3.2 C
Amsterdam

Peyman Jafari: ‘Er was geen revolutionaire situatie in Iran’

Ewout Klei
Ewout Klei
Journalist gespecialiseerd in politiek en geschiedenis.

Lees meer

Op 16 september 2022, nu bijna een jaar geleden, overleed de Koerdisch-Iraanse Mahsa Amini. Haar dood leidde tot felle protesten tegen het Iraanse ayatollah-regime – dat de opstand hard neersloeg. Met historicus en Iran-watcher Peyman Jafari blikt de Kanttekening op deze opstand terug. Waarom is een revolutie uitgebleven?

Iran arresteerde eerder deze week een oom van Mahsa Amini, de 21-jarige Koerdisch-Iraanse vrouw die op 16 september vorig jaar om het leven kwam, na mishandeld te zijn door de zedenpolitie. De dood van Amini was aanleiding van grootschalige protesten in het hele land. Maar hoewel vele Iraniërs hoopten dat het repressieve theocratische regime eindelijk zou vallen, zitten de ayatollahs nog steeds stevig in het zadel.

De protesten hebben de legitimiteit van de Iraanse staat enorm verzwakt, ziet de Iraans-Nederlandse Peyman Jafari (47). Hij is werkzaam bij het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam en is universitair docent geschiedenis en internationale betrekkingen aan de William and Mary University in Williamsburg, Verenigde Staten. Vrouwen hebben volgens hem een deel van de publieke ruimte op de staat terugveroverd, maar een revolutie is vooralsnog uitgebleven. Als historicus heeft Jafari veel revoluties bestudeerd, waaronder de Iraanse revolutie van 1979 tegen de sjah. ‘Wat maakt een revolutie succesvol? En wat niet? Revoluties hebben een onvoorspelbare kant, maar toch kun je, op basis van een aantal variabelen, kijken of ze kansrijk zijn.’

Hoop en vrees

Jafari werd geboren in Iran en vluchtte in de jaren tachtig naar Nederland, met een tussenstop van twee jaar in Turkije. ‘Ik wil niets anders dan dat dit regime verdwijnt. Mijn vader kan nooit terug naar Iran. Hij is er na 1987 nooit meer geweest.’ Emotioneel is Jafari verbonden met Iran, maar tegelijkertijd is hij historicus en wil hij realistisch naar de gebeurtenissen kijken, vertelt hij. ‘Daarom maak ik een onderscheid tussen wat ik hoop en wat ik realistisch verwacht.’

De protesten in 2022 kwamen niet uit de lucht vallen, aldus Jafari. In Iran hebben meerdere revoluties en opstanden plaatsgevonden, legt hij uit. Die van 1979 natuurlijk, maar ook de protestenbewegingen van studenten en vrouwen in de jaren negentig, de zogenoemde Groene Revolutie van 2009 die hard door het regime werd neergeslagen. En de protesten tegen de hoge energieprijzen van enkele jaren terug.

‘Er was in 2022 sprake van een accumulatie van ontevredenheid. Mensen waren boos vanwege de inflatie, met minder koopkracht tot gevolg, maar er was en is ook woede over het gebrek aan vrijheid. De speelruimte van de Iraanse democratie wordt immers ernstig beperkt door de ‘raad van hoeders’, de ayatollahs.’

De dood van Mahsa Amini was de vonk die zorgde voor de brand. ‘Het was ook een belangrijk kantelpunt’, zegt Jafari. ‘Een aantal frustratiepunten kwamen toen samen: de kritiek op het economische beleid van het regime, het politieke systeem, de culturele en religieuze repressie. Bovendien viel – voor een deel van de Iraanse bevolking – de muur van angst weg. Ze waren niet meer bang om hun ongenoegen te uiten, de straat op te gaan. Het waren vooral de jongeren, de twintigers, die demonstreerden.’

Iraniërs in het buitenland volgden de protesten op de voet. Daarbij is de emotie vaak leidend, aldus Jafari. ‘Ze vroegen zich af wanneer het gehate regime nu eindelijk eens weg zou gaan. In december, meenden veel mensen. Of in januari, meenden anderen. Er verschenen opiniestukken waarin het einde van het Iraanse regime werd aangekondigd. Maar deze voorspellingen waren prematuur.’

