6.7 C
Amsterdam
Home Blog Pagina 1038

De etnische lens: de buurt

0
Schilderswijk-DenHaag.png
Foto: © Wikimedia Commons

Het dagelijkse actuele nieuws is gekaderd door de etnische lens. In de Oekraïne vechten etnische Russen tegen Oekraïners, in de Gazastrook woedt een oorlog tussen Israeli’s en Palestijnen. Maar dichter bij huis duikt de etnische lens ook steeds vaker op. In deze column kijk ik naar de etnische lens in de buurt.

We vinden het ondertussen heel gewoon dat mensen een buurt ”Turks” of ”Marokkaans” noemen. Mensen hebben het over een ”zwarte buurt” of een ”migrantenbuurt”. De suggestie is dat het wonen in een dergelijke buurt wordt bepaald doordat er een bepaalde etnische groep woont. Ook wetenschappers die buurtrelaties bestuderen gebruiken vaak een dergelijke etnische lens. Ze leggen bijvoorbeeld een verband tussen de leefbaarheid ? of juist de spanningen ? in de buurt en de aanwezigheid van bepaalde etnische groepen. In Nederland leidt een dergelijke visie niet direct tot een geweldadig conflict, maar ook hier is het schijnbaar makkelijker om alles te herleiden tot een etnisch verschil.

Amsterdam gaf het onderzoeksbureau O&S opdracht voor een ambitieus project: om onderzoek te doen naar conflicten en spanningen in 20 Amsterdamse buurten. Een hele interessante studie die in een vijftal publicaties naar buiten is gebracht. In de studies wordt onder andere ingegaan op de spanningen tussen verschillende etnische groepen in de buurten. Verschillen in leefstijlen of cultuurverschillen worden door de geïnterviewde bewoners vaak als oorzaak van de conflicten genoemd. De grote hoeveelheid onderzoeksmateriaal die zo duidelijk in de richting van een etnische verklaring leidt vormde voor mij een mooie uitdaging om juist naar een alternative verklaring voor de conflicten te zoeken. Dat is ten slotte een van de grondgedachtes van de wetenschap. Je probeert een bestaande verklaring (in dit geval de etnische verklaring) te weerleggen en een andere verklaring te formuleren om zo een beter inzicht te krijgen.

Ik was vooral gefascineerd door de uitkomsten van de wijk Haveneiland West in de Amsterdamse uitbreidingswijk IJburg. Die prachtige nieuwbouwwijk is gebouwd door beroemde architecten voor de nieuwe middenklasse van Amsterdam. Grote appartementen waarvan velen zicht hebben op het IJ trokken vanuit de hele stad kopers en huurders aan. Slecht een klein deel van de huizen in de wijk is sociale huurwoningen (14 procent). En juist dat blijkt de wijk waarin volgens het rapport van O&S de grootste conflicten tussen bewoners te vinden zijn. Meer mensen dan bijvoorbeeld in de Bijlmer geven aan dat er conflicten zijn tussen de bewoners. De Nieuwe Haven is een meerderheids-minderheden-wijk, er is niet één groep die de meerderheid vormt. Mensen van Nederlandse afkomst vormen een nipte minderderheid (47 procent) in de wijk. De vier klassieke minderheidsgroepen (van Turkse, Marokkaanse, Surinaamse en Antilliaanse afkomst) vormen samen een kwart van de bewoners en een ander kwart van de andere bewoners is een mix van nieuwe en oudere migrantengroepen. Het is wat de Amerikaanse socioloog Steve Vertovec een superdiverse buurt zou noemen. Want naast een grote etnische diversiteit wonen er ook mensen van allerlei sociale klassen en leeftijdsgroepen.

Nergens in Amsterdam lijken de bewoners zó met elkaar in botsing te komen als in deze wijk. Waarom? Aan de andere kant van Amsterdam, in West, in de Jacob van Lennep buurt, is de bewoners populatie bijna identiek in etnische zin. De Jacob van Lennep buurt is echter één van de wijken met de laagste scores op conflict en spanningen. Dat vond ik bijzonder interessant. Waar de etnische mix in IJburg voor heel veel spanningen zorgt is dat blijkbaar niet het geval in de Jacob van Lennep buurt. Hoe kan dat? Misschien is de etnische verklaring toch iets te simpel?

De geluidsoverlast van spelende kinderen (tot 14 jaar) is in de buurt op IJburg één van de hoogst scorende oorzaken van overlast. De kinderen spelen in de binnentuinen waarvan de omringende woonblokken werken als een klankkast die alle geluiden in de binnentuinen verstrekt. Doordat de buurt relatief veel gezinswoningen heeft en nog zo nieuw is, is het aandeel jonge kinderen bijzonder groot en het is ook groter dan werd verwacht: meer dan een kwart van de bewoners is onder de twaalf jaar. De kleine kinderen zijn relatief vaak van Nederlandse afkomst. De oorzaak van de overlast is echter niet etnisch (ook al gaat het voor het merendeel om kinderen van Nederlandse afkomst) maar de fysieke bouw van de huizenblokken veroorzaakt dat gewoon buiten spelende kinderen toch aanzienlijke geluidoverlast geven. Het zelfde geldt voor overlastgevende jongeren. Bij gebrek aan ander onderdak in de buurt, staan ze onder de luifel van de entree van de huizenblokken of binnen in het portiek of de gallerij. De wat oudere tieners zijn hier weer vaker van Surinaamse, Marokkaanse of Turkse afkomst. Die verdeling in leeftijdsgroepen naar etnische groepen leidt er toe dat de overlast door de bewoners etnisch wordt geduid, terwijl het eigenlijk om heel algemeen en gewoon gedrag van jongeren gaat.

Door de ervaren overlast denkt ruim één derde van de bewoners negatief over andere bevolkingsgroepen. Dat is meer dan in elke andere van de 20 wijken uit het onderzoek. Maar interessant is dat als gevraagd wordt of het negatieve oordeel geldt voor álle leden van die bevolkingsgroep waarover men negatief denkt, maar 2 procent zegt dat dit het geval is. Blijkbaar hebben mensen ook positieve ervaringen met mensen uit diezelfde etnisch groep en willen zij die mensen niet wegzetten als problematisch. Tegelijkertijd worden de negatieve ervaringen wèl etnisch geduid, maar de positieve ervaringen dus blijkbaar niet. We zagen zoiets ook al bij mijn vorige column over het onderwijs. Schooluitval onder Turks-Nederlandse en Marokkaans-Nederlandse kinderen wordt toegeschreven aan een etnische oorzaak, maar schoolsucces onder diezelfde groepen (het behalen van een Hbo of Universitair diploma) niet.

In de Jacob van Lennep buurt werkt dat blijkbaar anders. Enerzijds omdat mensen door de fysieke omstandigheden minder overlast van elkaar ervaren (er zijn in die buurt daar geen binnentuinen en er zijn meer voorzieningen voor jongeren) maar ook door een ander belangrijk verschil. In de Jacob van Lennep buurt hebben twee keer zoveel respondenten contact over de etnische groepsgrenzen heen, blijkt uit het onderzoek. En door die contacten worden de ook daar aanwezige negatieve ervaringen veel minder vaak etnisch geduid. Door de contacten worden de positieve ervaringen van de buurtbewoners blijkbaar meer betekenisvol en vormen zij een buffer tegen de negatieve etnische duiding. Als je als Turks gezin Nederlandse buren hebt waar je persoonlijk vriendelijk contact mee hebt dan denk je als een Nederlands jongetje van andere buren altijd zijn fiets in het portiek zet waardoor je er maar met moeite door kunt (een reëel voorbeeld uit het onderzoek) niet: ”Dat is een hinderlijke typisch Nederlandse gewoonte”. Je denkt gewoon: ”Dat ene jongetje doet dat en dat is hinderlijk”.

Die uitkomst betekent een belangrijke doorbraak voor ons inzicht om spanningen tussen bewoners te voorkomen. Er zullen namelijk altijd negatieve ervaringen zijn tussen bewoners van verschillende etnische groepen. Maar alleen via persoonlijke interetnische contacten slaan die negatieve ervaringen niet om in het etnisch duiden van die negatieve ervaring. In het beleid voor buurten gaat de aandacht vooral uit naar het voorkomen van negatieve ervaringen. Begrijp mij goed, dat is natuurlijk belangrijk, maar om te zorgen dat die negatieve ervaringen niet tot conflicten leiden waarin etnische groepen tegenover elkaar komen te staan heb je vooral meer interetnisch contact tussen mensen nodig. Belangrijk om te benadrukken is dat het dus niet nodig is dat jij persoonlijk de overlastgevende jongens in het portiek aanspreekt, maar het is wel belangrijk dat je, zelfs als is het maar oppervlakkig, contact legt buiten je eigen groep. Dat levert iedereen wat op. Het levert jou persoonlijk iets op omdat je negatieve ervaring met individuen niet langer als een daad gezien worden van een hele groep. Dat is belangrijk voor je gevoel van veiligheid in je buurt. En tegelijkertijd wordt met jouw contact de sfeer van de wijk in zijn geheel verbeterd.

Mijn 13-jarige dochter, die toevallig in IJburg op school zit en de buurt dus kent, antwoordde toen ik het haar voorlegde: ”Dus het begint bij jou zelf”. Inderdaad, het begint bij ons. Als wij zelf open staan voor contacten buiten onze eigen etnische groep dan ontstaat er een andere, minder negatieve sfeer in de buurt. Vanuit een recent Engels onderzoek kan daar nog iets aan worden toegevoegd. Als er in een buurt mensen zijn die contacten onderhouden over etnische grenzen heen dan levert dat niet alleen die mensen die zulke contacten onderhouden iets op, maar zelfs de mensen die niet zulke contacten onderhouden. Ook de mensen zonder interetnische contacten hebben volgens het onderzoek meer vertrouwen in mensen buiten hun eigen groep omdat ze zien dat mensen van hun eigen etnische groep contacten onderhouden met mensen buiten hun groep. Bruggen bouwers in wijken zijn dus ongelooflijk belangrijk. Het zijn meestal heel gewone mensen in heel gewone situaties die zulke contacten onderhouden, moeders op speelpleintjes, vaders in het portiek die een praatje maken, kinderen op school en buurtbewoners in de winkels. Het begint dus inderdaad bij ons zelf, maar het levert ons allemaal iets op!

