7.8 C
Amsterdam

Waarom de Algerijnse onafhankelijkheidsstrijd nog altijd actueel is

Ewout Klei
Ewout Klei
Journalist gespecialiseerd in politiek en geschiedenis.

Lees meer

Algerije viert vandaag Onafhankelijkheidsdag: 61 jaar geleden verdreef het land definitief de Fransen. De bloedige Algerijnse Oorlog kostte aan honderdduizenden het leven – vooral Algerijnen. De Kanttekening spreekt met enkele kenners van deze oorlog – historicus Niek Pas, oud-studentenactivist Huib Riethof en Fatima Faid, wiens vader in het Algerijnse verzet heeft gezeten – over de betekenis van deze feestdag voor Algerije.

Jaarlijks op 5 juli viert Algerije haar onafhankelijkheid. Bij die strijd verloren naar schatting 250.000 Algerijnen en 30.000 Fransen het leven. Onder hen waren 150.000 leden van het Front van Nationale Bevrijding (FLN), een militie die streed voor onafhankelijkheid, en 25.000 Franse militairen, die het bewind van Frankrijk over het land moesten verdedigen.

In Algerije, maar ook in Frankrijk zelf, heeft de samenleving nog steeds te maken met de gevolgen van deze oorlog. De rellen na de dood van de zeventienjarige Algerijns-Franse jongen Nahel M., die dinsdag 27 juni werd doodgeschoten door een Franse agent tijdens een politiecontrole, kunnen volgens antropoloog en islamdeskundige Martijn de Koning en enkele andere geëngageerde wetenschappers niet los worden gezien van Frankrijks koloniale geschiedenis en hoe die het verzet tegen racisme mede vormde.

Maar de Algerijnse Oorlog was, aldus historicus Niek Pas (Universiteit van Amsterdam), ook heel relevant voor de Nederlandse geschiedenis. Pas schreef in 2008 het boek Aan de wieg van het nieuwe Nederland, waarin hij betoogt dat Nederland de ‘derde wereld’ niet pas medio jaren zestig ‘ontdekte ’met de Vietnamoorlog, maar zo’n tien jaar eerder door wat er in Algerije gebeurde. ‘De Vietnamoorlog heeft naar mijn idee de herinnering aan de Nederlandse solidariteit met Algerije weggedrukt’, vertelt Pas. ‘De basis voor de jaren zestig werd in de jaren vijftig gelegd. Veel Nederlanders volgden de oorlog van het FLN op de voet en waren diep verontwaardigd dat Frankrijk – het land van de Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger uit 1789 – zulke grove mensenrechtenschendingen pleegde tegen Algerijnse strijders én burgers. In reactie hierop ontstonden in Nederland de eerste solidariteitscomités, werden – bescheiden – politieke protesten georganiseerd en begonnen journalisten kritische verhalen te schrijven.’

Algerijnse verzetsvrouwen poseren voor de camera. Van links naar rechts: Samia Lakhdari, Zohra Drif, Djamila Bouhired, Hassiba Bent-Bouali. (beeld: La vraie bataille d’Alger, Jacques Massu, Plon, 1971. Publiek domein, Wikipedia, Wikimedia Commons)

Al tijdens die Algerijnse Oorlog werden enkele sleutelfiguren maatschappelijk actief, die later, in de jaren zestig, voortrekkers zouden worden van de protestbeweging van de jaren zestig. Het gaat onder anderen om activist en politicus Roel van Duijn (1943-), studentenleider Ton Regtien (1938-1989), antikolonialisme-activist Sietske Bosgra (1935-2023) en politicus Huib Riethof (1941-). Roel van Duijn is bekend van de Ban-de Bom-beweging en oprichter van Provo in 1965, maar hij vertelde dat de Algerijnse vrijheidsstrijder en latere president Ahmed Ben Bella zijn eerste held was. ‘Ben Bella inspireerde zijn ‘enorme behoefte aan verzet’, vertelde Van Duijn later’, aldus Pas.

