Home Blog Pagina 1037

Religie is leedvermaak voor talkshows

0
Christians-Muslims-peace.jpg
Foto: © AP

De afrekencultuur, ”weg met alles”, was van oorsprong een PVV-dingetje, maar het afgelopen jaar is het mainstream geworden. Ik realiseerde me dat naar aanleiding van twee onlangs verschenen films, de speelfilm Knielen op een bed violen, gebaseerd op het gelijknamige boek van Jan Siebelink, en de documentaire Na de zomer. Beide films gaan over het streng gereformeerde Nederlandse volksdeel. Het boek van Siebelink uit 2005 vertelt het verhaal van een jongen die met zijn geloof worstelt. Het is een aangrijpend relaas uiteraard met als decor de tamelijk gesloten gemeenschap waar de hoofdpersoon deel van uitmaakt. Maar het mooie van het boek is dat Siebelink in staat is de gelaagdheid en de ingewikkeldheid van het leven weer te geven. Hij laat zien dat het allemaal niet zo simpel ligt als je leeft in een samenleving die jouw opvattingen eigenlijk niet accepteert. Het boek laat ook zien dat religieuze overtuiging niet alleen te maken heeft met rationele motieven, maar ook samenhangt met emotie, familiebanden en herinneringen. Geen platte zwart-wit-tegenstelling tussen ”verlichten” en ”godsdienstfanaten”. Maar in de film over dit verhaal is vrijwel niets overgebleven van die ingewikkeldheid en kan de kijker zien waar godsdienstfanatisme en religieuze waanzin toe leidt. Zo werd er ook in talkshows over de film gesproken: hoe kan zo’n man toch zo de weg kwijtraken? ”Wat goed dat wij normaal zijn.” ”Gelukkig is dit een uitstervend ras.” En meer in die trant.

Een zelfde gevoel bekroop me bij de discussie naar aanleiding van de documentaire Na de zomer, waarin een paar jonge mensen uit gereformeerde gezinnen wordt gevolgd tijdens een belangrijke fase in hun leven. Ze nemen na het examen afscheid van hun vertrouwde omgeving en gaan studeren, komen in aanraking met het universitaire leven, met de grote stad en met de wijde wereld. Het is een mooi portret over jonge mensen met hun zekerheden en onzekerheden. Het gaat over de dilemma’s en de verwarring waarmee de hoofdpersonen te maken krijgen. Maar de reacties op de documentaire waren niet mals. ”In wat voor afschuwelijke wereld leven deze jongeren!” Twee van de hoofdrolspelers waren te gast bij Jinek en hoewel het interview niet onsympathiek was, hoorde je ook hier de verbijstering en het medelijden door alles heen.

We kunnen dit soort reacties natuurlijk moeiteloos vergelijken met de opvattingen over moslims. Ik bedoel hier niet de discussie over radicalisering. Ik dacht aan het besluit van de HEMA om paaseieren voortaan ”zoekeieren” te noemen. Het gaat me niet om de lawine aan verontwaardigde commentaren over ”de zoveelste aanval op onze cultuur”; het gaat me om het besluit zelf. Ongetwijfeld is het goed bedoeld van de HEMA, maar erachter zit het idee dat mensen met religieuze opvattingen zo volledig van de wereld zijn dat ze niet in staat zijn om rationeel na te denken en we ze moeten helpen met een chocolade-ei om de pijn te verzachten. Eenzelfde soort opvatting kwam ik vorig jaar tijdens de vastenmaand ramadan tegen in een interview met een moslim die uitlegde wat vasten betekent. De interviewer bleef zich maar verbazen over dit exotische gebruik. ”Hoe kun je dat volhouden als iedereen om je heen eet?” Je zou denken dat men er nu wel aan gewend is dat moslims eens per jaar een maand vasten, maar nee.

Allemaal niet zo belangrijke onderwerpen in deze heftige tijden? Toch wel. De voorbeelden hierboven hebben met elkaar gemeen dat religie, religieuze overtuiging niet alleen als een overblijfsel uit een andere tijd wordt gezien, maar als een rare hersenkronkel. Wat me trof was de verwondering dat er in onze ‘vrije wereld’ waarin je zelf helemaal mag uitmaken wat je doet, mensen zijn die zich in een religieus keurslijf laten dwingen. Dat kan niet vrijwillig zijn, daar moet dwang achter zitten. En als het dan toch een vrijwillige keuze is, dan moet er iets niet goed zitten in hun hoofd.