Maurice Crul is hoogleraar Onderwijs en Diversiteit aan de Vrije Universiteit Amsterdam en de Erasmus Universiteit Rotterdam.

De etnische lens: onderwijs

0
onderwijs-school-educatie-MauriceCrul-DeEtnischeLens.png
Foto: © AP

New Yorkers kijken naar alles om hen heen door de etnische lens. Een buurt is Chinees, Italiaans of het was vroeger Pools en nu Colombiaans. Ook de lokale politiek wordt op die manier geduid. Een politicus is niet alleen een Democraat of Republikein maar ook Latino, Asian of African American. Ook mijn Sociologie en Politicolgie collega’s op de City University of New York en in Princeton analyseren de wereld om hen heen op een dergelijke manier. Van de manier waarop kinderen op school presteren tot de keuze waar iemand gaat wonen en de manier waarop mannen en vrouwen met elkaar omgaan wordt geduid door de etnische lens. Het was één van die dingen die mij als gasthoogleraar in New York opvielen en ik besloot een deel van mijn tijd in New York te besteden aan het nader onderzoeken van dit fenomeen.

Ik erken enerzijds het belang van iemands etnische afkomst maar tegelijkertijd geeft het mij ook een enigzins ongemakkelijk gevoel. Ik denk dat iemands etnische afkomsts niet altijd doorslaggevend is in de verklaring van zijn of haar gedrag, prestaties of opvattingen. Versmalt de etnische lens ons blikveld juist niet in plaats van dat het, kenmerkend voor een lens, ons beeld juist scherper maakt? Ik besloot om de proef op de som te nemen en twee onderwerpen te kiezen waarin de blik door de etnische lens vaak de dominante blik is. In het onderwijs is de etnische lens bijzonder sterk aanwezig en ook als men over buurten praat is dat het geval. In dit eerste deel van mijn verhaal kijk ik naar onderwijs.

Onderwijsprestaties worden, ook in Nederland, vaak uitgesplitst naar etnische groepen. Nederlandse kinderen met Nederlandse voorouders doen het meestal het beste in het onderwijs en Nederlandse kinderen met Turkse of Marokkaanse voorouders staan aan de andere kant van het spectrum. We weten dat veel van het verschil wordt verklaard door de opleiding van de ouders. Maar ook als je kinderen vergelijkt van ouders die hetzelfde opleidingsniveau hebben blijft er meestal nog een aanzienlijk verschil over. Dat wordt meestal aangeduid als de “etnische factor” of het “etnische verschil”. Wat dat precies betekent blijft vaak nogal vaag. Hechten ouders van Turkse of Marokkaanse afkomst soms minder belang aan onderwijs? Vinden zij het onderwijs van meisjes misschien minder belangrijk dan dat van jongens? De etnische lens opent de sluizen voor allerlei vooroordelen en stereotypen.

In mijn eigen zoektocht vond ik twee belangrijke argumenten tegen de etnische lens in het onderwijs. Ik heb ze uitgewerkt in een wetenschappelijk artikel en ik vat ze hier kort samen. Het eerste argument is de grote verscheidenheid binnen één en dezelfde etnische groep. We vinden bijvoorbeeld onder jongeren van Turkse afkomst ongeveer even veel voortijdige schoolverlaters als jongeren die een HBO of een universitair diploma hebben. Het relatief grote aandeel Turks-Nederlandse voortijdig schoolverlaters is voor de mensen die de wereld door de etnische lens bekijken een bewijs van een negatieve Turkse factor. Maar als etniciteit een verklaring zou zijn voor negatieve onderwijsuitkomsten hoe moet dit dan met het omgekeerde? Tenslotte is er een even grote groep juist opvallend succesvol gezien de lage opleiding van hun ouders. Als dit juist door de positieve Turkse factor komt hebben we een probleem: Ze kunnen niet allebei tegelijkertijd waar zijn. Als etnicteit een verklaring is voor voortijdig schoolverlaten, hoe kan dan tegelijkertijd etniciteit ook de verklaring zijn voor een positievere uitkomst?  De etnische lens heeft een zichtbaar probleem als niet alleen negatievere uitkomsten verklaard moeten worden maar ook de positievere.

Het andere belangrijke probleem van de etnische lens is dat door de focus op etniciteit de omstandigheden waaronder jongeren moeten presteren buiten schot blijft. Ik vond drie school-systeem-factoren die samen een alternatieve verklaringen geven voor de etnische verklaring van het verschil in prestaties. Het volgen van de peuterspeelzaal of de crèche, het bezoeken van een gemengde school en het selectie proces rond het schooladvies aan het eind van de basisschool. In het zogenaamde TIES-onderzoek dat ik heb gecoördineerd reconstrueerde we de schoolcarrières van 500 tweede generatie Turks-Nederlandse jongeren en 500 autochtone jongeren in Amsterdam en Rotterdam. De autochtone jongeren gingen ook bij een gelijke opleiding van de ouders ruim anderhalf keer zoveel naar havo en vwo dan de tweede generatie Turks-Nederlandse jongeren. Van de Turks-Nederlandse jongeren ging een deel naar de peuterspeelzaal of de crèche. Van die jongeren ging een veel groter deel later naar havo of vwo. Door de deelname wordt de helft van het gat gedicht in doorstroming naar havo en vwo met autochtone jongeren gedicht. Niet een etnische factor, maar de beschikbaarheid van een crèche plaats of de peuterspeelzaal is de reden voor het ontstaan van het verschil. Sommige Turks-Nederlandse kinderen uit de steekproef gingen niet alleen naar de peuterspeelzaal of de crèche, maar ook naar een basisschool waar de helft of meer van de kinderen van Nederlandse afkomst waren. Die tweede omstandigheid dicht bijna het hele gat in de doorstroom naar havo/vwo met de jongeren van Nederlandse afkomst. De derde factor is het selectie proces na de basisschool. Bij een niet onaanzienlijk deel van de jongeren van Nederlandse afkomst die een gemengd basisschool advies (vmbo-t/havo) krijgen weten de ouders hen toch op een havo/vwo school te krijgen. Dat lukt de Turkse ouders minder goed. Meer Nederlandse ouders weten een gemengd advies om te buigen in toegang tot een havo-opleiding. Als dit proces voor iedereen gelijk zou verlopen zou ook het laatste kleine verschil van de zogenaamde etnische factor worden weggewerkt.

De twee tegenargumenten bewijzen voor mij hoe belangrijk het is om kritisch te zijn over de etnische lens. In plaats van dat we zoeken naar waarin de Turkse ouders in gebreken blijven richt de lens van de onderzoeker zich hier op de gelijke toegang tot peuterspeelzalen en de creche en het belang van gemende scholen. Ook vanuit het oogpunt van beleid is het belangrijker om te kijken naar welke factoren schoolsucces bevorderen. De onderwijs omstandigheden moeten er ideaal gezien voor zorgen dat de achtergrondkenmerken van de ouders er niet meer toe doen. Als kinderen op de peuterspeelzaal Nederlands als tweede taal leren dan maakt het ook minder uit of je ouders het al dan niet goed spreken. Een kind wordt dan niet gestraft voor het feit dat zijn ouders deze taal niet goed machtig zijn. Ons streven moet zijn dat geen enkel kind de dupe wordt van wat zijn of haar ouders hen toevallig wel of niet kunnen meegeven. Wees daarom kritisch om de etnische lens te gebruiken bij het interpreren van verschil.

Maurice Crul is hoogleraar Onderwijs en Diversiteit aan de Vrije Universiteit Amsterdam en de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Turkije kiest voor het Russische model

0
Turkey_Russian_flaqs_120510.jpg

Conform de voorspellingen heeft de Turkse premier Recep Tayyip Erdo?an de eerste directe presidentsverkiezingen gewonnen, waarmee hij na drie termijnen als pre­mier zijn macht continueren kan, omdat het ambt van president aan die behoef­ten kan en zal worden aangepast. Om dat mogelijk te maken heeft hij slechts een stevige zege van zijn partij bij de komende parlementsver­kiezin­gen nodig, en er bestaat weinig twijfel, dat hij die ook verwerven zal.

Zijn macht over de media is daartoe inmiddels groot genoeg, zoals al tijdens de campagne vooraf­gaande aan de verkiezingen van zondag bleek, waarbij zijn beide opponen­ten slechts een fractie van de zendtijd op tv kregen die aan Erdo?an was toebedeeld. In dat licht is zijn score eigenlijk heel matig te noemen ? Poetin doet het met dezelfde middelen in Rusland beduidend beter. Het betekent dat ondanks de grote electorale steun voor Erdo?an tegelijk ook de electorale weerstand tegen hem nog enorm is. Turkije blijft een in twee helften verdeeld land, en ook de belofte van Erdo?an dat hij de president van alle Turken zal zijn, zal daar weinig aan veranderen. Zijn gedrag jegens zijn politieke opponenten in het verleden lijkt dat voor de toekomst te garanderen.

Kortom: dat presidentiële stelsel, dat Erdo?an voor ogen staat, zal onge­twijfeld op verzet stuiten, maar het zal er wel komen. Er zijn eigenlijk maar twee grote westerse landen die dat kennen ? in vrijwel alle Europese demo­cratieën ligt het zwaartepunt bij het parlement, en vervult het staatshoofd slechts een ceremoniële rol. Meestal wordt het ook, als in Duitsland, door het parlement gekozen, gelijk vroeger in Turkije het geval was. Zwitserland moet het zelfs zonder echt vast staatshoofd doen; de taken van de bondspre­sident worden daar bij tourbeurt voor de duur van een jaar vervuld door een van de zeven ministers die samen de bondsraad vormen.