Regtien werd de Algerijnse kwestie ‘in zijn gezicht gesmeten’, zegt Pas, toen hij in de zomer van 1956 op vakantie was in Parijs, zo beschreef hij in zijn boek Springtij. De latere studentenactivist ontmoette daar een Algerijn, waarmee hij vriendschap sloot en met wie hij de stad verkende. Hij vertelde Regtien ook over de oorlog in Algerije en de oorlogsmisdaden die het Franse Vreemdelingenlegioen daar pleegde, de strijd van het FLN en het racisme in Frankrijk. Tijdens een van hun wandelingen kwam er plotseling een politieauto langs. Enkele agenten sprongen uit de auto, die de Algerijn arresteerden. Regtien was hevig verontwaardigd en besloot zich vanaf toen hard te maken voor de Algerijnse zaak.

Sietse Bosgra, die later bekend zou worden vanwege zijn strijd tegen de racistische apartheidspolitiek in Zuid-Afrika, reisde in de zomer van 1959 met zijn vriendin To van Albada met de motor naar Noord-Afrika. Pas: ‘Ze wilden kijken hoe het de Algerijnse vluchtelingen verging en berichtten hierover in de sociaaldemocratische krant Het Vrije Volk.’

Student Henk Mulder demonstreert in de Raadhuisstraat in Amsterdam voor de onafhankelijkheid van Algerije, mei of juni 1962 (beeld: Huib Riethof)

Wapens en valse identiteitsbewijzen

Huib Riethof, inmiddels 81 jaar oud, vertelt dat hij betrokken raakte bij de Algerijnse Oorlog dankzij zijn vriendin Ellen Santen, die hij leerde kennen via de Arbeiders Jeugd Centrale, een socialistische jeugdbeweging. Ellens vader Sal Santen werkte als stenograaf bij Het Vrije Volk en was daarnaast leider van de kleine maar zeer actieve trotskistische beweging in Nederland. En Ellens grootvader was de radicaal-linkse politicus en verzetsstrijder Henk Sneevliet, die in de Tweede Wereldoorlog door de Duitsers werd gefusilleerd.

Riethof: ‘Mijn schoonvader was zwaar getraumatiseerd door de oorlog en voelde zich hier schuldig over, ook omdat veel van zijn familieleden waren vermoord en hij onvoldoende zou hebben gedaan om dit te voorkomen. Samen met zijn Griekse vriend Michel Raptis, die in 1958 Parijs ontvluchtte omdat de Franse autoriteiten hem in de gaten hielden, hielp hij het Algerijnse verzet waar hij kon.’

Riethof en Ellen Santen raakten onbedoeld ook bij het verzet betrokken. Ze gingen eind 1959 met de auto naar Parijs voor een vakantie, en namen op verzoek van Sal Santen ook een Franse kennis mee. ‘Ik wist niet dat onze Franse medereiziger valse identiteitspapieren bij zich had voor het Algerijnse verzet’, vertelt Riethof. Santen en Raptis zorgden voor identiteitskaarten voor in Frankrijk verblijvende Algerijnen, en troffen daarnaast voorbereidingen om vals Frans geld in omloop te brengen. Ze wilden de Franse economie destabiliseren en hadden bovendien in Marokko, in een voorstad van Casablanca, een geheime wapenfabriek opgezet die wapens maakte voor de Algerijnse rebellen. Het verzet smokkelde die wapens – automatische vuurwapens en mortieren –vervolgens de Marokkaans-Algerijnse grens over. Huib en Ellen wisten niets van al deze activiteiten. Dat hoorden ze pas later, nadat de politie Santen en Raptis arresteerde.