Deze opvattingen over religieuze overtuiging zijn niet nieuw. Het idee dat mensen die voor religie kiezen ergens onderweg zijn verdwaald en vastgelopen, horen we al jaren. Ook zijn het altijd de mensen met een religieuze overtuiging die iets uit te leggen hebben. Wat nieuw is, is de toon. We kunnen ons verbazen over religieus exotisme, maar een religieus wereldbeeld heeft ons niets te bieden. Weg ermee! 

In de discussie naar aanleiding van het besluit van de regering om salafisme niet te verbieden, komt die afrekencultuur duidelijk naar voren. We kunnen mensen niet verbieden een bepaalde religieuze overtuiging te hebben, maar we gaan hen ook niet serieus nemen. We gaan hen zeker niet laten meedenken over het voorkomen van radicalisering. Dat is op dit moment de algemene opvatting. Onverstandig en contraproductief wat mij betreft.

Thijl Sunier is hoogleraar Antropologie aan de Vrije Universiteit Amsterdam, redacteur van het wetenschappelijke tijdschrift Journal of Muslims in Europe en voorzitter van de Netherlands Interuniversity School for Islamic Studies.

10 jaar PVV in PVV-taal

0
Wilders_proces.jpg
Foto: © AP

Als er toch ergens in Nederland een politicus rondloopt waarop de labels ”proleet”, ”ophitser” en ”volksverlakker” geplakt kunnen worden, is het wel Geert Wilders. Hoe dan ook kun je zo’n man niet serieus nemen met zijn geblondeerde haar. Wil hij een aura uitstralen van Europese cultuur? Wel, dat doet hij, maar wel van de laagste cultuur die Europa kent: de cultuur van de intimidatie. Daar is Europa altijd al heel goed in geweest. 

Onvoorstelbaar is ook dat hij zich leider noemt van een partij die niet eens een partij is. Zijn partij is een neppartij. Er zijn namelijk geen leden. Alleen hij is lid. Het is in feite een heel kinderachtige bedoening. Hij is als een kind, dat een club wil beginnen, maar dan zelf de baas is en telkens de regels verandert als de oude regels niet goed meer uitkomen.

Over die regels gesproken valt het inderdaad op dat die telkens weer veranderen. Indertijd, voor de komst van de PVV, was Wilders een tamelijk conservatief VVD-parlementslid. Dat onvervalst rechtse gedachtegoed was ook onderdeel van de eerste programma’s van de PVV: niks vadertje staat, de mensen moesten vooral voor zichzelf zorgen. Maar in de loop der jaren werd het sociale programma van de partij steeds linkser. Dat is niet onlogisch, daar het electoraat van Wilders voornamelijk bestaat uit mensen in de lagere sociaal-economische klassen. Maar het tekent het botte opportunisme van Wilders en zijn volgelingen. Meewaaien met de politieke wind om maximale electorale steun te krijgen. Waar is zijn zelfrespect?

Waar Wilders definitief door de mand viel, of liever gezegd, zijn sluier liet vallen was met zijn ongetwijfeld georkestreerde ”minder-minder”-uitspraken. De PVV-Leider grossierde al in de hoogste graad van hypocrisie door in eerste instantie te stellen dat hij ”niets tegen moslims had, maar alles tegen de islam”. Hoe stel je je zoiets voor? ”Wat zou het mooi zijn”, zo debiteerde hij, ”een islamloos Nederland”. Is een islamloos Nederland niet hetzelfde als een Nederland zonder moslims? Immers, als er geen moslims zijn is er ook geen islam (behalve dan in de archieven en bibliotheken).