De uitzondering vormt ? naast de Verenigde Staten ? Frankrijk, sinds de stichting van de Vijfde Republiek in 1958. De sterke, direct gekozen president moest hier een antwoord vormen op de hopeloze verdeeldheid en verbrokkeling van het dominante parlement over tal van partijen tijdens de Vierde en Derde Republiek ? een probleem dat zich in Turkije met zijn kiesdrempel van 10 procent niet voordoet. In Duitsland kende men tijdens de Weimarrepubliek na 1918 die verbrokkeling ook, plus een sterke, direct gekozen president, wat uiteindelijk de opkomst van Hitler mogelijk maakte. Hier was de les: een ceremoniële president en een sterk parlement, waarin met behulp van een kiesdrempel het aantal partijen beperkt werd gehouden, zodat het land regeerbaar bleef.

In de Verenigde Staten is de president nu zeer machtig, ofschoon het Congres ? vaak met een meerderheid van de partij die niét het Witte Huis bewoont ? in staat is zeer veel wetgeving tegen te houden, en daarmee de besluitvorming kan verlammen. Alleen op het gebied van de buitenlandse politiek heeft de president een grote speelruimte, en mede daardoor is hij in de loop van twee eeuwen steeds machtiger geworden. Dat was door de opstellers van de Ameri­kaanse Grondwet indertijd niet voorzien, die streefden bewust naar een machteven­wicht, het machtsmisbruik van koningen indachtig. Overigens wordt de macht van de presi­dent in Washington mede ingeperkt door een sterk onafhankelijk rechter­lijk apparaat.

Wat betekent dit voor Turkije? Reden voldoende om zich zorgen te maken, omdat de trias politica in Ankara niet naar behoren functioneert. De uitkomst van de recente corruptieschandalen heeft bewezen dat Erdo?an al als premier in staat was om justitie te kortwieken. Met een meerderheid voor zijn AKP in het parlement valt te verwachten dat ook de wetgevende macht niet echt tegenwicht zal gaan bieden. Als direct gekozen president zal Erdo?an zich bovendien op het democratisch mandaat van de volkswil beroepen.

Turkije dreigt zich zo steeds verder van een constitutione­le in de richting van een plebiscitaire democratie te ontwikkelen. Dit cruciale onderscheid is ooit eens door de Amerikaans-Indische politicoloog Fareed Zakaria ge­maakt. In een constitutionele democratie komt de rechtsstaat voor de democratie ? letter­lijk: in dit soort landen is de rechtsstaat ouder. Neem Nederland, een rechtsstaat, een onafhankelijke rechterlijke macht met gelijkheid van alle burgers voor de wet. Sinds het begin van de negentien­de eeuw, maar pas een democratie ? met algemeen kiesrecht voor alle volwassen burgers ? sinds het begin van de twintigste eeuw. Die volgorde geldt ook voor de meeste andere landen in West-Europa.

Elders zien we vaak het fatale tegendeel: eerst directe verkiezingen ? en die rechtsstaat komt er vervolgens nooit. De wil van de meerderheid kan zo de rechten van de minderheid bedreigen. De essentie van een democratie is namelijk dat de meerderheid haar zin krijgt, die van een rechtsstaat dat de minder­heid tegen mogelijk machtsmisbruik van de meerderheid wordt be­schermd. In een autocratisch land als Rusland kan Poetin zeggen: ik ben door het volk geko­zen, dus ik kan namens het volk doen wat ik wil. De gekozen dictator ligt zo op de loer, omdat de rechts­staat ? die vanwe­ge de onafhan­kelijkheid van de rechterlijke macht een veel belangrij­ker bescher­ming voor de vrijheid van burgers vormt dan de democra­tie ? zo verder onder druk komt te staan. Helaas dreigt Turkije zich nu met Erdo?an meer in Russische dan in Europese richting te ontwikkelen.

Thomas von der Dunk is cultuurhistoricus.

Erdogans uitval naar Israël dient slechts electoraal doel

0
Erdogan-Davos-Turkije.jpg
Foto: © Reuters. Recep Tayyip Erdo?an & Shimon Peres tijdens het Wereld Economisch Forum in de Zwitserse stad Davos (29 januari 2009).

Buitenlandse politiek is steeds meer ook binnenlandse politiek. En binnen­landse politiek heeft in toenemende mate effecten op de buitenlandse politiek. Dat is een algemeen verschijnsel dat niet los valt te zien van de globalisering en de mediacratie, die er tezamen voor zorgen dat men niet alleen meer dan vroeger geraakt wordt door gebeurtenissen ver weg, maar deze ook full colour via tv en internet in ieders huiskamer binnendringen. Dat laatste versterkt uiteraard het eerste.

In democratieën gaat dit speciaal in verkiezingstijd op. Dat zien wij nu in Turkije. Premier Recep Tayyip Erdo?an, die steeds meer een autoritaire koers is gaan varen, heeft, in de strijd om het presidentschap, zijn greep op de media versterkt en via arrestaties van de belangrijk­ste justitiële betrokkenen gepoogd het onderzoek naar zijn betrokkenheid bij de recente grote corruptieschandalen te frustreren. Maar ook de buitenlandse politiek wordt daarvoor binnenlands ingezet, met de nodige risico’s van ­dien. De afgelopen dagen heeft hij, naar aanleiding van de verwoestende invasie van Gaza zo hard naar Israël uitgehaald ? namelijk de Israëlische regering van racisme beticht en haar doeleinden aan die van Hitler gelijkgesteld ? dat het in 2001 opgerichte comité voor Turks-Ameri­kaanse relaties van het Ameri­kaanse Congres een waar­schuwende brief naar Ankara heeft gestuurd, met de dringende oproep zijn toon te matigen. Erdo?an heeft die brief niet alleen naast zich neergelegd, maar hem zelfs op verkiezingscam­pagne ter sprake gebracht, met de mededeling dat als de Amerikanen denken hem met dreigementen te kunnen bejegenen, zij een soortgelijk antwoord terug kunnen verwachten.

Vanouds, in de tijd dat in Ankara de Kemalisten en in West-Jeruzalem de linkse Arbeiderspartij regeerden, waren de relaties tussen Turkije en Israël zeer redelijk, tot regelmatige militaire samenwerking aan toe. Daarin is sinds de eeuwwisseling steeds meer de klad gekomen. Dat kwam mede doordat met het aan de macht komen van Erdo?ans islamistische AKP (Partij voor Rechtvaardigheid en Ontwikkeling) voor Ankara religieuze verwantschap een belangrijker rol in de internationale politiek ging spelen. De traditionele seculiere oriëntatie op Europa maakte, ook omdat Europa zélf steeds meer over een toekomstig Turks EU-lidmaat­schap begon te aarzelen, tenminste gedeelte­lijk plaats voor neo-Ottomaanse ambities: Turkije als lichtend voorbeeld voor de Arabische wereld, bijvoor­beeld bij de democratiseringspogingen tijdens de zogeheten Arabische Lente. Erdo?an voelde zich zeer verwant met de Moslimbroeders van de vorig jaar bij een militair-seculiere staatsgreep afgezette president Morsi die zich op zijn beurt weer als een bondgenoot van de Palestijnse Hamas had ontpopt.

In Israël heeft, omgekeerd, in de afgelopen decennia electoraal een radicaliseringsproces plaatsgevonden, wat zich in een permanente greep op de regering door extreemrechtse ultranationalisten vertaalt, die als woordvoer­ders van de kolonisten in de illegale nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever fungeren. Steeds minder voor rede vatbaar, en bewust de vereniging van Fatah en Hamas in één Palestijnse regering saboterend, heeft het kabinet van Netanyahu de moord op drie joodse studenten aangegrepen voor een grootschalige wraakactie die inmiddels bijna tweeduizend Pale­stijn­se burgers het leven heeft gekost.

Dat brengt zowel Ankara als Washington in een moeilijk parket, en plaatst zowel de Turkse als de Amerikaanse regering voor een dilemma. Erdo?an weet dat het Israëlische optreden voor veel Turken – en zeker voor veel Turkse moslims, die zich met Arabische moslims verwant voelen ? onacceptabel is. Zou hij gezwegen hebben, dan was dat voor zijn eigen achterban onacceptabel geweest ? en juist nu Erdo?an er naar streeft om de presidentsverkiezingen met een absolute meerderheid te winnen, kan hij zich niet veroorloven om in dit opzicht als slapjanus te boek te staan. Met harde taal valt hier electoraal winst te behalen. Tegelijk dreigt hem dat ? getuige de genoemde brief uit Washington ? van Amerika te vervreemden, dat ten eerste de belangrijkste NAVO-partner is, en ten tweede altijd een belangrijke steun is geweest bij het nastreven van Ankara’s Europese ambities, die het nog steeds niet opgegeven heeft.

Voor Washington is het probleem dat, mede door een sterk georganiseer­de christelijke en joodse lobby in Amerika zelf, geen regering het zich electoraal veroorlo­ven kan om Israël te laten vallen, maar tegelijk het steevast tolere­ren van de complete ontsporing van Israël intussen Amerika van de islami­tische wereld dreigt te vervreemden. Voor Ankara is Washing­ton traditioneel een belangrijke bondgenoot, maar het omgekeerde geldt ook. De eigen onge­bruikelijk harde taal na de bombarde­menten van VN-scholen geeft aan hoezeer Washington met de Gaza-actie in haar maag zit. Het laatste wat het echter nu gebruiken kan is een Turkse premier die, electoraal verklaar­baar, woorden kiest die daar nog ver overheen ­gaan, en Washington tot distantiëring dwingen. Een sterke verkoeling van de Turks-Amerikaanse relaties is echter in het belang van geen van beide landen, en dat verklaart ongetwijfeld de bezorgde brief van de Amerikaanse Congres­leden, die Erdo?an om binnenlandspolitieke redenen negeert.

Hoezeer zijn uitval naar Israël slechts een electoraal doel dient, en zijn boze woorden niet tegelijk door daarmee corresponderende daden worden gevolgd, mag blijken uit het feit dat hij intussen geen enkele belemmering op­werpt voor handel met Israël. Integendeel: hij is gewoon de brandstof voor de F-16’s blijven verko­pen, waarmee Gaza wordt gebom­bardeerd. De vraag, in hoeverre deze discrepantie als gevolg van Erdo?ans macht over de media nog tot het Turkse electoraat doordringt én de verkie­zingsuitslag beïnvloedt, zal veel zeggen over de staat waarin de Turkse democratie en persvrijheid op dit moment verkeren.

