Spartacusopstand in Berlijn

Foto: Wikimedia
Een achtergrondverhaal over de Duitse Spartacusopstand, deze week precies honderd jaar geleden.

Van 5 tot 12 januari 1919 vonden er in Berlijn bloedige straatgevechten plaats tussen de communistische ‘spartakisten’ en hun tegenstanders. De sociaaldemocratische overgangsregering koos de kant van het leger en de vrijkorpsen, die de opstand neerslagen.  Als gevolg van deze gebeurtenissen raakte links Duitsland ernstig verdeeld, waardoor men tegen Adolf Hitler geen gezamenlijke vuist kon maken.

Anti-Spartacusposter

Novemberrevolutie en Weihnachtskämpfe

Begin november 1918, vlak voor het ondertekenen van de wapenstilstand met de geallieerden, brak in het Duitse Rijk de Novemberrevolutie uit. De opstand begon in de havenstad Kiel. Matrozen besloten zich te verzetten tegen de marineleiding, die van mening was dat de Duitse vloot moest opstomen naar Groot-Brittannië voor een zinloze maar heldhaftige laatste confrontatie. De muitende matrozen werden in hun opstand gesteund door de arbeiders. De geest was uit de fles; de autoriteiten slaagden er niet in om de protesten effectief de kop in te drukken en de revolutie verspreidde zich over de rest van het Rijk. De Duitse vorstenhuizen vielen één voor één om. In Beieren werd de koning weggejaagd en kwam de linkse politicus Kurt Eisner aan de macht. Keizer Wilhelm II, formeel de leider van het Rijk, werd op 9 november afgezet en vluchtte een dag later naar Nederland. Democratische partijen kwamen aan de macht en vormden een overgangsregering.

Het leek er even op dat de rust in het Duitse Rijk was weergekeerd. Dat was schijn. Op 24 december raakten communistische milities bij het Berliner Stadtschloss in een vuurgevecht verwikkeld met het Duitse leger. Tijdens deze zogenoemde Weihnachtskämpfe (kerstgevechten) vielen tientallen doden. De linkse opstandelingen wonnen het vuurgevecht en hadden ‘slechts’ elf doden te betreuren, tegenover zesenvijftig dodelijke slachtoffers aan de kant van het leger. Desalniettemin was deze slag voor de pacifistische USPD (Unabhängige Sozialdemokratische Partei Deutschlands) aanleiding om uit de voorlopige regering te stappen. Ze vormde de opmaat voor de Spartacusopstand, die op 4 januari zou uitbreken.

De spartakisten keerden zich, volgens de propagandaposter uit 1919, tegen de adel, kapitalisme en nieuw militarisme. De koppen van het oude militarisme en de monarchie zijn al afgehakt. Ook zie je een geestelijke, die de kerk voorstelt.

Escalatie

De Spartacusopstand was natuurlijk genoemd naar Spartacus, de Romeinse gladiator die van 73 tot 71 voor Christus een grote slavenopstand tegen Rome had geleid. In augustus 1914 hadden links-radicale Duitsers die tegen de oorlog waren de Spartakusbund opgericht. Zij hadden zich daarna, uit enthousiasme over de Russische Revolutie, tot het communisme bekeerd. Op 30 december 1918 ging de Spartakusbund met een groep radicale USPD’ers op in de Kommunistische Partei Deutschlands (KPD).

Aanleiding voor de Spartacusopstand was het ontslag van de Berlijnse politiechef Emil Eichhorn, die tijdens de Weihnachtskämpfe had geweigerd op te treden tegen de communistische opstandelingen. Radicaal links beschouwde zijn ontslag als een provocatie. Op zondag 5 januari, een dag later, besloot men om een grote demonstratie te organiseren.

Deze protestmars was een enorm succes. Behalve communisten en pacifistische USPD’ers liepen er ook veel sociaaldemocratische arbeiders mee. Sommige demonstranten waren bewapend. Aan het einde van de middag bezetten demonstranten stations en plekken waar kranten van hun politieke tegenstanders werden verkocht.

De revolutionairen vormden een raad, die echter zwaar verdeeld was. De radicale pacifist Karl Liebknecht wilde dat de Duitse regering weg moest, Rosa Luxemburg vond een revolutie echter riskant en pleitte voor een voorzichtige koers.

Op 7 januari riepen de leiders van de communistische KPD en de pacifistische USPD een algemene staking uit. Ongeveer vijfhonderdduizend mensen besloten om hun werk neer te leggen. Tijdens de demonstratie ontstond het plan om de sociaaldemocratische overgangsregering van Friedrich Ebert omver te werpen en de communistische revolutie uit te roepen. De demonstranten bezetten belangrijke gebouwen in Berlijn, maar de revolutionaire leiders bleven onderling verdeeld. Sommigen wilden echt revolutie maken, anderen waren van mening dat er met de regering onderhandeld moest worden. De KPD hoopte dat de mariniers voor de revolutie zouden kiezen. Zij bleven neutraal. De meeste legereenheden in Berlijn waren echter op de hand van de regering.

Straatgevechten en executies

Op 8 januari besloot de USPD met de regering te onderhandelen. De KPD was het hiermee niet eens en stapte uit protest uit het revolutionaire comité. Op dezelfde dag hoorden Berlijnse arbeiders dat minister van Defensie Gustav Noske rechtse paramilitairen van het Freikorps had ingehuurd om de revolutie neer te slaan.

