanders zouden Nieuw-Guinea als kolonie willen behouden, omdat ze de Indonesische onafhankelijkheid ervoeren als een trauma. Maar klopt deze traumathese wel?

Historicus Bart Stol, die over de dekolonisatie van Nieuw-Guinea een proefschrift schreef, betoogt dat deze these op een misverstand berust. ‘Je moet de Nederlandse koloniale politiek vergelijken met die van andere koloniale mogendheden: het Britse Rijk, Frankrijk en België’, vertelt hij. ‘Na de Tweede Wereldoorlog zie je dat de Britten en Fransen zich gaan richten op de naar westerse maatstaven nog erg ‘onderontwikkelde’ kolonies die ze in de decennia daarvoor maar weinig aandacht hadden gegeven, met als doel hen op te stoten in de vaart der volkeren.’

‘Begin jaren vijftig dachten we dat we nog jaren in Nieuw-Guinea zouden blijven’

Daarnaast is Nieuw-Guinea etnisch en geografisch heel anders dan de rest van Indonesië, vervolgt Stol. ‘Dat idee leefde al voor de oorlog in Nederland en Indië.’ Dat Nieuw-Guinea buiten de soevereiniteitsoverdracht van 1949 werd gehouden was dus niet primair ingegeven door ‘irrationele’ motieven zoals frustraties over het verlies van Indië. Er waren hier – zeker volgens de logica die toen gold – goede argumenten voor. Aanvankelijk was er internationaal gezien ook veel steun voor het Nederlandse koloniale beleid in Nieuw-Guinea. Maar uiteindelijk zijn de Verenigde Staten van mening veranderd, mede omdat in Nederland de publieke opinie veranderde. Veel Nederlanders wilden geen oorlog met Indonesië riskeren. De Verenigde Staten waren toen niet meer bereid om Nederland te steunen. En ook omdat ze bang waren dat Indonesië in het kamp van de Sovjet-Unie zou belanden, dat president Soekarno met moderne wapens steunde.’

Thuisland voor Indische Nederlanders

De motieven van Nederland om in 1949-1962 aan Nieuw-Guinea vast te houden, hadden te maken met moraal – de paternalistische wens om de Papoea’s ‘opvoeden’ en ‘ontwikkelen’. Het kolonialistische idee van White Man’s Burden. Daarnaast ging het om eigenbelang: Nederland wilde een voet aan de grond hebben in Zuidoost-Azië. Economische motieven waren van ondergeschikt belang, aldus Stol. ‘Nederlands Nieuw-Guinea was juist een kostenpost.’ Een laatste argument was dat Nieuw-Guinea een nieuw thuisland kon worden voor Indische Nederlanders die niet meer welkom waren in Indonesië, maar niet naar Nederland wilden. ‘Begin jaren vijftig dachten we dat we nog jaren in Nieuw-Guinea zouden blijven. We hadden nog tientallen jaren de tijd om de Papoea’s klaar te stomen voor zelfbeschikking. Maar het werden uiteindelijk slechts dertien jaren.’

Een andere historicus die veel over Nieuw-Guinea weet is Karel Davids, tot zijn emeritaat hoogleraar Economische en Sociale Geschiedenis aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. Eerder dit jaar verscheen zijn boek Een laat koloniaal experiment. Hollandia, Nieuw-Guinea, 1944-1962. Centraal in zijn boek staat Hollandia, het huidige Jayapura, dat tot 1962 de hoofdstad van de Nederlandse kolonie was. ‘Nederlands Nieuw-Guinea was geen Nederlands-Indië in het klein, en Hollandia was geen Batavia (het huidige Jakarta, red.)’, vertelt hij. ‘In Batavia was er een samenleving van trappetjes, van strikt gescheiden bevolkingsgroepen. Dit was ook vastgelegd in wet- en regelgeving. Maar in Hollandia was dat niet zo. Het bestuur maakte onderscheid tussen de verschillende groepen – Europeanen, Aziaten en Papoea’s – maar Aziaten en Papoea’s hadden niet per definitie een lagere positie. Dat was een groot verschil met buurland Papoea-Nieuw-Guinea, op dat moment een kolonie van Australië. Daar was racisme vastgelegd in de wet. In de praktijk was er natuurlijk wel ongelijkheid en helaas ook racisme, maar Papoea’s konden opklimmen in de hiërarchie, doorstromen naar hogere functies. Het laatste hoofd van het plaatselijke bestuur (hpb) was een Papoea.’