Thomas von der Dunk is cultuurhistoricus.

Erdogans ongeremd verlangen naar macht

0
DHA-Erdocraat-Erdogan-Erdocratie-AKP-Tayyip-Recep.png
Foto: © AA

Macht corrumpeert en veel macht corrumpeert veel, aldus een bekend gezegde. En hetzelfde geldt ook voor langdurige macht, zelfs in een democratisch systeem met reguliere verkiezingen. Om die reden heeft men bijvoorbeeld in de Verenigde Staten na de dood van Franklin Delano Roosevelt in 1945 bepaald dat een president na maximaal twee termijnen van vier jaar hoe dan ook voor een ander plaats moet maken.

Wie langer regeert, zo wijst de praktijk uit, begint zelfs in een politiek systeem waar de trias politica naar behoren functioneert – dus waar de wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht goed geschei­den zijn – steeds meer autoritair-autistische trekken te vertonen en naast zijn schoe­nen verlopen. Er treedt in zekere zin een verminderd besef van de werkelijk­heid op, en de politicus in kwestie begint zich onmisbaar te wanen. Dat zagen we in Groot-Brittannië op een gegeven moment met Tony Blair, en in Nederland met Ruud Lubbers. Langdurige macht werkt namelijk byzantinis­me bij de omgevinmg in de hand. Als de machthebber onaantastbaar lijkt, is de eigen carrière erbij gebaat om hem naar de mond te praten en vooral geen dingen te laten horen die niet in de smaak zouden kunnen vallen. Dat versterkt dan weer, omgekeerd, het gevoel van uitverkorenheid en het aktijd bij het juiste eind te hebben bij de leider. Dat zien we al bij Geert Wilders.

Een aanmerkelijk zorgwekkender voorbeeld (gezien zijn veel grotere macht) levert dezer dagen de Turkse premier Recep Tayyip Erdo?an – in een land, waar de trias politica, ofschoon op zich in de constitutie veran­kerd, níet naar behoren functioneert. Erdo?an, thans ruim 11 jaar aan de macht, is bezig aan zijn laatste wettelijk toegestane termijn als premier. Maar hij is niet van plan daarna te gaan rentenieren. Hij heeft zijn zinnen nu gezet op het president­schap, dat daartoe van een meer representatief tot een richtingge­vend ambt dient te worden omgebouwd. En daarvoor moet alles aan bestaande belemmerende wetge­ving opzij worden gezet.

Het doet sterk denken aan Vladimir Poetin: in het jaar 2000 ook binnen een formeel democratische structuur aan de macht gekomen, en sindsdien op geen enkel moment van zins om de macht ooit weer uit handen te geven. Toen Poetins maximumtijd als president om was, werd hij even premier en mocht zijn laatste premier Dmitri Medvedev voor hem de presidents­zetel warm houden, tot hijzelf constitutioneel gerechtigd was om na dat korte interval opnieuw president te worden. Ook Poetin heeft de Russische staatsstructuur zoveel mogelijk aan zijn eigen behoeften aange­past.

Sommige van zijn methodes zijn ook zeer leerzaam om Erdo?an optreden te begrij­pen. Een belangrijk parallel: beiden spelen de cultureel-conservatief-reli­gieuze kaart – tegen ‘westerse decadentie’ – uit om aanhang te winnen: het bijzon­dere eigen karakter van Rusland c.q. Turkije staat voorop. Belangrijk verschil: Erdo?an gelooft daarbij zelf wel in zijn islamisti­sche boodschap, waar Poetins omarming van de Russisch-Ortho­doxe Kerk volslagen oppor­tu­nis­tisch is. Belangrijk tweede verschil, dat het eerste verschil verklaart: Poetin is afkomstig uit de KGB, en daarmee een verte­genwoordiger van de oude seculie­re communistische elite van de Sovjet-Unie, met een naadloze carrière omhoog. Hij is als president van bovenaf geparachuteerd. Erdo?an daarentegen is ooit zelf slachtoffer geweest van de oude seculiere Turkse elite – en lijkt, nu hijzelf in zijn levenslange worsteling met die oude elite eindelijk boven ligt, vast van plan daarmee voor altijd af te rekenen. Hij is dankzij een eigen brede achterban onder het electoraat via verkiezingen aan de macht gekomen, dus van onderop in het zadel getild.

Het zorgwekkende is dat, na eenmaal een tijd aan de macht te zijn, Erdo?an desondanks gaandeweg precies in het zelfde wangedrag is verval­len als zijn seculiere voorgangers, die zijn ideologische tegenpolen heetten te zijn. De belofte schoon schip te maken is inmiddels veranderd in een praktijk van moreel bederf. Qua corruptie doet Turkije weer geenszins voor Rusland onder. In beide landen graaien de macht­hebbers er nu schaamte­loos op los. Wat het echter voor Poetin tot nu toe makkelijker maakt om dat ongestraft te doen, is dat hij politie en rechterlij­ke macht geheel aan een touwtje heeft – het is daar eigenlijk nooit anders geweest – terwijl dat voor Erdo?an niet geldt. Met het leger behoren beide instituties eigenlijk tot Erdo?ans traditionele vijan­den. Dat verklaart waarom hij, nu justitie vanwege de corruptie­schanda­len bezig was het net steeds nauwer om hem aan te trekken, hij besloten heeft zich van de belangrijkste figuren te ontdoen door die te laten arreste­ren. Dat verklaart tevens, waarom Erdo?an daarmee bij zijn eigen achterban wegkomt, op grond van de slechte ervaringen die deze met de partijdigheid van de rechterlijke macht in het verleden had.

Gezien de enorme polarisatie, en de verbetenheid waarmee de seculieren indertijd de islamisten hebben vervolgd – tot partijver­boden en halve staats­gre­pen toe – is de bewering van Erdo?an dat hij nu slechts ”een complot” tegen de staat (die in zijn eigen ogen inmiddels bijna met hemzelf samen­valt) heeft opgerold, voor zijn eigen achterban zeer geloof­waardig. Waar zelfs Silvio Berlusconi in Italië, met een ondanks zijn mediamacht nog heel wat vrijere pers, er al in slaagde zijn complottheorieën over de rechterlijke macht die hem op de hielen zat bij brede lagen van de bevolking ingang te doen vinden, is dat voor Erdo?an nog een stukje makkelijker. Zo’n complot versterkt de vastberadenheid van zijn eigen electo­raat om de eigen held vooral niet te laten vallen. Dat maakt een verrassing bij de komende presidents­verkiezingen, in de vorm van een overwinning van zijn tegenkan­didaat, met de dag onwaarschijnlij­ker.

Thomas von der Dunk is cultuurhistoricus.

Waarom Obama moslims gezegende ramadan toewenst en Rutte niet

0
OBAMA-RUTTE-Ramadan.png
Foto: © Reuters. Mark Rutte & Barack Obama in de Oval Office in het Witte Huis (29 november 2011).

Uitgerekend met ramadan wordt een interessante culturele scheidslijn binnen de christelijke westerse wereld zichtbaar, tussen enerzijds de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk en anderzijds het Europese continent. In Washington en Londen is sprake van officiële felicitaties van president Barack Obama en premier David Cameron, en wordt van regeringswege van alles georganiseerd. In het Witte Huis wordt zelfs een iftar [avondmaaltijd die tijdens de vastenmaand ramadan genuttigd wordt na zonsondergang, red.] gegeven, waarvoor prominente Amerikaan­se moslims worden uitgenodigd. In Nederland en onze Europese buurlan­den gebeurt dat niet.

Het contrast suggereert dat men in de angelsakische wereld daarmee de moslims zo, door ook hun feestdagen daarmee tot een soort nationale op te waarderen, doelbewust het gevoel wil geven dat ze erbij horen, en op het Europese continent niet. Dat eerste zal zeker het geval zijn, en hangt met een langdurige immigratiegeschiedenis samen. De VS ziet zichzelf vanouds als immigratieland, en iedere Amerikaan weet precies wanneer ‘hij’ gekomen is, ook als het zijn bet-bet-bet-overgrootouders betreft. Geen Europeaan die dat weet, want tot de Grote Volksverhuizing van de vijfde eeuw reiken de kerkelijke doopboeken niet terug. Voor zijn gevoel was hij hier dus ‘altijd’. Eigen-volk-eerst kan daarentegen in Amerika moeilijk politieke leuze worden, want wie zou een blanke Ameri­kaan daarmee dan moeten bedoe­len? De indianen? Hetzelfde probleem doet zich voor met de andere oude Britse vestigingskolonieën Canada, Australië en Nieuw-Zee­land.

Nationale identiteit heeft daardoor in de VS vanouds niets met afstam­ming en etniciteit te maken, zoals in Europa of de Arabische wereld: je wordt in zekere zin niet als Amerikaan geboren, maar tot Amerikaan gemaakt, door je Amerikaans te gedragen en voortdurend trouw te zweren aan het land; vandaar ook al die ceremonies met vlaggen op scholen, om dat er al vroeg in te hameren. Een Europeaan zweert aan niets trouw, en ziet al dat gedoe dus ook met verbazing aan. Hij is toevallig Nederlander of Duitser, omdat hij in Nederland of Duitsland geboren is, en/of van Neder­landers of Duitsers afstamt. De meeste oudere West-Europese lan­den – Nederland vormt met zijn opstand tegen de Spanjaarden een rare uitzon­dering – zijn gaandeweg ontstaan dankzij de huwelijks- en verove­ringspoli­tiek van koningen; de meeste jongere Oost-Europese ontstonden op basis van etnische en taalkundige criteria. De VS is daarentegen bewust gesticht op grond van een maatschappelijk ideaal, als een soort christelijke heil­staat – Gods Own Country.

Dat betekent dat godsdienst in de VS tot op de dag van vandaag politiek een belangrijke rol speelt. Daarbij is belangrijker dát men gelooft, dan wát men gelooft. Anders dan in Europa kiest men nog eerder een boeddhist tot regeringsleider dan een atheïst; die is electoraal volstrekt kansloos. Ook in Europa speelde religie vroeger weliswaar politiek een belangrijke rol, maar dat is intussen een stuk minder geworden. Het belang­rijkste verschil: ook al bestaat in de meeste Europese landen sinds de tijd van de Franse Revolutie godsdient­vrijheid, traditioneel zijn ze, behoudens een paar uitzonderin­gen, ofwel duidelijk katholiek ofwel duidelijk protes­tant. Andere kerkge­nootschap­pen waren eeuwenlang officieel verboden en hun aanhan­gers werden hooguit gedoogd.