De soldaten van het Freikorps hadden de beschikking over zware wapens die gebruikt waren tijdens de Eerste Wereldoorlog, waardoor ze militair gezien duidelijk in het voordeel waren. Met de hulp van machinegeweren, vlammenwerpers en mortieren wisten de paramilitairen de door de spartakisten geblokkeerde straten en bezette gebouwen te heroveren. Tijdens deze straatgevechten sneuvelden zeventien soldaten van het Freikorps, maar meer dan honderd spartakisten. Ook werden er veel revolutionairen nadien standrechtelijk geëxecuteerd.

Op zondag 12 januari waren de gevechten in Berlijn voorbij. De contrarevolutionairen hadden gewonnen. De twee belangrijkste leiders van de Spartacusopstand – Liebknecht en Luxemburg – doken onder. Ze werden echter in de avond van 15 januari ontdekt en opgepakt. Liebknecht en Luxemburg werden diezelfde nacht nog, na verhoord te zijn, bewusteloos geslagen en vervolgens vermoord door een schot in het hoofd. Freikorps-kapitein Wlademar Pabst gaf hiertoe het bevel. Hij werd uiteraard niet voor deze moord vervolgd.

Weimarrepubliek

Het neerslaan van de Spartacusopstand betekende nog niet het einde van de Duitse Revolutie. In Beieren grepen de communisten op 6 april 1919 de macht, twee maanden nadat Kurt Eisner door de rechtse radicaal Anton Graf von Arco auf Valley vermoord was. De Beierse Radenrepubliek hield het echter nog geen maand uit en kwam op 3 mei ten val. Een Freikorps hakte de communistische militie met groot gemak in de pan. In zijn boek Eine Jugend in Deutschland (Een jeugd in Duitsland, 1893-1924) beschrijft Ernst Toller het wel en wee van dit mislukte communistische experiment, dat de nazi-reactie van Adolf Hitler mede heeft getriggerd.

De Rijksdag, het Duitse parlement, was vanwege de straatgevechten in Berlijn begin 1919 uitgeweken naar Weimar. Daar, in de stad van de beroemde achttiende-eeuwse schrijvers Goethe en Schiller, besloot men een nieuwe grondwet op te stellen. Op papier was de Weimarrepubliek een van de meest democratische naties in de wereld geworden.

De realiteit van Weimar viel helaas tegen. Het Duitse Rijk werd geregeerd door zwakke coalitieregeringen, die niet over een meerderheid in de Rijksdag beschikten. Veel macht had daarom de Rijkspresident. Vanaf 1925 was dit de conservatieve veldmaarschalk Paul von Hindenburg. De president kon een beroep doen op de noodtoestand (artikel 48 uit de grondwet van Weimar), om op deze manier het parlement buitenspel te zetten. Vanaf 1930 gebeurde dit steeds vaker. De democratie kwam in 1933 met de machtsovername van Hitler niet plotseling ten einde. In de voorafgaande jaren was Duitsland steeds autoritairder geworden.

Dat er geen stabiele democratie kon ontstaan kwam ook door de animositeit tussen communisten en sociaaldemocraten. Dat Friedrich Ebert en Gustav Noske de Spartacusopstand hadden neergeslagen met behulp van de rechtse vrijkorpsen, werd de sociaaldemocraten nooit vergeven.

Rosa Luxemburg was mede door haar vroegtijdige en gewelddadige dood een martelaar voor de goede zaak geworden, voor communisten maar ook voor andere linkse mensen. Omdat Luxemburg zich ook gekeerd had tegen de totalitaire staat, was ze ook voor linkse tegenstanders van het communisme een acceptabel icoon. In Duitsland probeert de linkse partij Die Linke de erfenis van Luxemburg te annexeren, in Nederland lopen met name de Internationale Socialisten, een radicale linkse actiegroep, met haar weg.

Maar is deze verering wel terecht? De Duitse historica Christina Morina, auteur van het boek Die Erfindung des Marxismus, vindt van niet. In gesprek met Josta van Bockxmeer van het Duitslandinstituut vertelde ze vorig jaar: ‘Het overheersende beeld van haar (Rosa Luxemburg, red.) als empathische persoon die zich inzet voor de onderdrukten, heeft ook een andere kant. Het ging haar vooral om haar eigen invloed, om macht. (…) Ze was niet alleen bereid zichzelf op te offeren, maar ging er ook van uit dat geweld noodzakelijk was voor de revolutie. Net als Lenin in Rusland was ze bereid het bewind omver te werpen en daarvoor bloedvergieten te accepteren.’ Als voorbeeld noemde Morina de opmerking die Luxemburg maakte tegen de vakbondsman (en latere nazi) August Winnig – dat ze hem misschien zou laten fusilleren omdat hij zich verzette tegen de revolutie.

Op 8 maart organiseert het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam een lezing over ‘hoop en verandering’ in het werk van Rosa Luxemburg en Hannah Arendt. Zie www.amormundi.nl voor meer informatie.

DELEN
Ewout Klei
Journalist gespecialiseerd in politiek en geschiedenis.