Dit gebeurde in juni 1960, op het moment dat de kompanen van Santen en Raptis in Duitsland vals geld wilden laten gaan drukken. In 1961 volgde er een geruchtmakende rechtszaak in Amsterdam. Riethof: ‘Er was veel aandacht voor dit proces, ook internationaal. De beroemde Franse filosoof Jean-Paul Sartre en Natalia Trotski, de weduwe van Léon Trotski, stuurden de rechtbank brieven en Simone de Beauvoir ging zelfs naar Amsterdam om te getuigen.’ Uiteindelijk werden Santen en Raptis tot vijftien maanden cel veroordeeld, iets meer dan hun voorarrest. ‘Ze bekenden dat ze het verzet met valse papieren hadden gesteund, maar zwegen over de wapenfabriek. Als ze dit wel hadden gedaan was hun straf wellicht een stuk hoger uitgevallen.’

Demonstratie voor onafhankelijkheid van Algerije op de Dam in Amsterdam, juni 1962. Te zien zijn: Igor Cornelissen (uiterst links, met pijp), Huib Riethof (vijfde van links), Henk Mulder (staand), Sietse Bosgra (rechts naast Mulder, zittend en op de rug gezien), Ellen Santen (boven het hoofd van Bosgra) (beeld: Huib Riethof)

Sietse Bosgra, To van Albada, de latere Vrij Nederland-journalist Igor Cornellissen en andere progressieve studenten bemoeiden zich ook met het proces, vertelt historicus Niek Pas. ‘Ze waren van mening dat de ‘verkeerde mensen’ werden berecht. In plaats van Santen en Raptis zouden minister van Buitenlandse Zaken Joseph Luns en minister van Justitie Albert Beerman voor de rechter moeten verschijnen. Dankzij ‘hun stilzwijgen en hun laffe praatjes’, zo schreven Bosgra en consorten in hun pamfletten, was de Nederlandse regering medeverantwoordelijk voor ‘de gruwelijke onderdrukking’ van de inwoners van Algerije. De Algerijnse vrijheidsstrijd stond niet op zichzelf,  vonden ze, maar maakte deel uit van een breder streven: het ontwaken van de derde wereld.’

Martelingen

In 1963 maakte Huib Riethof een reis naar het onafhankelijke Algerije. ‘Ik bezocht Raptis in Algiers. Hij had een invloedrijke positie gekregen en was de adviseur van president Ben Bella geworden. Ze moesten twee jaar later allebei vluchten, toen in juni 1965 het leger de macht in het land overnam. Maar zover was het in 1963 nog niet. Toen was de linkervleugel van FLN nog dominant. Er was een soort Algerijnse lente, met ideeën over zelfbeheer en een collectivistische, socialistische revolutie.’

De Algerijnse vrijheidsstrijder en historicus Mohammed Harbi, een kameraad van Ben Bella en ook minister in diens kabinet, nam Huib Riethof mee naar een boerderij. Harbi was hier enkele jaren eerder gevangengezet door het Franse leger. ‘Toen hij voor de stal stond, waar hij gemarteld was en zijn makkers waren gedood, stortte hij helemaal in. We zijn toen huilend met de bus weer terug naar Algiers gegaan.’ Harbi werd na de coup van 1965 gearresteerd, in de gevangenis gegooid en na enkele jaren onder huisarrest geplaatst. Hij vluchtte in 1973 via Tunesië naar Frankrijk. Daar kwam Riethof hem jaren later weer tegen. ‘Het was een emotioneel weerzien. En we schudden elkaar stevig de hand.’

Revolutionair vuur

Fatima Faid, raadslid in Den Haag voor de Haagse Stadspartij, had een Algerijnse vader die actief was voor het FLN in Frankrijk. Via hem weet ze veel over wat er in de jaren vijftig en zestig gebeurde in Algerije en in Frankrijk. Vader Ameur Faid hield volgens haar een nare kater over aan de coup van 1965. ‘Had hij daarom al die jaren gestreden tegen de Fransen? Mijn vader wilde niet teruggaan naar Algerije. Hij besloot om naar het noorden te reizen, naar Amsterdam, maar bleef hangen in Den Haag’, vertelt Faid.