Er bestond meestal een nauwe band tussen de koning en het officiële kerkge­nootschap. Bij de internati­onaal georganiseerde katholieken stond uiteraard de paus aan het hoofd, maar bij veel protestantse kerken, die per staat waren georga­niseerd, was dat de vorst zelf. Daar­mee zijn de bij het vroegere als enige officiële toegestane kerkge­noot­schap beho­rende feestdagen in die landen inmiddels automatisch algemene feestdagen geworden. Omdat tegelijk met de scheiding van kerk en staat ook de vrijheid en gelijkheid van alle kerkgenootschappen de regel werd, hebben die nationale kerkgenootschappen hun officiële rol verloren; tegelijk blijft hun erfenis wel van belang voor de cultuur in een bepaald land. Nog steeds loopt er door Europa een duidelijke mentale scheidslijn tussen de katholieke en de protestantse helft.

Maar godsdienst is privézaak geworden; in Frankrijk zelfs officieel. De scheiding van kerk en staat is hier zo strict doorgevoerd dat ook particulie­re uitingen van godsdienst in de openbare ruimte worden tegengaan; denk aan de ­dis­cussie over hoofddoekjes op scholen of het boerka­verbod. Dat godsdienst steeds meer privézaak is geworden, is ook het antwoord op de godsdienstoorlogen van de zestiende en zeventien­de eeuw, toen katholie­ken en protestanten elkaar evenzeer naar het leven stonden als soennieten en sjiieten in het huidige Midden-Oosten. Ook daarop gaf de scheiding tussen kerk en staat ant­woord: de juiste godsdienst was zo niet langer rege­ring­zaak. In Neder­land, dat, anders dan het vanouds katholieke Frankrijk, vanaf het begin uit religieuze minderhe­den bestond, vormde de verzuiling de oplos­sing, met het befaamde CDA-leerstuk van ”souvereini­teit in eigen kring”: iedere religieu­ze groepe­ring zoekt het zelf maar uit, de overheid houdt zich erbuiten.

Daarmee ligt ook officiële bemoeienis van overheidswe­ge met religieuze feesten niet voor de hand; integratie verloopt niet via kerk of moskee. Omdat de meeste Europese landen zich bovendien niet als immigratielan­den beschouwen, is de neiging om op dit vlak een handrei­king te doen vrij gering; omdat migranten vrijwillig gekomen zijn, voelt men zich tot niets verplicht.

In het Verenigd Koninkrijk bestaat daarentegen nog steeds een officiële staats­kerk – met de koningin aan het hoofd – die ook nog, met leden in het Hogerhuis, een politieke rol vervult. En de Britten hebben nadrukkelijk de inwoners van hun voormalige imperium – dus ook bijvoorbeeld islamitische Pakistanen – het recht gegeven om zich in Engeland te vestigen. Dat brengt, omdat het Britse imperium nu eenmaal alle wereldreligies herbergde, automatisch een andere, meer multiculturele aanpak mee. Dat ligt dan meer voor de hand dan in het geval van pakweg Duits­land, dat nu welis­waar dankzij arbeidsmigratie enkele miljoe­nen Turken telt, maar nooit een groot imperium in andere werelddelen heeft opge­bouwd. Dat geldt uiteraard ook voor de meeste kleinere Europese landen. Dat resulteert in een andere instelling jegens migranten: verwacht geen aanpassing van ons aan jullie, wij blijven de dingen doen zoals we gewend zijn, en daar hoort beperking van religie tot de privésfeer bij. Dat vloeit niet zozeer voort uit nadrukkelij­ke afwijzing van iets wat veel moslims, kijkend naar Obama en Cameron, misschien zouden willen om meer het gevoel te hebben erbij te horen, alswel uit onverschil­ligheid.

De VS kent weliswaar geen staatskerk als Engeland, maar het maat­schappelijk belang van religie wordt er algemeen onderkend. Omdat daar geen godsdienstoorlogen gevoerd zijn en zo het idee een katholiek of protes­tant land te zijn veel minder onderdeel van de nationale identiteit vormt dan in Europa, is de vraag tot wèlk kerkgenootschap men behoort, van minder politiek belang. Alle godsdiensten zijn gelijk, en omdat gods­dienst tegelijk als zodanig op een voetstuk staat, zal een Amerikaanse president het veel vanzelfsprekender vinden om zich op islamitische feestda­gen tot zijn islamitische landgenoten te richten dan een Nederlandse premier ooit zal kunnen: in Nederland blijven de eigen traditionele feestda­gen, die voor de meesten allang hun religieuze karakter verloren hebben, de ‘echte’ en die van nieuwkomers tweederangs. Maar afgezien van de ­puur privé-toespraak van de koning(in) op 25 december, houdt de overheid ook met Kerst, Pasen, Hemelvaart en Pinksteren, compleet haar mond.

Thomas von der Dunk is cultuurhistoricus.

Opmars ISIS is resultaat van sektarische politiek

0
eddedeISILISLA.png
Foto: © Reuters

Met de onverwachts snelle opmars van de radicale soennitische strijders van ISIS (Islamitische Staat in Irak en al-Sham) in Irak is een explosieve situatie ontstaan, die in het Westen al weer her en der in een oproep tot militair ingrijpen heeft geresulteerd. ISIS wil immers met geweld het Arabische kalifaat heroprichten, waarbinnen voor andersgelovigen geen plaats zal zijn. Tot het westerse schrikbeeld van een zege van ISIS behoort, dat zij, zoals zij in de door haar beheerste delen van het land reeds heeft gedaan, in heel Irak de sharia met alle bijbehoren­de vrou­wenonderdruk­king en barbaarse lijfstraffen zal invoe­ren. Voor alle helderheid: het gaat dan dus zo’n beetje om het kopiëren van de juridische praktijk die al sinds jaar en dag bestaat bij de grote Ameri­kaanse bondge­noot Saoedi-Arabië, dat de Nederlandse minister voor Buitenlandse Zaken Frans Timmermans nu na de puberale stickerplakactie van Wilders omwille van de grote commer­ciële belangen van ons nationale bedrijfsle­ven koste wat koste te vriend moet zien te houden. Nog afgelopen april werd in dat land een vrouw tot 150 zweepslagen veroordeeld omdat zij het gewaagd had een auto te besturen.

Dat aspect van ISIS, dat veel Irakezen ter plekke de grootste schrik aanjaagt, vormt voor Den Haag (en de meeste andere westerse hoofdsteden) alleen echt een politiek probleem, wanneer zij economi­sche belangen bedreigt. En wanneer zulke barbaarse, door fundamentalis­tische geloofsop­vattingen gelegiti­meerde strafpraktijken gepaard gaan met een antiwester­se gezindheid of tegen Israël gerichte retoriek, zoals in het geval van Iran. Meten met twee maten is nu eenmaal zo oud als de mensheid, omdat, gelijk de Duitse toneelschrijver Bertold Brecht al in 1928 in zijn fameuze Dreigrosch­enoper te berde bracht, het vreten het nu eenmaal meestal wint van de moraal. Vandaar dat de Neder­landse zakenman Frans van Anraat er in 1987 geen been in zag om Saddam Hoessein de chemical­iën te leveren waarmee die later de Koerden te lijf kon gaan. De Neder­landse exportvergunning daarvoor werd geregeld onder politieke verant­woordelijk­heid van de gewe­zen Shell-koopman en toenmalige staatssecreta­ris voor buitenlandse handel Frits Bolkestein.

Foto: © AP. Saddam Hoessein.

De opmars van ISIS, en de steun die zij ondanks haar terreurpraktijken toch bij viel soennieten geniet, is het resultaat van de eenzijdig sektarische politiek van de sjiitische Iraakse premier Nouri al-Maliki, die sinds hij in Bagdad aan de macht kwam niet verzoening tussen de door Saddam onderdrukte sjiitische meerderheid en de door Saddam bevoor­deelde soennitische minderheid op het programma heeft staan, maar revanche. De stelselmati­ge achterstelling van de laatste groepering heeft tot het nu opnieuw oplaaien van de burgeroorlog geleid. Anders dan Iran is Irak immers geen natiestaat, waarbij land en volk grofweg samenval­len, maar een kunstmatige staatkundige constructie, die na de opdeling van het Ottomaanse Rijk na 1918 door de Engelsen en Fransen in het leven werd geroepen.

Uiteraard is de huidige chaos als zodanig pas mogelijk geworden door de ondoordachte inval in 2003 van de Coalition of the Willing onder leiding van de Amerikanen, en kan ISIS nu alleen het slecht functione­rende Iraakse leger zo snel van de kaart vegen als gevolg van het overhaas­te Amerikaanse vertrek in 2011. Tezamen wijzen beide zaken op twee kernproble­men, waar het de omgang met eeuwenoude etnische of religieuze conflicten in het Midden-Oosten betreft, omdat de uitkomst van die militaire inval immers geen Neder­lands poldermodel heeft opgele­verd.

De eerste is de bittere conclusie die men uit de gebeurtenissen van de afgelopen jaren moet trekken, dat in zulke staten-zonder-naties meestal slechts de keuze bestaat tussen een wrede dictatuur (Saddam, Assad, Kaddafi) of onbeheersbare anarchie. Dat is vooral het dilem­ma waarmee de buiten­wereld aangaande Syrië worstelt. Een proces van democratisering resulteert in zulke landen snel in het aan­scherpen van etnische of religieuze tegenstel­lingen, omdat de partijvor­ming dan vrijwel automatisch langs die lijnen verloopt, en dus voor de kiezer bij de partij­keuze niet de individuele voorkeur voor een bepaald politiek pro­gram­ma, maar groeps­identiteit de doorslag geeft. Verkiezingen worden in dat geval verkapte volkstellingen. Daarom vormt het tamelijk homo­gene Tunesië nu wel een succes, en bestaan er net als voor Iran ook voor de natiestaten Turkije en Egyp­te ? ondanks Recep Tayyip Erdo?an toenemende autoritarisme in Ankara en het feit dat men met Abdel Fattah al-Sisi in Caïro nu weer terug bij af is ? voor de middellange termijn zeker positieve perspectie­ven.