Scheurtjes

Als Iran-watcher was Jafari voorzichtiger. ‘Natuurlijk hoopte ik dat het regime zou vallen, maar als ik een realistische analyse zou inruilen voor mijn persoonlijke wensen, dan zou dat slecht zijn voor mijn geloofwaardigheid als historicus. Van ons wordt gevraagd om tijdens crisismomenten het hoofd koel te houden. Bovendien denk ik, juist omdat ik hoop op het succes van de protesten, dat die baat hebben bij een reële inschatting van de krachtsverhoudingen, mogelijkheden en obstakels. Tegen journalisten benadrukte ik daarom de ernst van de situatie en het grote belang van de protesten voor een aardverschuiving, maar ik vertelde ook dat er volgens mij nog geen sprake was van een revolutionaire situatie. Die ontstaat meestal als de wisselwerking tussen een massale protestbeweging die groeit en de politieke en militaire elite die uit elkaar valt momentum krijgt. Maar dat gebeurde niet in Iran – nog niet.’

De elite trok redelijk eensgezind op, hoewel er onder druk van de protesten in de marges scheurtjes ontstonden, vervolgt Jafari. Dat komt volgens hem omdat ze gehard zijn tijdens de revolutie van 1979 en de repressie tegen hun linkse, liberale en nationalistische rivalen, en tijdens buitenlandse confrontaties zoals de oorlog tegen Irak in de jaren tachtig en de westerse sancties tegen Iran. Onderschat ook niet dat de machthebbers leren van elke ronde van protest en nieuwe repressietechnieken ontwikkelen.

‘Veel Iraniërs bleven thuis terwijl ze wel met de opstand sympathiseerden’

Door die buitenlandse en binnenlandse confrontaties is de elite ook eenvormiger geworden, nu de ultraconservatieven alle machtsposities in handen hebben en de hervormingsgezinde fracties gemarginaliseerd zijn. Ook kunnen de ayatollahs, mocht het regime vallen, niet vluchten naar het buitenland, want niemand wil hen hebben. Voor hun eigen toekomst moeten ze dus, het koste wat het kost, ervoor zorgen dat hun regime overeind blijft. En natuurlijk krijgt het regime nog steeds de steun van de Revolutionaire Garde.’ Uit gelekte stukken van ‘crisisoverleg’ tussen leden van de politieke en militaire autoriteiten weten we dat de protesten bij veel van hen grote angst hebben gezaaid en tot verschillen in aanpak hebben geleid. Ik denk dat ze enorm bang zijn voor een herhaling en in de toekomst zullen we de scheurtjes binnen de elite verder zien groeien.’

De angst voor de opstand was volgens de historicus niet ongegrond, omdat die de elite confronteerden met de grootste crisis sinds het einde van de Iran-Irak oorlog in 1988. ‘De hoofddoekplicht, een van de ideologische pilaren van de staat, werd immers direct aangevallen, en vrouwen en hun eisen speelden een leidende rol. Maar ook andere groepen deden massaal mee, bijvoorbeeld etnische minderheden zoals Koerden en Balouchen, die decennia gediscrimineerd zijn, en delen van de arbeidersklasse.’ De protesten vonden niet alleen in grote steden plaats maar ook in provinciale stadjes en zelfs dorpen.

Toch had de opstand ook zijn eigen beperkingen, aldus Jafari. In de eerste plaats bleven veel Iraniërs thuis terwijl ze wel met de opstand sympathiseerden. ‘Tiendduizenden Iraniërs demonstreerden. Dat lijkt veel maar om het repressieapparaat te overdonderden en de staat tot wankelen te brengen heb je honderdduizenden, zo niet miljoenen mensen nodig die tegelijk de straat opgaan zoals in 1979 gebeurde.’

Een tweede beperking was de demografie. ‘Het overgrote deel van de demonstranten was tussen de 16 en 25 jaar oud. Jongeren hebben het meest te lijden gehad onder het regime, omdat de werkloosheid onder hen enorm is opgelopen en veel van de sociale en culturele beperkingen vooral hen raken. Ook dragen zij, in tegenstelling tot de oudere generaties, geen bagage van het verleden met zich mee. De revolutie van 1979 leidde niet tot een vrijer en socialer Iran, zo wisten de ouderen, maar tot de dictatuur van de ayatollahs. En de ‘Groene Revolutie’ van 2009 werd in bloed gesmoord.  Bovendien hebben jongeren minder te verliezen en zijn daarom geneigd om meer risico’s te nemen.’

Dus terwijl jongeren het voortouw namen, spreidden de protesten zich onvoldoende uit naar andere leeftijdsgroepen, vervolgt Jafari. ‘Dit uitte zich ook in het uitblijven massale stakingen die immers het land plat kunnen leggen en velen de kans geven om met minder risico’s voor hun leven aan protesten mee te doen. De repressie was immers zwaar. Er werden in zes maanden tijd tienduizenden mensen opgepakt, er zijn op zijn minst 537 demonstranten door politiegeweld omgekomen, en zes demonstranten die waren opgepakt zijn inmiddels geëxecuteerd.’