Het is een belediging van de intelligentie van het Nederlandse volk dat Wilders dacht dat hij dit ”we-hebben-alles-tegen-islam-maar-niets-tegen-moslims”-praatje kon verkopen. En zie: hij kon zich niet meer inhouden. De ware aard kwam er uit en wat mij betreft wordt hij streng veroordeeld door een rechtbank voor deze uitspraken. Want we leven wel in een rechtsstaat. En dan kan hij doorgaan met zich te wentelen in zijn slachtoffergedrag, omdat hij 24 uur per dag bewaakt moet worden. Dat laatste heeft hij toch over zichzelf afgeroepen? Hij had toch allang een gematigder toon kunnen aanslaan? Zodat die vermaledijde bewaking eindelijk opgeheven zou kunnen worden? Eigen schuld, dikke bult, zo zou ik zeggen. Walgelijk om zo de aandacht te trekken.

En kritiek incasseren? Ha. Dat is wel zijn allerzwakste punt. Zelf altijd het hoogste woord voerend, de moslims dag in dag uit beledigend en sarrend, maar als een volwassen kerel reageren is er niet bij.

Neem nu mijn Tilburgse collega hoogleraar Bestuurskunde Paul Frissen die alle politieke partijen opriep Wilders meer dan ooit de maat te nemen. Frissen maakte de vergelijking met het fascisme. Ohhh, de verontwaardiging van de geblondeerde leider was enorm. Frissen moest direct van zijn functies ontheven worden omdat dergelijke dingen zeggen in zijn maatschappelijke positie ontwrichtend kon werken. Heeft Wilders zijn eigen boeken wel eens gelezen en van zijn ideologische slaafje Martin Bosma? Het staat bol van de verwijzingen naar fascisme en nationaal-socialisme. Zelfs Job Cohen zou een fascist zijn, omdat zijn partij, de PvdA, in de traditie zou staan van Hitlers NSDAP. Je moet maar durven.

Ten slotte dan het samengeraapte zootje PVV-Kamerleden: brievenbuspissers, mannen met een strafblad, vechtpartijtjes en ga zo maar door. En wat te denken van de laatste financiële malversaties van Wilders’ woordvoerder? Vertrouwen we het land toe aan een man die zelf vreemd bloed heeft en met een buitenlandse is getrouwd en aan zijn Kamerleden waarvan er nogal wat buitenlandse echtgenotes hebben zoals Sietse Fritsma met zijn Filipijnse? Het zijn feitelijk allemaal nep-Nederlanders waarvan ik zou zeggen ”minder, minder, minder”.

N.B. De lezer zal inmiddels door hebben dat de stijl waarin deze column is geschreven niet de mijne is, maar in de geest van de PVV, die vorige week haar tiende verjaardag vierde.

Jan Jaap de Ruiter is arabist aan de Tilburg University. Hij houdt zich bezig met de status en rol van het Arabisch en de islam in West-Europa en Marokko. Hij publiceert over beide thema’s in diverse talen, waaronder in het Frans, en gaat het debat erover aan in nationale en internationale context. In heden en verleden heeft hij in menig Nederlands en Europees onderzoeks- en ontwikkelproject geparticipeerd. Volg hem op Twitter: @janjaapderuiter

Staan we aan de voet van Derde Wereldoorlog?

0
Het begin van de Eerste Wereldoorlog lijkt volgens Umar Ryad sterk op de huidige situatie in Syrië en Irak. In beide gevallen leidde een plaatselijk conflict tot een confrontatie tussen grootmachten. En net als nu speelde het begrip jihad in de Eerste Wereldoorlog een belangrijke rol in het mobiliseren en rechtvaardigen van de oorlog.

De Eerste Wereldoorlog (1914-1918) verdeelde de wereld in twee kampen, het Duitse Keizerrijk (1871-1918) vocht samen met onder andere het Ottomaanse Rijk (1299-1923) tegen Rusland, Frankrijk, Groot-Brittannië en zijn bondgenoten. Het Duitse Keizerrijk en het Ottomaanse Rijk werden verslagen en dit had voor beiden grote gevolgen. Het Ottomaanse Rijk viel uiteen en de vernedering van de Duitsers vormde de voedingsbodem voor de Tweede Wereldoorlog. Volgens religiewetenschapper Umar Ryad van de Universiteit Utrecht ondervinden we nog dagelijks de gevolgen van de Eerste Wereldoorlog. De Kanttekening sprak hem.