Foto: © Reuters

De tweede is, dat het voor een westerse mogendheid makkelijker is een oorlog te beginnen dan die te beëindigen, en dat hangt met het vorige punt samen. Het overplanten van een juridisch-parlementair systeem uit Washington blijkt in zulke landen voor democratisch succes niet genoeg. Anders dan indertijd bij het verslaan van Hitler-Duitsland en diens bondge­noot Japan, is met de officiële militai­re zege niet het grootste probleem overwonnen, maar beginnen de problemen daarna pas goed: de bezetter wordt al snel niet meer als bevrijder gezien en belandt in een politiek moeras. Hij kan niet te lang blijven, omdat dat de haat tegen hem slechts verder aanjaagt, en hij kan niet weg, omdat dat bij gebrek aan solide staatkundige structuren direct in chaos resulteert. De interventie laat zich niet terugdraaien, en daarom laten de gevolgen zich dat evenmin ? Obama kon de Bush-doctrine indertijd veroordeeld hebben wat hij wil, hij zit als presi­dent wel aan de consequ­enties vast.

Wat nu te doen? Zoals de Verenigde Staten ten aanzien van Syrië gaandeweg is gaan beseffen dat in Damascus niets mogelijk is zonder medewerking van Moskou, zo lijkt men zich daar nu ook te realiseren dat de weg naar een oplossing voor de problemen in Bagdad minstens gedeeltelijk loopt over Tehe­ran. Dat vreest de opmars van ISIS evenzeer als Washington, en kan in elk geval misschien iets meer invloed uitoefenen op de bondgenoot ? want religieuze geestver­want ? Maliki dan Obama ooit zal lukken. Iran vormt, als een van de vier regionale grootmachten in deze contreien (naast Turkij­e, Egypte en Saoedi-Arabië), voor het oplossen van de problemen in het Midden-Oosten nu eenmaal een onmisbare natie. Het zou tot de weini­ge positieve gevolgen van de huidige crisis behoren, wanneer men dat in het Witte Huis (maar ook in het Catshuis, dat in zulke kwesties steeds volg­zaam in het Ameri­kaanse voetspoor treedt), eindelijk eens beseft.

Thomas von der Dunk is cultuurhistoricus.

Diepe kloof in Turkije verdeelt ook Turkse Nederlanders

0
ZamanVandaag-TURKIJE-TURKEY-TÜKRIYE-Zaman.png
Foto: © Reuters

Het vormt een aspect, waarop men in Nederland aanvankelijk weinig was voorbereid: de soms vergaande onderlinge verdeeld­heid die onder migran­ten zelf bestaat. Grootschalige immigratie brengt vrijwel automatisch met zich mee dat ook politieke conflicten vanuit het oude vaderland naar het nieuwe worden geïmporteerd. Vervolgens ziet zich dan eveneens de regering gedwon­gen een standpunt in een kwestie in te nemen, waarvan zij aanvankelijk meent dat deze haar nauwelijks aangaat.

Het kan daarbij gaan om externe nationale tegenstellingen, zoals tussen Israeli’s en Palestijnen, of nu tussen Oekraïners en Russen, waardoor het Neder­landse standpunt, dat voor de regering zelf een zaak van buiten­landse politiek is, plotseling tevens binnen­landse politiek wordt. Genaturali­seerde immigranten zijn immers ook kiezers, die met hun nieuwe nationaliteit geens­zins hun oude loyaliteit jegens een van de ver weg botsen­de partijen afleg­gen, en van hun politieke verte­genwoordi­gers in hun nieuwe vaderland ook een bepaalde stellingname ver­wachten in het hevige conflict waarin hun oude vaderland verzeild geraakt is.

Het kan daarbij ook gaan om interne etnische tegenstellingen, al dan niet in samenhang met omstreden aspecten van het verleden. Te denken valt hier aan de Armeense en Koerdische kwestie, die nog steeds de gemoede­ren in Turkij­e ? en daarmee ook nog steeds onder veel Turkse migranten ? hoog doet oplopen. Een paar jaar terug raakten zo eens bij een demonstratie in Den Haag Turken en Koerden met elkaar slaags, wat Nederland met het feit confron­teerde dat de in Nederlandse ogen allemaal uit Turkije afkomsti­ge migranten zichzelf niét allemaal als Turken beschouw­den.

Het geschil tussen Turken en Armeniërs over het aantal Armeense slachtof­fers in de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) heeft al diverse westerse landen voor het blok gezet; in Frankrijk is een Armeen­se lobby erin geslaagd de gebeurte­nissen officieel als genocide betiteld te krijgen, in andere landen heeft een Turkse lobby dit weten te verhin­deren. Toen dat in Neder­land speelde, raakten diverse politici in een loyaliteitscon­flict verwikkeld: de Nederlandse partij waarvoor zij actief waren, keek er fundamenteel anders tegenaan dan hun eigen Turkse achter­ban. PvdA-staats­secretaris Nebahat Albayrak behoorde tot degenen voor wie door daaruit resulterend geschip­per een politiek geloof­waardig­heidsprobleem dreigde.

Maar niet alleen oude etnische tegenstellingen kunnen een migrantenge­meenschap verscheuren. Hetzelfde geldt voor oude religieuze. Hoe Syrische Nederlanders tegen het regime van president Bashar al-Assad en de opstand daartegen aankij­ken, is sterk afhankelijk van de vraag of zij soenniet, sjiiet, aleviet of christen zijn: de Syrische gemeenschap in Nederland is even verscheurd als die in Syrië zelf. In Turkije speelt sinds de dagen van Mustafa Kemal Atatürk (1881-1938) de funda­mentele tegenstelling tussen zij, die een strikt seculiere staat wensen, en zij, die voor de islam ook een politieke rol zien weggelegd. Die tegen­stelling domi­neert daarmee eveneens automatisch onder Turkse Nederlanders; nu er binnenkort presidentsverkiezingen zijn en ook Turken buiten Turkije mogen stemmen, deze maanden misschien sterker dan ooit. De regerende AKP (Partij voor Rechtvaardigheid en Ontwikkeling) van de Turkse premier Recep Tayyip Erdo?an heeft ook in het buitenland de verkiezingscampagne al van start laten gaan.

Dat Erdo?an intussen, vanwege toenemend autocratische neigingen, ook overhoop ligt met de Gülen-beweging, die hem in het verleden aanvankelijk had gesteund, compliceert de zaken wel, maar doet aan de fundamentele kloof tussen seculieren en gelovigen niets af. De laatsten vrezen dat als de eersten oppermachtig worden, het hen verboden wordt openlijk hun religie te belij­den, de eersten vrezen dat als de laatsten oppermachtig worden, ook zij gedwongen worden zich in het openbaar naar de religieuze normen te voegen. De strijd van Erdo?an tegen gemengde studentenhuizen voor jongens en meisjes bezit daarbij een groot symboolgehalte ? voor beide partijen.

De diepe kloof in Turkije zelf, waarbij men de ander steeds van een geheime agenda verdenkt, verdeelt ook de Turkse gemeenschap in Neder­land. Opval­lend is het grote wantrouwen dat, bijvoorbeeld, juist de vrouwe­lijke Turkse Tweede Kamerleden Keklik Yücel (PvdA) en Sadet Karabulut (SP) aan de dag leggen voor de ‘ware’ intenties van de Gülen-bewe­ging, die als een soort vijfde kolonne van theocra­ten wordt gezien. Ofschoon diverse onder­zoeken, onder­meer dat van antropoloog Martin van Brui­nessen (Universiteit Utrecht) in opdracht van de Kamer uit 2009, voor de veronder­stelling dat de Gülen-beweging zich aan intimidatie en indoctrina­tie zou bezondigen tot dusverre geen spoor van bewijs hebben opgeleverd, blijkt dit wantrouwen zo diep te zitten dat zij hier keer op keer in de vorm van Kamervragen op terugkomen.

Wie naar de oorzaken daarvan zoekt, komt denk ik op drie zaken uit. Ten eerste de persoonlijke achtergrond van de desbetreffende Kamerleden, die ? ongetwijfeld mede op grond van eigen (familie)ervaringen in Turkije zelf ? een op zich begrijpelijke angst koesteren dat een verster­king van de positie van de islam ten koste van de vrouwenemancipatie gaat. Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat in hun geval, net als bij andere moderne vrouwen met een islamitische achtergrond, bij hun Neder­landse politieke partijkeuze het seculiere emancipatie-aspect een belangrij­ker rol speelt dan bij autochtone Nederlandse: het sociaal-culturele wint het bij hen van het sociaal-economi­sche. Anders laat zich niet de makkelijke overstap van, bijvoorbeeld, Ayaan Hirsi Ali en Samira Bouchibti van de PvdA naar de VVD verklaren, die traditi­oneel elkaars absolute tegenpolen zijn. Aan de klassieke links-rechts-tegen­stelling van sociaaldemocraten versus liberalen op het terrein van sociaal-economische gelijkheid hebben zij minder boodschap; wat telt is de persoon­lijke vrijheid die een partij belooft.

Ten tweede krijgen zij nu misschien juist bij linkse partijen extra ruimte voor hun seculiere boodschap, omdat zeker bij de PvdA het trauma van een te groot multicultureel optimisme in het jongste verleden fors is. Een deel van het oorspronkelijke autochtone electoraat is, vanwege een te grote neiging tot pappen en nathouden door de partijtop in het verleden (religiek­ritiek heette al snel racisme), overgelopen naar Pim Fortuyn en later naar Geert Wilders. Dat besef leidt nu tot enige overcompensatie: wij zien echt wel het probleem! Door nu alle ruimte te bieden aan felle kritiek op elke openbare uiting van geloof in Turkse kring, kan de PvdA zowel aan de kiezer tonen de bood­schap begre­pen te hebben ? wij zijn niet ‘soft on islam’ ? en tegelijk tegenover de PVV duidelijk maken dat er ook zeer moderne Turkse vrou­wen zijn, die evenmin iets van theocratie moeten hebben.