Een ander probleem was dat de protestbeweging te weinig structuur en organisatie had, en geen duidelijke strategie en programma. ‘Voor velen was het duidelijk dat de Islamitische Republiek plaats moet maken voor een democratisch alternatief. Maar organisaties en leiders die strategische stappen kunnen aangeven ontbraken – zoals een klein aantal eisen die grote delen van de bevolking kunnen mobiliseren en de scheurtjes in de elite kunnen vergroten, die netwerken op buurtniveau en in de werkplaatsen kunnen opzetten en coördineren.’

Dit heeft volgens Jafari veel te maken met de staatsrepressie, maar ook met twee kenmerken van de oppositie, vooral in de diaspora. ‘Velen richtten hun hoop op buitenlandse machten, om via hun druk de Islamitische Republiek te verzwakken, in plaats van tijd en energie te steken in het begrijpen en adresseren van de obstakels waarmee de protesten op de grond te maken hebben. Maar voor buitenlandse machten hebben andere zaken prioriteit, zoals het nucleaire programma van Iran en regionale veiligheid.’

‘Er werden in zes maanden tijd tienduizenden mensen opgepakt’

Ten tweede zijn er de onderlinge verschillen, die door gebrek aan democratische cultuur bij delen van de oppositie tot onderlinge vijandschap leiden. Jafari: ‘Illustratief is het uiteenvallen van de Alliantie voor Democratie en Vrijheid in Iran, die in februari door onder andere Reza Pahlavi, Masih Alinejad, Hamed Esmaelion en Shirin Ebadi werd opgericht, maar al een paar weken later uiteenviel. Sindsdien heeft de giftige politieke cultuur waarin mensen die van mening verschillen elkaar uitmaken voor ‘agent van het regime’ zich als een olievlek verspreid. En het Iraanse regime maakt gretig daarvan gebruik, om de oppositie verder te verdelen.’

‘Kortom, hoewel de opstand een wijdverspreide woede en diepe frustraties naar boven bracht, mobiliseerde hij geen kritische massa’, concludeert de historicus. ‘Een opstand groeit uit tot een revolutie als massa’s mensen gezamenlijk tot de conclusie komen dat een revolutie levensvatbaar is, in de zin dat ze en de staat omver kunnen werpen en een beter alternatief kunnen creëren. Dat gevoel leefde bij veel jongeren die geradicaliseerd zijn, maar het verspreidde zich niet verder.’

Toch is de situatie niet zonder hoop, zegt Jafari. ‘Allereerst hebben veel mensen de kracht van protest met hun eigen ogen kunnen zien. Vrouwen hebben de publieke ruimte ingenomen. Ze dragen vaak de hoofddoek niet, of half. Vrouwen hebben zelfvertrouwen gekregen om de strijd aan te gaan. De mentaliteitsverandering die plaats heeft gevonden is echter veel breder. Dat is duidelijk in de muur van angst die voor velen is weggevallen, de toename in het aantal protesten en stakingen door werknemers. Tientallen organisaties in Iran brachten bijvoorbeeld een verklaring uit met concrete eisen voor politieke vrijheid, sociale en ecologische rechtvaardigheid en gendergelijkheid, en kregen volop steun van vrouwen-, milieu- en studentenorganisaties en vakbonden over de hele wereld.’ Bovendien zien we volgens Jafari de terugkeer van het woord ‘revolutie’ als een noodzakelijk en collectief project. ‘Misschien geloven velen niet in de levensvatbaarheid van een revolutie nu, maar veel meer mensen geloven ook niet meer in de levensvatbaarheid van de Islamitische Republiek.’

Niettemin is deze hoop niet zonder vrees. ‘De staat probeert de publieke ruimte nu weer terug te veroveren, de moraalpolitie is weer terug, de repressie op universiteiten neemt weer toe.’ Jafari noemt de veranderingen die in gang zijn gezet geen revolutie, maar ‘een doorgaande strijd die jarenlang kan duren.’

 Hoofddoekdebat

De protesten in Iran hebben ook geleid tot een verhit debat in Nederland en andere westerse landen over de hoofddoek. Peyman Jafari heeft daar gemengde gevoelens over. ‘Solidariteit met Iran is mooi, maar het is problematisch als de protesten in Iran gekaapt worden door mensen die de vrijheid van vrouwen op een andere manier willen inperken. Denk aan conservatieve Amerikaanse politici, die het abortusrecht niet alleen in hun eigen land maar ook elders verder willen inperken. Zij schaarden zich opeens achter de protesten in Iran. En in ons land grepen sommigen de protesten aan om hun aanval op vrouwen met de hoofddoek weer in te zetten.’