Waarom koos het Ottomaanse Rijk de kant van het Duitse Keizerrijk in de Eerste Wereldoorlog?
‘Al ver voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog waren er allianties tussen het Ottomaanse Rijk en het Duitse Keizerrijk. Eind 19e eeuw zagen de Duitsers door gebrek aan koloniën hun macht slinken en probeerden ze de banden met het Ottomaanse Rijk aan te halen. Dat resulteerde in 1898 in een bezoek van keizer Wilhelm II aan Damascus en Palestina. De keizer bezocht het graf van Saladin [een generaal die Jeruzalem heroverde op de kruisvaarders, red.] en liet dit graf op eigen kosten renoveren. Hij had er dus veel voor over om de Ottomanen achter zich te krijgen.  Tot en met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog had het Duitse Keizerrijk  een sterke band met het Ottomaanse Rijk. In de oorlog voerden de Duitsers actief propaganda voor de gewapende jihad, Duitsland had er belang bij dat dit religieuze element werd toegevoegd en de Ottomanen lieten zich verleiden.’

Hoe deden de Duitsers dat?
‘De Duitsers hadden mensen in dienst die goed ingevoerd waren in de Arabische cultuur en nauwe banden hadden met islamitische leiders. De belangrijkste naam in dat opzicht was Max von Oppenheim. Deze diplomaat stuurde ieder jaar vanuit het Duitse consulaat in Caïro geheime rapporten door naar de Duitse keizer.  Op basis van die informatie wisten de Duitsers dat het panislamisme [het streven naar eenheid onder moslims, red.] sterk in opkomst was. Het idee dat jihad een wapen kon zijn tegen het koloniserende Westen groeide en de Duitsers maakten daar handig gebruik van. Ze hebben pamfletten verspreid in alle mogelijke talen met als doel haat te zaaien onder moslims tegen Frankrijk, Groot-Brittannië en Rusland. Daarnaast behandelde Duitsland de islamitische krijgsgevangenen uiterst vriendelijk, er werd onder andere rekening gehouden met islamitische feestdagen en ritueel slachten. Deze tactiek leidde ertoe dat op 11 november 1914 de Sheikh al-Islam een fatwa uitsprak waarin moslims werden aangemoedigd om te vechten tegen de Fransen, Britten en Russen. De Afrikaanse moslims en moslims in India en Rusland kozen voor de andere kant, waardoor het de eerste moderne oorlog werd waarin moslims massaal tegenover elkaar stonden.’

Tegenwoordig associëren we de gewapende jihad met de oorlog in Syrië, in hoeverre kun je die jihad vergelijken met de jihad van de Ottomanen destijds?
‘De beeldvorming over jihad was toen anders. Met name in de Duitse pers was het een positieve politieke term.  Ook de Britten en de Fransen hebben op dezelfde manier geprobeerd de moslims aan hun kant te krijgen. Door de eeuwen heen zie je dat het begrip jihad voor verschillende doeleinden gebruikt is om een oorlog te rechtvaardigen. Verschillende groepen hebben door de eeuwen heen het begrip in hun voordeel gebruikt ofwel misbruikt. Propaganda speelt daarbij een grote rol, dat zie je nu bij IS, maar dat gold ook voor het Duitsland van voor de Eerste Wereldoorlog.’

De oorlog die het Ottomaanse Rijk voerde tegen Rusland, Groot-Brittannië en Frankrijk leidde uiteindelijk tot het uiteenvallen van dat rijk. In hoeverre speelt die gebeurtenis nog door in de huidige situatie in Arabische landen?
‘Veel moslims hebben een nostalgisch gevoel overgehouden aan het Ottomaanse Rijk. Het is ook een voedingsbodem voor het verlangen naar een nieuw islamitisch kalifaat. Daarnaast is het zo dat de winnaars van de Eerste Wereldoorlog in grote mate hebben bijgedragen aan de huidige problemen in het Midden-Oosten. Als je nu naar de Arabische landen kijkt op de kaart  zie je allemaal kaarsrechte lijnen lopen. Jordanië, Israël, Libanon en Irak zijn allemaal landen die toen bedacht zijn op een tekentafel zonder daarbij rekening te houden met etnische en religieuze verschillen. Tot op de dag van vandaag is dat de bron van heel veel conflicten.’