De derde oorzaak lijkt een beetje in strijd met de lang zo verzoenende grondhouding tegenover de islam. Vanouds staan de linkse partijen name­lijk juist kritisch ten opzichte van een publieke rol voor religie. Dat is mede de erfenis van de Verzui­ling en de toen dominante rol van de christelijke partijen: een halve eeuw lang, tot 1967, beschikten die in Neder­land over de absolu­te meerderheid. Dat was in geen enkel ander Europees land het geval. De Ontzuiling van de jaren zestig kwam daarmee voor velen op een persoonlij­ke bevrijding uit de knellende omhelzing van de kerk neer.

In reactie daarop zit ook de weerzin jegens godsdienst als zodanig bij een hele generatie nog diep. Waar in Duitsland ook linkse politici op grote schaal kerkelijk actief zijn, is dat bij ons vrij uitzonderlijk. Dit eigen antireli­gieuze karakter heeft links in het geval van moslimmigranten lang geen rol laten spelen, omdat die aanvankelijk vooral als sociaal-economi­sche slachtof­fers van kapitalistische uitbuiting werden gezien. Nu velen hunner ook maatschappe­lijk succesvol geworden zijn, verschuift de kijk ter linker­zijde op moslimmi­granten en komt het oude antireligieuze sentiment weer meer naar boven, wat zich in nu in wantrouwende Kamervra­gen over de Gülen-beweging vertaalt.

Thomas von der Dunk is cultuurhistoricus.

‘Ik had naar mijn moeder moeten luisteren en in Italië blijven’

0
Mamma Irma is niet alleen een verhaal over de eerste migratie, maar ook een verhaal over nu, over dood, eenzaamheid, tristesse en blijdschap.’

In zijn documentairedebuut  Mamma Irma maakt de Italiaanse regisseur Remo Perrotti (51) een portret van de eerste generatie Italiaanse migranten in België. De Kanttekening sprak Perrotti over de rauwheid van migratie, het belang van keuzes maken en de kracht van de communicatie in de eigen taal.

‘Ben je gelukkig?’ ‘Ik moet wel! Het is zoals met wijn. Je drinkt hem zoals je hem geplant hebt. Wanneer je de keuze hebt gemaakt om hem op een minder bodemrijke plaats te cultiveren, zal hij minder lekker zijn. Maar dan moet je achteraf ook niet klagen dat hij niet smaakt zoals je gewild had.’ Dit stukje komt uit Mamma Irma, die zaterdag in het muziekcentrum Het Depot in Leuven speelde. Aan het woord is Antonio Magistro, een negentigjarige Italiaanse migrant die zo’n zestig jaar geleden als mijnarbeider naar België verhuisde. Perrotti volgde hem gedurende drie jaar voor zijn film. Irma is de naam van Perrotti’s moeder, wier dood de rechtstreekse en onrechtstreekse aanleiding voor de film was. ‘Mijn moeder werd graag gezien. Ze was een icoon, omdat ze de eerste was die na vijftig jaar huwelijk van haar man scheidde’, vertelt de regisseur aan deze krant. Toen zij stierf, sloeg de schrik Perrotti om het hart dat met haar dood een hele generatie van de eerste Italiaanse migranten verloren zou gaan.

Rauw vlees
Mamma Irma zou een venster op die afbrokkelende generatie worden. Perrotti kwam op het onchristelijke idee om beelden van de dag van de begrafenis van zijn moeder te laten maken. Ze vormen de hartslag van de film en worden afgewisseld met het verhaal van Antonio, een kleurrijke weduwnaar die voortdurend Italiaanse deuntjes loopt te zingen. In de film krijgen we een inkijk in zijn leven thuis, en volgen we hem tot de periode waarin hij in een Belgisch rusthuis belandt, waar hij voor zijn huisgenoten lustig blijft voort zingen. Antonio stierf een dag voor de film in première ging, wat het thema van de dood in de film des te aanwezig maakt. Perrotti: ‘Mamma Irma is niet alleen een verhaal over de eerste migratie, maar ook een verhaal over nu, over dood, eenzaamheid, tristesse en blijdschap. Het is een verhaal waar ik zelf, letterlijk en figuurlijk, deel van uitmaak.’

Antonio werd door Perrotti als hoofdpersonage gekozen, omdat hij volgens hem de rauwheid van de Italiaanse migratie vertegenwoordigt. We zien Antonio koken in een geïmproviseerd keukentje in zijn garage in een huis dat de tijdelijkheid van de migratie nog niet overwonnen lijkt te hebben. ‘Antonio leeft heel minimaal. Hij heeft 25 jaar in de mijnen gewerkt, waar hij heel wat vingers verloren heeft. Hij proeft van het rauwe vlees voor hij het in een pan gooit. Dat maakt van hem een haast letterlijk ‘rauwe’ figuur.’

Naast de materieel barre omstandigheden, zijn we ook getuigen van Antonio’s psychische strijd. Hij heeft het gevoel als migrant mislukt te zijn. ‘Ik had naar mijn moeder moeten luisteren en in Italië blijven. Of de raad van mijn zus moeten opvolgen om in Italië een huis te kopen, toen die nog erg goedkoop waren. Zij heeft nu vier huizen”, horen we. Volgens Perrotti komt het gevoel een foute keuze gemaakt te hebben in Antonio’s generatie vaak voor. ‘Ze blijven op het einde van hun leven vereenzaamd achter, net als Antonio.’

Sterven in België
Aanvankelijk voelde Perrotti veel schroom om Antonio’s verhaal zo onverbloemd in beeld te brengen. ‘Hij was te open en was de camera volledig vergeten. In zijn luier stond hij soms te fulmineren. Italianen hechten veel belang aan uiterlijk vertoon. Ze zijn altijd goed gekleed. Groot was dan ook mijn verbazing toen de film op de première laaiend enthousiast werd onthaald. ‘Dit is de realiteit’, werd er geschreeuwd na afloop. Ook Turken, Marokkanen en anderen kwamen kijken en ze herkenden zich allemaal in dit migratieverhaal. Het ware succes van de film schuilt hem in het feit dat mensen blij waren dat hij getoond werd.’ In een fragment zien we dat Antonio zegt dat hij in België zal sterven, iets wat kort daarna pijnlijk realiteit wordt. Ook dat is typisch voor migranten, volgens Perrotti. ‘Ze leven een beetje hier en daar. Ze gaan wel graag op vakantie naar het thuisland, maar zijn dan uiteindelijk toch blij dat ze terug naar België kunnen komen. Vaak voelen ze zich hier zelfs meer Italiaan dan in Italië.’

Dat Italiaan-zijn, komt in de film ook heel mooi in beeld. De manier waarop Antonio ongezouten zijn mening zegt. ‘Vind je mijn jurk mooi?’, vraagt een presentatrice van een Italiaanse zangavond waarop ook Antonio een kort optreden zal geven. ‘Neen, neen, trekt op niks!’, roept hij uit. ‘Is dat echt een jurk?’ Maar ook de warmte van een hechte gemeenschap komt in beeld. ‘Het lijkt alsof we allemaal één grote familie zijn. We komen allemaal uit dezelfde streek.’

Ook om die reden wilde Perrotti de generatie van zijn ouders in beeld brengen, omwille van hun sterke band met Italië. ‘Met de dood van mijn ouders kreeg ik het gevoel dat de taal en cultuur zouden wegvallen. Als Italië speelt in het voetbal, komen er wel vele jonge Italiaanse migranten op straat, maar vaak spreken ze de taal niet eens. Als de dingen verdwijnen, zoek je manieren om ze toch vast te houden.’

Per un sacco di carbone
Met Mamma Irma gaf Perrotti een stem aan een groep mensen die doorgaans niet zo goed uit hun woorden komen. ‘Antonio wist heel goed wat hij zei, hoewel wij dat daarvoor niet doorhadden. Dat zie je vaak ook bij andere migranten die de taal van hier niet zo machtig zijn. Ze praten een soort Flintstones-taal en hun dialogen zijn beperkt. Daarmee maken ze vaak een verkeerde indruk. Maar als je hen in hun eigen taal aan het woord laat, komt er van alles uit.’ Een ander aspect is het feit dat er vroeger ook veel minder gecommuniceerd werd dan nu. Met zijn ouders communiceerde Perrotti op een veel beperktere manier. ‘Hoe ouder mensen worden, hoe meer lef ze hebben.’

Door het maken van de film, kwam Perrotti er ook zelf achter wat migratie precies betekent. ‘Als je jong bent, besef je niet altijd goed wat dat is, migratie. Die mensen kwamen naar hier voor geld en voor hun geluk, maar hun leven hier was bikkelhard. Per un sacco di carbone, voor een zak steenkool, die de Italiaanse staat voor elke Italiaanse migrant ontving. We beseffen soms niet hoe rotverwend we vandaag zijn.’

Voor Perrotti zijn de eerste Italiaanse migranten die in België aankwamen pioniers. ‘Zij werden bij aankomst beschouwd als buitenaardse wezens. Het kwam vaak tot een soms gewelddadige confrontatie tussen verschillende gemeenschappen. Racistisch, tolerant… waren termen die toen nog niet bestonden. Je had gewoon verschillende groepen die elkaar moesten aftasten. Naast een andere cultuur en andere eetgewoontes, brachten de nieuwkomers ook een nieuwe manier van denken mee, die het toeliet mensen te aanvaarden die anders waren dan jezelf.’

De eerste vormen van tolerantie ontstond dan ook in de mijnen, waar Russen, Polen, Italianen en andere bevolkingsgroepen het met elkaar moesten vinden, elkaar moesten steunen en elkaar moesten proberen te verstaan. ‘Het cliché luidt dat in de mijn iedereen zwart was’, zegt Perrotti. ‘Vandaag de dag heb je best veel italofielen hier in België. Dat was zonder het pionierswerk van mensen van mijn moeders generatie nooit mogelijk geweest.’