Over de precieze verzetsactiviteiten van haar vader voor het FLN in Frankrijk wil ze niet veel kwijt. Ook niet over zijn mogelijke betrokkenheid bij terroristische aanslagen. ‘Hij zat in het verzet. En deed alles wat je kunt bedenken. Meer wil ik daar niet over zeggen’, laat ze weten. Haar vader heeft een tijdlang in Franse gevangenschap gezeten, maar daarover wilde hij daarna nooit praten. ‘Ik weet dat hij gemarteld is, maar de precieze details weet ik niet.’

Ameur Said met een tatoeage, waarop een dolk staat met een slang eromheen gedraaid. FLN-verzetsstrijders zetten bij elkaar tatoeages. (beeld: Fatima Faid)

In Nederland bouwde Ameur Faid een nieuw leven op. Hij trouwde met een Portugese vrouw, die gevlucht was voor de fascistische dictatuur van António de Oliveira Salazar. ‘Mijn vader bemoeide zich, toen hij hier ging wonen, nauwelijks nog met de Algerijnse politiek. In de jaren negentig heeft hij nog één keer gedemonstreerd tegen de burgeroorlog die Algerije op dat moment verwoestte.’ Dat de Algerijnse Oorlog voor Ameur Faid wel degelijk nog belangrijk was, is af te leiden uit het feit dat hij een van zijn dochters, Fatima’s zus Djamila, vernoemde naar Djamila Bouhired, de roemruchte Algerijnse vrijheidsstrijdster. ‘Bij Djamila Bouhired is het revolutionaire vuur nooit gedoofd’, vertelt Faid. ‘Als tachtig-plusser stond ze tijdens de demonstraties van 2019 opnieuw op de barricades om te protesteren tegen het autoritaire regime in Algiers.’

Koloniale erfenissen

De Algerijnse Oorlog is meer dan zestig geleden geëindigd, maar heeft nog niet aan actualiteit ingeboet, besluit Fatima Faid. ‘Er is nog steeds een groot sentiment in Frankrijk, dat ze Algerije nooit weg hadden moeten geven.’ De erfenis van het kolonialisme werkt bovendien door, wat nu heel zichtbaar is geworden door de hevige rellen na de politiemoord op de 17-jarige Noord-Afrikaanse Nahel. ‘De politiebonden hebben het nu over het uitroeien van ongedierte. Dat zeiden ze in de tijd van mijn vader ook. Als je mensen dehumaniseert, dan is alles geoorloofd.’

België en Nederland worstelen eveneens met hun koloniale verleden, en met de multiculturele samenleving, vervolgt Faid. ‘In Den Haag heeft 72 procent van de mensen onder de vijfentwintig een biculturele achtergrond. De witte gemeenschap heeft geen meerderheid meer. Veel witte mensen vinden dit eng. Het betekent dus dat er een nieuwe generatie komt en daar volgt weer een nieuwe generatie op. Deze mensen gaan de toekomst mede vormgeven. Ik denk dat dit goed is, maar het betekent ook dat je met je koloniale, racistische verleden in het reine moet komen en de multiculturele realiteit moet accepteren. Doe je dat niet, blijf je in oude koloniale patronen denken, dan gaan we meer van dit soort situaties krijgen, zoals de onrust in Frankrijk nu.’

De onvrede van mensen van kleur, zwarte mensen, in Frankrijk, maar ook in België en Nederland, zit heel diep. ‘De derde en vierde generatie nakomelingen van immigranten leven nog steeds in een gemarginaliseerde positie. Zij accepteren dit niet. Ik zeg niet dat geweld per definitie oké is, maar ik spreek wel Martin Luther King na, die zei: ‘Geweld is de stem van de mensen die niet gehoord worden.’ We moeten dus echt aan de slag.’