Turkije speelt een sleutelrol in de oorlog in Syrië en de vluchtelingencrisis, zie je een parallel met de Eerste Wereldoorlog en nu?
‘Zeker, in de jaren twintig en dertig voelde de bevolking over de hele wereld de dreiging van een nieuwe oorlog. In feite leven we nu opnieuw in die angst. Als ik kijk naar de situatie in Syrië dan zie ik veel overeenkomsten met toen. Rusland en haar bondgenoten staan tegenover het Westen en Turkije. In mijn ogen is het al lang geen oorlog meer tussen moslims of onder de Syrische bevolking, in feite is het een oorlog tussen grootmachten geworden. Zo was de Eerste Wereldoorlog ook geen oorlog tussen katholieken of protestanten of tussen Europeanen, het echte motief voor de oorlog kwam van de politieke grootmachten  en heeft te maken met  geopolitieke belangen. Het zou mij niet verbazen als dit de opmaat is voor een Derde Wereldoorlog. Ik hoop uiteraard dat ik ongelijk heb, maar alle ingrediënten die nodig zijn voor een wereldwijde oorlog zijn aanwezig. Idioten zorgen er momenteel voor dat de geschiedenis zich herhaalt in een ander jasje.’

Hoe zie je die Derde Wereldoorlog voor je?  Tot nu toe beperkt het strijdperk zie tot de Arabische regio en delen van Afrika, denk je dat het nog kan overslaan naar andere gebieden?
‘Het karakter van alle wereldoorlogen is dat er een conflict tussen wereldmachten ontstaat waarbij miljoenen militairen van verschillende werelddelen  tegen elkaar vechten. Dan spreken we van een nieuwe verdeling van de wereldmacht en soms de verandering van de  internationale wereldkaart als consequentie van zo’n conflict. Ik denk als Saoedi-Arabië en Turkije besluiten landtroepen naar Syrië te sturen, dat een oorlog tussen Turkije en Rusland heel dichtbij is. Dat betekent een grote invloed op de internationale veiligheid, in het bijzonder in Oost-Europa en Centraal-Azië, de NAVO zal dan waarschijnlijk Turkije steunen, een oorlog op Europees grondgebied is dan niet meer ondenkbaar.’

Welke les zouden we moeten trekken uit het verleden?
‘De Eerste Wereldoorlog werd in die tijd gezien als de laatste oorlog en het einde van alle oorlogen in de moderne tijd; daarom werd het de ‘Grote Oorlog’ genoemd. Dat blijkt een mythe te zijn. Politici denken controle te hebben op historische gebeurtenissen, maar ze overschatten zichzelf. Effectieve diplomatie is uiteindelijke de oplossing. Als de belanghebbenden in Syrië volharden in machiavellisme en imperialisme dan zal dat nog meer dan nu al het geval is desastreuze gevolgen hebben.  De Russische president Poetin maakte afgelopen maandag  bekend dat hij een deel van de Russische troepen wil  terugtrekken, dat kan een begin van een oplossing zijn, maar het kan net zo goed een manier zijn om zijn macht te tonen in aanloop naar de vredesbesprekingen in Genève.’

Onderhandel slimmer met Erdoğan

0

Begin volgende maand overlegt de EU weer met Turkije over het vluchtelingenprobleem. De EU moet niet vergeten dat ze behalve iets te vragen ook iets te eisen heeft.

Turkije houdt de Europese Unie in een wurggreep. Met de opvang van Syrische vluchtelingen in Turkije heeft de EU zich te afhankelijk gemaakt. President Erdoğan kan in eigen land doen wat hij wil. De EU zou slimmer moeten onderhandelen en juist nu van de Turkse regering moeten eisen dat het de Kopenhagen-criteria naleeft. Dit zijn de voorwaarden waaraan een land moet voldoen wil het in aanmerking komen voor lidmaatschap. Ze gaan over ondere andere democratie en mensenrechten.