‘PVV’ers staan langs de kant en stampen als kleuters op de grond’

0
‘Wij hechten geen waarde aan de afkomst, maar aan de toekomst van mensen.’

Wethouder Boudewijn Revis is de lijsttrekker van de VVD in Den Haag bij de gemeenteraadsverkiezingen op 19 maart. In een interview met deze krant onderstreept hij dat het belangrijk is dat partijen open staan voor samenwerking, om de verdere ontwikkeling van Den Haag te garanderen. Maar sommige partijen willen volgens hem helemaal geen concessies doen. ‘Ze staan langs de kant en stampen als kleuters op de grond. Ze roepen vier jaar lang heel hard, maar bereiken uiteindelijk helemaal niets. De PVV is zo’n partij.’

Wat zijn de grootste problemen van Den Haag?
‘De grootste uitdaging voor Den Haag is de economie. Veel mensen zijn werkloos. Er zijn bedrijven die moeten inkrimpen en kleine ondernemers die minder omzet draaien, omdat ze het moeilijk hebben. Op korte termijn is het belangrijk dat de gevolgen van de crisis zo min mogelijk mensen treft. Maar ook op de lange termijn is de economie iets dat centraal moet staan. Den Haag is gewend om voor een heel groot deel van de werkgelegenheid afhankelijk te zijn van de Rijksoverheid. De Rijksoverheid krimpt in. Het gaat niet alleen om banen van ambtenaren, het raakt ook de werkgelegenheid, die er is rondom dat ambtenarenapparaat. Den Haag zal de komende jaren veel meer van bedrijvigheid moeten gaan leven; het midden- en kleinbedrijf, het MKB, groot laten worden. Er moeten ook nieuwe bedrijven naar Den Haag komen. Deze regio moet veel meer werkgelegenheid kunnen creëren in het bedrijfsleven. Zoals bijvoorbeeld The Hague Security Delta, een initiatief waarbij kleine startups in een gebouw bij elkaar zitten en van elkaar leren.’

Hoe wil de VVD meer banen creëren? Wat maakt het VVD-beleid op dat vlak anders dan het beleid van een partij als de PvdA?
‘De VVD schept échte banen, namelijk banen bij ondernemers. Wij verlagen de belastingen voor ondernemers. Wij hebben dit jaar de belastingen voor het MKB al met één derde verlaagd. Daarnaast hebben we de precariobelasting (belasting voor het gebruik van openbaar gemeentegrond, red.) met 45 procent verlaagd. Zo willen we meer ruimte geven aan nieuwe bedrijven door het vestigingsklimaat te verbeteren en te investeren in bereikbaarheid, parkeerplaatsen en blijvend lagere lasten. De PvdA heeft in haar verkiezingsprogramma staan dat ze werklozen in dienst van de gemeente willen nemen om hen vervolgens te detacheren bij bedrijven. Dat zijn geen echte banen, maar ze kosten wel ontzettend veel belastinggeld. Het plan van de PvdA lost het structurele banenprobleem niet op.’

Je had het onlangs bij Pauw & Witteman over de problemen in de Schilderswijk. Heb je plannen om de levensstandaard in de wijk op te krikken?
‘De Schilderswijk is een moeilijke wijk. Laat ik beginnen met wat er goed gaat. De Schilderswijk is de afgelopen jaren niet afgegleden naar een achterstandsbuurt zoals, bijvoorbeeld, de banlieues in Frankrijk. Dat hebben we weten te voorkomen. De resultaten van kinderen op scholen in de buurt worden, heel langzaam, beter. De openbare ruimte is enorm opgeknapt. Alle straten en stoepen liggen er goed bij. Het is schoner geworden op straat dankzij ondergrondse containers. Zorgwekkend zijn de structurele problemen omdat er te veel mensen met problemen bij elkaar wonen. De buurt bestaat voor 72 procent uit sociale woningbouw. De schooluitval is twee keer hoger dan in de rest van de stad. Er is veel criminaliteit. Dat is zonde want er zijn ook veel mensen in de wijk die het goed doen. Wat je, bijvoorbeeld, ziet is dat ondernemende mensen, mensen die een diploma behalen, een goede baan vinden of een bedrijfje starten uit de wijk trekken. Ze gaan bijvoorbeeld naar Leidschenveen. Daar wonen veel ondernemende mensen, onder wie een hoop Turkse Nederlanders, die in de Schilderswijk ‘begonnen’ zijn. Ik zou graag willen dat meer succesvolle mensen in de Schilderswijk blijven. Dat zorgt voor meer diversiteit in de wijk. Op die manier kunnen succesvolle mensen een voorbeeldfunctie vervullen.’

Zijn er shariawijken in Den Haag?
‘Ik vind niet dat je van shariawijken kunt spreken. In Den Haag geldt de Nederlandse wet. Overal in Den Haag voel ik me veilig op straat. Natuurlijk zijn er mensen die de Nederlandse wetten niet accepteren, mensen die anders denken dan wij in Nederland gewend zijn en vinden dat de sharia belangrijker is. Daar moeten we tegen optreden. Maar een heel wijk afzetten als een shariawijk, is een verkeerd beeld. Dat is niet de realiteit. Ik zie wel wijken met échte problemen. Belangrijk is dat echte problemen benoemd, besproken en opgelost worden. De PVV benoemt niet de echte problemen en draagt onrealistische oplossingen aan.’

Volgens D66-lijsttrekker Ingrid van Engelshoven gebruikt de PvdA vaak dezelfde retoriek als de PVV. Klopt dat?
‘Het is een schande dat een partij als D66 de PvdA, waarmee ze samen in het stadsbestuur zitten, zoiets verwijt. Partijen die zich inzetten voor Den Haag − waar veel mensen zijn die op de PVV stemmen, of andere oppositiepartijen zoals de SP of de Haagse Stadpartij die altijd alleen maar tégen dingen zijn − zouden elkaar dat soort verwijten niet moeten maken. Ik denk dat de PvdA dat niet verdient. Op heel veel punten zijn we het oneens met de sociaal-democraten. Eigenlijk staan we gewoon lijnrecht tegenover elkaar. Maar we hebben het beide het beste met de stad voor. Het is niet nodig om elkaar zwart te maken. Dus ik vind de reactie van D66 triest.’

Hoe sta je tegenover samenwerking met de PVV?
‘Hagenaars moeten goed nadenken. Wil je dat problemen opgelost worden, dan moet je stemmen op partijen die kunnen samenwerken. De verkiezingen gaan erover of je kiest voor een partij die wil samenwerken, zoals de VVD, of een partij die dat niet wil. Sommige partijen willen geen concessies doen. Ze staan langs de kant en stampen als kleuters op de grond. Ze roepen vier jaar lang heel hard, maar bereiken uiteindelijk helemaal niets. De PVV is zo’n partij. De partij heeft zeven keer een motie aangenomen gekregen, dat is alles. PVV’ers hebben intern ruzie. Drie mensen van de partij zijn weg. De partij wil en kan niet samenwerken. Als de PVV haar eigen kiezers serieus zou nemen, zou ze zich inzetten om samen te werken met andere partijen.’

Hans Spekman haalde onlangs hard uit naar de VVD. Hij verwacht weinig heil van de VVD, omdat de partij volgens hem teveel bezuinigt op armoedebestrijding en volkshuisvesting.
‘De VVD en de PvdA verschillen als dag en nacht. Het zijn zeer verschillende partijen. De PvdA wil graag de armoede in de stad in stand houden. Er gaat altijd meer geld naar het armoedebeleid en naar de achterstandswijken. Al dat geld dat, bijvoorbeeld, naar de Schilderswijk is gegaan heeft de problemen niet opgelost. De PvdA heeft armoede en werkloosheid helemaal niet bestreden. Er zijn nog steeds heel veel armen en werklozen. De VVD wil die problemen wel oplossen, door mensen een baan te bieden. En door te investeren in de economie, zodat mensen toekomstperspectief hebben en zelf verantwoordelijkheid nemen.’

Wat vind je van Lodewijk Asschers participatieverklaring?
‘Papiertjes ondertekenen heeft niets te maken met echte oplossingen. Een participatieverklaring is een voorbeeld van symboolpolitiek. Het laat zien hoe moeilijk het is om goede maatregelen te nemen. De VVD denkt eerder aan het stimuleren van de werkgelegenheid. Iedereen in Nederland die wil werken, die de schouders eronder wil zetten, een bedrijf wil beginnen, een bijdrage wil leveren aan de economie, moet daarin gesteund worden.’

Waarom zouden Nederlanders met een migratieachtergrond op de VVD moeten stemmen?
‘De VVD is er voor iedereen die werkt en wil werken. Wij hechten geen waarde aan de afkomst, maar aan de toekomst van mensen. Het gaat erom wat je bijdrage aan de samenleving is. Mensen hebben het vaak over autochtonen en allochtonen. Ik herken me niet in de term allochtoon. Sommige mensen, die hier al heel lang wonen, leven inderdaad heel sterk in een andere cultuur, maar er zijn ook een hoop mensen die hier nog niet zo lang zijn, maar al onderdeel zijn van de samenleving. Ze hebben een eigen bedrijf en werken hard. De tweedeling in deze stad is tussen werkende en niet-werkende mensen. Ik denk dat veel Turkse Nederlanders in de stad op een heel goede manier bijdragen aan de economie, omdat ze ondernemend zijn. Velen hebben een eigen bedrijf en zijn succesvol. Dat is waar de VVD voor staat. Die mensen nodig ik dan ook van harte uit om op de VVD te stemmen.’

Je hebt als officier gediend in Bosnië. Wat voor voordelen ondervind je als wethouder van je militaire ervaring?
‘Ik had het net over samenwerken. Als militair word je onder moeilijke omstandigheden ingezet in het buitenland en moet je heel erg op elkaar kunnen vertrouwen. Het is belangrijk dat je in een team kan werken. Dat is een van de belangrijkste voordelen van mijn tijd in het leger. Ik ben een teamspeler. Tegelijkertijd moet een teamspeler zijn doelen behalen. Ook als de omstandigheden moeilijk zijn en alles tegenzit. Daar is lef en doorzettingsvermogen voor nodig. Ik wil met lef en doorzettingsvermogen Den Haag beter maken.’