Auto’s, huishoudelijke spullen en de bioscoop

In zijn boek kijkt Davids naar de rol van christelijke zendelingen en missionarissen, die actief waren in de binnenlanden. ‘Dankzij hun schooltjes steeg de geletterdheid snel. Ook waren ze bezig met het opzetten van een gezondheidszorg. Ze waren er vaak eerder dan het Nederlandse bestuur. In korte tijd veranderde er veel.’ Voor grote veranderingen zorgden ook de Papoea’s die in Hollandia waren geweest en de moderniteit daar proefden: auto’s, huishoudelijke spullen, de bioscoop. ‘Dit zorgde soms voor spanningen onder de Papoea’s onderling. Jongeren wilden geen gearrangeerd huwelijk meer, maar trouwen met iemand waar ze verliefd op waren. Het Nederlandse bestuur was bang dat de Papoea-cultuur ontwricht zou worden en trapte daarom op de rem.’

Kaart uit 1916 met stoombootverbindingen in Nederlands-Nieuw-Guinea. Beeld: Wikipedia

Het Nederlandse koloniale bewind werkte aan een beleid van ‘papoeanisering’. Papoea’s kregen in de loop van de jaren vijftig steeds meer zeggenschap. Eerst werden er dorpsraden ingesteld, daarna streekraden. In 1961 ten slotte stelde Nederland de zogenoemde Nieuw-Guinea Raad in, dat fungeerde als het vertegenwoordigende bestuur van de kolonie. De raad was bedoeld als voorbereiding voor een onafhankelijke Papoeastaat.  Er kwam ook een eigen Papoeavlag, de Morgenster en een volkslied, Hai Tanahku Papua (O, mijn land Papoea). De Nieuw-Guinea Raad stond wel onder de Nederlandse regering.

‘We zijn niet Aziatisch, zoals de Javanen, Sumatranen en Balinezen’

Vicevoorzitter van de Nieuw-Guinea Raad was Nicolaas Jouwe (1923-2017). Hij was ook de ontwerper van de Morgenster, die nu nog steeds fungeert als de vlag van West-Papua. Zijn zoon Nico Jouwe herinnert zich van Nieuw-Guinea vrijwel niets, omdat hij nog geen drie jaar oud was toen het gezin Jouwe naar Nederland moest vluchten. Maar hij legt uit dat voor de Papoea’s het Nederlandse regime heel anders was dan voor de Indonesiërs. ‘Wij Papoea’s hebben een andere geschiedenis dan Indonesië en horen een andere toekomst te hebben. We zijn geen Indonesiërs, maar een ander volk. We zijn niet Aziatisch, zoals de Javanen, Sumatranen en Balinezen, maar verwant aan de Melanesiërs.’

Onderaan de koloniale ladder

Het koloniale bewind op Nieuw-Guinea was heel anders, vervolgt hij. ‘Nederland heeft Indonesië 350 jaar lang onderdrukt. Denk aan het Cultuurstelsel en de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog. Nederland was pas veel later actief op Nieuw-Guinea. De kolonisatie verliep daar op een andere manier. Er was nauwelijks sprake van onderdrukking. Het Nederlandse koloniale bewind trad alleen op tegen stammentwisten die het gebied soms ontregelden. Het kolonialisme op Nieuw-Guinea was moreel. Natuurlijk, er was ook een schaduwkant, er was racisme. Mijn vader was getrouwd met een Indische vrouw. Dat vonden veel mensen not done. En natuurlijk stonden wij als Papoea’s onderaan de koloniale ladder, onder de Nederlanders, Indonesiërs en Molukkers. Maar tegelijkertijd was er ook een andere kant. Nederland was van plan om ons uiteindelijk zelfbeschikking geven. De Nederlandse militairen die in 1962 Nieuw-Guinea hebben verdedigd tegen Indonesische infiltraties hebben het idee dat de politiek hen en de Papoea’s hebben verraden. De Nederlandse regering heeft ons Papoea’s na 1962 als een baksteen laten vallen.’

Davids. ‘Als het aan Nederland had gelegen dan was Nieuw-Guinea nog zo’n tien jaar een Nederlandse kolonie gebleven en was het land daarna onafhankelijk geworden. Dat is niet gebeurd, omdat de Verenigde Staten Nederland dwongen Nieuw-Guinea aan Indonesië over te dragen.’

Indonesië zit niet te wachten op een onafhankelijk West-Papua en drukt separatisme de kop in. Het hijsen van de Morgenster is in Indonesië verboden. Maar voor het Nederlands elftal juichen mag wel. ‘Dat is eigenlijk ook een daad van verzet’, zegt Jouwe.

Nu u hier toch bent...

Goede journalistiek kost geld. Leden en donaties maken onze gebalanceerde berichtgeving over biculturaliteit, zingeving en vrijheid mogelijk. Steun ons daarom als u ons werk belangrijk vindt.

Vertel mij meer!
- Advertentie -