Twee weken geleden overlegde premier Rutte met zijn Turkse ambtgenoot Davutoğlu in Den Haag over het indammen van de vluchtelingenstroom naar Europa. Na het gesprek vroeg een journalist of zij ook hadden gesproken over mensenrechten in Turkije. Rutte antwoordde angstvalling dat dat niet het geval was: ”We hoeven het niet in ieder gesprek over mensenrechten te hebben.” Davutoğlu zei dat zijn land geen mensenrechtenprobleem heeft.

Ruttes antwoord toont aan dat Nederland net als Merkel de Turkse regering te vriend probeert te houden om de vluchtelingenstroom naar Europa te stoppen. De EU durft de Turkse regering niet aan te spreken op mensenrechtenschendingen. Het antwoord van Rutte na zijn gesprek met Davutoğlu over de mensenrechten lees ik zo: Erdoğan helpt ons met vluchtelingen en jij mag je gang gaan in Turkije, met mensenrechtenschendingen, met het omverwerpen van de trias politica, met het onderdrukken van kritische groepen, met het belegeren en verwoesten van steden in het (zuid)oosten van Turkije en met het opsluiten van journalisten die waarheden publiceren. Ben ik de enige die dat zo leest?

Erdoğan wil, naast geld voor de opvang in eigen land, dat de EU een deel van de miljoenen vluchtelingen in Turkije overneemt en hij wil dat Turkse burgers visumvrij naar Europa kunnen reizen. Op 11 februari zei Erdoğan: ”We worden door de EU aan het lijntje gehouden. Ons geduld raakt op. Als Europa niet doet wat wij willen, openen we de deuren en sturen we vluchtelingen met bussen en vliegtuigen naar Europa.”

Terwijl deze onethische onderhandelingen over vluchtelingen gaande zijn, moeten Europese politici en lidstaten juist de schendingen van mensenrechten in Turkije blijven agenderen. Anders hebben we straks dankzij Erdoğans angstregime nog een instabiel land in de regio. Europa zou in dit geval de vlucht vooruit moeten kiezen en het feit dat Turkije kandidaat-lidstaat is moeten uitspelen. De vraag is of Europa voldoende troeven in handen heeft om de Turkse regering bij de les te houden. Ik denk het wel. De EU kan haar invloed op Ankara aanzienlijk vergroten door de toelatingsonderhandelingen serieus te nemen en te versnellen. Alleen dan heb je als EU wat te vertellen.

Stel voor dat de EU de hoofdstukken 23 en 24 van de Kopenhagen-criteria opent voor Turkije; de hoofdstukken die gaan over rechtsstaat, democratie en vrijheden. Dat is jaren belemmerd door de kwestie met Grieks-Cyprus – waardoor de EU Turkije met Erdoğan bewust aan zijn lot heeft overgelaten – maar moet juist nu voortvarend worden aangepakt om grotere zaken te regelen.

En dat kan, als je bedenkt hoe hard de Turkse regering de EU nodig heeft. De Turkse economie is sterk afhankelijk van handel met EU-lidstaten. In 2014 was Turkije met 128 miljard euro de vijfde grootste handelspartner van EU-landen. Sinds de crisis met Rusland wordt de EU in dit opzicht alleen maar belangrijker voor Turkije.

Ook als geopolitieke partner heeft de Turkse regering de EU hard nodig. In het Midden-Oosten heeft Turkije bijna geen vrienden meer. Als gevolg van het onrealistische buitenlandbeleid van Erdoğan verloor Turkije Egypte, Israël, Iran en – als laatste – Rusland als vrienden en handelspartners. Tot slot lopen de spanningen tussen de Verenigde Staten en Turkije hoog op door de Syrisch-Koerdische militante groepering YPG. Turkije ziet de YPG, die vecht tegen IS, als een tak van de terroristische organisatie PKK. De VS ziet de YPG echter als bondgenoot tegen IS.

Begin maart is er weer een EU-top met Turkije. De EU-leiders zouden Erdoğan hier scherp moeten herinneren aan de Kopenhagen-criteria. De Turkse regering heeft immers niet de luxe om tegen de EU te zeggen ”bekijk het maar” – al zou de ondemocratisch Erdoğan dat best willen; toetreding tot de EU betekent namelijk meer vrijheid en meer democratie. Dat zijn geen speerpunten voor deze Turkse president.