Indonesische en Algerijnse onafhankelijkheid

Tussen de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog (1945-1949) en de Algerijnse Onafhankelijkheidsoorlog bestaan interessante paralellen, vertelt Niek Pas. Nederland wilde Nederlands-Indië behouden en ook Frankrijk wilde Algerije onder geen beding opgeven. Nederland en Frankrijk zetten grof geschut in om hun doel te bereiken, wat tot veel burgerslachtoffers leidde. Ook maakten beide landen zich schuldig aan buitenrechtelijke executies en martelingen. Maar hoewel ze militair het overwicht hadden, verloren ze de oorlog dankzij de politiek – Nederland omdat de Verenigde Naties, met name de Verenigde Staten felle kritiek uitten; Frankrijk ook vanwege kritiek van het buitenland, maar vooral omdat president Charles de Gaulle inzag dat de tijden waren veranderd en Algerije maar beter onafhankelijk kon worden.

Reactionaire krachten in Nederland en Frankrijk konden dit niet verkroppen: in Nederland leidde dit in 1947 tot plannen voor een staatsgreep door oud-premier Pieter Sjoerds Gerbrandy en ‘Soldaat van Oranje’ Erik Hazelhoff Roelfzema, waarbij PvdA-voorman Koos Vorrink vermoord moest worden. Uiteindelijk kon de coup worden verijdeld, omdat de militaire inlichtingendienst werd getipt en maatregelen trof.

In april 1961 pleegden vier Franse generaals een putsch in Algiers. Ze hoopten dat de rest van het leger hen zou steunen en De Gaulle zou afzetten. De coup faalde, omdat het leeuwendeel van het Franse leger en het Franse volk achter De Gaulle bleven staan. Een jaar later pleegde de extreemrechtse Franse terreurgroep Organisatie van het Geheime Leger (OAS) een mislukte aanslag op De Gaulle.

Ten slotte kun je de positie van de Harki’s, Algerijnen die voor de Fransen vochten en na de onafhankelijkheidsoorlog massaal naar Frankrijk zijn gevlucht, goed vergelijken met die van de Molukkers die voor het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) vochten. ‘Net als de Molukkers voelen Harki’s zich achtergesteld en vragen ze om erkenning’, zegt Niek Pas.

Ondanks deze overeenkomsten zijn de verschillen tussen beide dekolonisatieoorlogen groter, aldus Pas: ‘De oorlog in Algerije was veel dichterbij, vlakbij Europa, aan de andere kant van de Middellandse Zee. Daarnaast was Algerije officieel een Franse provincie, die in de ogen van Parijs onlosmakelijk met Frankrijk verbonden was, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Marokko of Vietnam. Er woonden in Algerije een miljoen Europeanen, met naast een half miljoen Fransen ook veel Italianen, Grieken en Maltezers, en daarenboven een grote Joodse gemeenschap van meer dan honderdduizend mensen. Zij hebben na de onafhankelijkheid in 1962 bijna allemaal het land moeten verlaten.’

Belangrijk is tevens dat de Algerijnse Oorlog voor een regime change in Frankrijk zorgde. In 1958 kwam De Gaulle aan de macht, de held van de Tweede Wereldoorlog. De Franse kolonisten, de pieds noirs (zwartvoeten) hoopten dat De Gaulle hun zaak zou steunen, maar hij besloot uiteindelijk de Algerijnse onafhankelijkheid te accepteren. De Vijfde Republiek gaf de president veel macht, maar Frankrijk werd niet – wat door sommige linkse critici werd gevreesd – een fascistische dictatuur. Pas: ‘Charles de Gaulle was een democraat. Hij was, omdat hij zowel onder het leger als onder het Franse volk over veel moreel gezag beschikte, de enige die de oorlog tot een goed einde kon brengen. De Gaulle koos verstandig.’

Nu u hier toch bent...

Goede journalistiek kost geld. Leden en donaties maken onze gebalanceerde berichtgeving over biculturaliteit, zingeving en vrijheid mogelijk. Steun ons daarom als u ons werk belangrijk vindt.

Vertel mij meer!
- Advertentie -