Jafari is daar kritisch over. ‘Mensen in Iran zijn veel verder. Het gaat niet om voor of tegen de hoofddoek, maar om de vrijheid om te dragen wat je wil. Iraanse vrouwen protesteerden tegen de hoofddoekplicht, niet tegen de hoofddoek an sich. Vrouwen met en zonder hoofddoek trokken samen met elkaar op. Er waren ook vrouwen met een chador die demonstreerden. Dat doorbreekt het binaire beeld, dat alleen seculiere, pro-westerse vrouwen tegen de hoofddoekplicht zijn. Het gaat om de autonomie van vrouwen. Veel vrouwen in Iran, in de provincie en in de armere wijken van de grote steden, blijven een hoofddoek dragen. Het is belangrijk om ook die groepen mee te krijgen. De aanvallen op de hoofddoek of de islam in zijn algemeenheid geven de ayatollahs juist munitie om religieuze en niet-religieuze mensen tegen elkaar uit te spelen. Paradoxaal genoeg zijn de conservatieve ayatollahs en mensen als Geert Wilders het met elkaar eens, wanneer het om ‘de ware’ islam gaat. Beiden negeren het feit dat er veel moslims zijn die er een hele andere invulling aan geven dan wat zij preken. Dat zien we ook in Iran. Tijdens de recente religieuze herdenkingen van de sjiitische Imam Hussein, bijvoorbeeld, waren er in veel steden ceremonies met een afkeurende boodschap over hoe de Iraanse autoriteiten de religie hebben gekaapt voor hun eigen machtshonger en corruptie.’

En hoe zit het dan met seculiere ex-moslims, vaak ook van Iraanse afkomst, zoals de Iraanse exil-journaliste Masih Alinejad, de Iraans-Nederlandse rechtsfilosoof Afshin Ellian en de Turks-Nederlandse presentator Fidan Ekiz? Volgens Jafari hangen zij een ‘autoritair secularisme’ aan. ‘Hun politiek leidt tot marginalisatie en discriminatie van gelovigen. Het is begrijpelijk dat de ervaring met de politieke islam in landen als Turkije en Iran bij sommigen een weerstand tegen ‘de islam’ te weeg brengt, maar het echte probleem is autoritaire politiek. En die is niet altijd religieus. In het Midden-Oosten had je Kemal Atatürk, Nasser en de sjah. Maar juist omdat zij ontzettend repressief waren in het opleggen van het secularisme werkten zij islamisme – als tegenreactie – in de hand en hebben zij in een aantal opzichten de weg bereid voor Erdogan, de Moslimbroederschap en ayatollah Khomeini. Veel mensen in het Midden-Oosten gingen secularisme vereenzelvigen met bemoeienis van de Verenigde Staten of de Sovjetunie – in het geval van Afghanistan en Zuid-Jemen – dictatuur en marginalisatie van moslims. Vervolgens kwamen islamisten aan de macht die een autoritaire politiek uitvoeren en niet-religieuze mensen zoals ik en mijn familie onderdrukken.’

Het probleem is volgens Jafari deze ‘pendule politiek’ tussen het autoritaire secularisme en islamisme. ‘Maar’, zo vervolgt hij, ‘er is natuurlijk een alternatief – een secularisme waarin de rechten van gelovigen gerespecteerd worden en geen belemmering vormen voor sociale en politieke participatie.’

Vanwege de islamofobe kritiek op de hoofddoek schoten sommige links-progressieve mensen in een kramp, en praatten daarom liever niet meer over Iran, omdat ze geen zin hadden om met islamofoben geassocieerd te worden. Maar er waren ook links-progressieve mensen die het Iraanse volk bleven steunen en een ander verhaal vertelden, aldus Jafari. ‘Het gaat niet om een strijd tegen de hoofddoek, maar om de strijd voor zelfbeschikking, voor de autonomie van het vrouwenlichaam. En daarover gaan vrouwen. Niet mannen.’

Nu u hier toch bent...

Goede journalistiek kost geld. Leden en donaties maken onze gebalanceerde berichtgeving over biculturaliteit, zingeving en vrijheid mogelijk. Steun ons daarom als u ons werk belangrijk vindt.

Vertel mij meer!
- Advertentie -