De EU heeft Turkije hard nodig in het beheersen van de vluchtelingencrisis, maar de EU kan slechts effectief samenwerken met Turkije als het land zich democratischer opstelt. De wereld ziet er anders uit dan 15 jaar geleden, en gebeurtenissen in het Midden-Oosten hebben direct effect op Europa, denk aan de aanslagen in Parijs en de Syrië-gangers. Een compromisloze houding jegens Erdoğan is daarom van groot belang, want een ondemocratisch geleid Turkije kan een groot gevaar opleveren.

Tijdens de top met Turkije kan en moet de EU zich slimmer en robuuster opstellen. Naleving van de Kopenhagen-criteria ligt dan voor het oprapen. Maar misschien moeten de EU-leiders eerst beter getraind worden om met een straatvechter en politiek genie als Erdoğan te onderhandelen voordat zij de troeven die ze in handen hebben kunnen verzilveren.

Dit is een geüpdatete versie van het opiniestuk dat op 17 februari is gepubliceerd in het NRC Handelsblad.

 

Respect voor schaars geklede vrouw

0
schaars-gekleed.jpg
Foto: © Facebook

Minister Plasterk van Binnenlandse Zaken had al vóór de Keulse oudjaarsnacht in de azc’s Arabische vertalingen van de Nederlandse Grondwet uit laten delen om ”onze normen en waarden” duidelijk te maken. En de afgelopen weken zijn er in Zuid-Nederland en de katholieke delen van Duitsland ook allerlei handleidingen voor Syrische vluchtelingen verschenen, met het oog op het gewenste gedrag tijdens carnaval. Respect voor de waardigheid van vrouwen maakte daar een essentieel onderdeel van uit.

Bij de zin van Plasterks actie vallen wel kanttekeningen te plaatsen, want de Grondwet, dat is niet het punt. De Syrische Grondwet ziet er vast ook heel prachtig uit, wat over de praktijk echter bitter weinig zegt – evenals als dat indertijd voor de voorbeeldige constitutie van de Sovjet-Unie gold. En is de Turkse niet indertijd sterk op de Franse geïnspireerd? De Turkse minister Çavu?o?lu van Buitenlandse Zaken verkondigde dienovereenkomstig in de NRC van 6 februari dat democratie en vrijheid in zijn land versterkt zijn, terwijl daar door steeds meer journalisten en academici in het land zelf toch echt anders over wordt gedacht.

En respect voor vrouwen? Juist orthodoxe gelovigen – zowel christelijke zwartekousen-calvinisten als chassidische joden als salafistische moslims – benadrukken keer op keer dat zij juist heel veel respect voor vrouwen hebben, meer dan wie anders ook! Alleen hoort daar altijd wel een klein ”maar” als basisvoorwaarde bij: mits die vrouwen zich ook zélf respectvol gedragen. En over wat dat is – en waarover geen Grondwet gaat – hebben zij dan zo hun eigen ideeën. Het door hen als ”vrijpostig”, en in strijd met hun heilige boek ervaren gedrag van moderne westerse vrouwen valt daar namelijk niet onder – en juist in dat verschil schuilt de crux. Een strenge salafist heeft, in eigen ogen, immers zóveel respect voor vrouwen dat hij ze zelfs niet met eigen ogen wil zien en daarom een boerka voorschrijven wil. Respectvol gedrag van de vrouw vergt voor de respectvolle salafist dat zij zichzelf onzichtbaar maakt.

De verantwoordelijkheid voor de hormoonhuishouding van de man wordt in orthodox-islamitische kringen in hoge mate bij de vrouw gelegd: zij moet zich eerzaam gedragen, geen aanstoot geven, op haar rust de taak om niet door onkuisheid haar familie te schande te maken en de eer van de familie te schenden. In extremere gevallen kan dat tot strafmaatregelen in eigen kring als eerwraak leiden, om het maatschappelijk aanzien van de familie te herstellen. Bij verkrachting krijgt dan vaak niet de dader, maar het slachtoffer de schuld. In enkele islamitische landen staat dat zelfs letterlijk zo in de wet. Daar ligt de essentie van veel culturele wrijvingen die zich kunnen voordoen als mensen met een niet-westerse achtergrond zich in Europa vestigen.

Hoe actueel dat is, kwam dezer dagen weer naar voren bij de rechtszaak tegen de moordenaars van een jonge vrouw van Pakistaanse herkomst in Rotterdam, die binnen haar gedwongen huwelijk geen leven had en stelselmatig mishandeld werd. Zij bleek omgebracht te zijn door haar man, die door haar gedrag de familie-eer bezoedeld achtte, waarop volgens hem maar één antwoord paste. Zoals het er nu uitziet, was het dus een kwestie van eerwraak.

Door sommigen wordt dat laatste gelijkgesteld aan wat anders als slechts een ”crime passionel” wordt afgedaan. Dat is ten onrechte, er bestaat qua motivatie een cruciaal verschil. Bij de eerwraak, is er de maatschappelijke druk van de omgeving, of tenminste de angst ervoor, die tot doodslag leidt: de familie zal op het ongewroken laten door de samenleving worden aangekeken, haar eer is aangetast. Bij de crime passionel gaat het om persoonlijke gekwetstheid, niet om een zich conformeren aan een maatschappelijke norm. Anders gezegd: zal een door een vrouw verlaten man die geen eerwraak pleegt waar dat wel gangbaar is, maatschappelijke verachting ten deel vallen, de door een vrouw verlaten man die daarop geen crime passionel pleegt, zal op medelijden kunnen rekenen.

Het is de ”logica” van de eerste reactie, die momenteel moedige vrouwen in tal van islamitische landen proberen te doorbreken. Ook de genoemde moord op de Pakistaanse lijkt in de Pakistaanse gemeenschap in Nederland eindelijk de geesten rijp voor verzet te hebben gemaakt. Dat is extra moeilijk, omdat zij ook nog de hete adem van hun verwanten in hun herkomstland in de nek voelen, waar de oude normen nog vanzelfsprekend zijn. Daar is het begrip voor de moordende man vaak groter dan voor de vermoorde vrouw.

De hardnekkigheid van verschijnselen als eerwraak en gedwongen huwelijken in een land als Pakistan valt niet los te zien van het patriarchale, collectivistische karakter dat veel niet-westerse samenlevingen van de westerse onderscheidt, die juist sterk egalitair en individualistisch is. Kort gezegd: als de familie zwaarder weegt dan het individu, zijn de belangen van het individu aan het aanzien van de familie ondergeschikt. En als de pater familias door de buitenwacht op het gedrag van zijn familieleden afgerekend wordt, dan wil die daar natuurlijk ook wat over te zeggen hebben, waarvan vooral vrouwen – met wier kuisheid de familie-eer staat of valt – het slachtoffer vormen.

Het is dat gevecht tegen taaie waarden en gedragspatronen, dat verlichte – in salafistische ogen ”vrijpostige” en dus weinig respect verdienende – vrouwen thans in tal van islamitische landen voeren, en, als gevolg van de immigratie van de afgelopen decennia, nu ook in het Westen binnen moslimgemeenschappen moet plaatsvinden. Dat wordt ook de culturele kern van de integratie opgave die Europa en de honderdduizenden vluchtelingen wacht en die veel tijd vergen zal.

Thomas von der Dunk is publicist en cultuurhistoricus.

Turks-Nederlandse moeder leeft al een jaar op straat

0
Iemand die onverhoopt werkloos wordt kan in Nederland altijd een uitkering aanvragen. Daarnaast zijn er instanties die mensen met problemen op weg helpen. Toch kan dit sociaal vangnet niet altijd voorkomen dat mensen op straat belanden. Nilufer Deveci legt aan deze krant uit waarom zij al sinds maart 2015 in haar auto woont.

Ondanks de relatief zachte winter dit jaar is het koud in Rotterdam. Op een parkeerplek in de stad zit Nilufer Deveci (43) in haar oude Golf. Zij lijkt zich weinig aan te trekken van de kou. Al haar ramen staan wijd open en zij heeft slechts een spijkerjack aan ter bescherming. De muziek staat luid, een bekende Turkse zanger zingt intens over het nemen van afscheid en de pijn die daarmee gepaard gaat. Deveci, moeder van drie zonen, woont sinds maart 2015 in haar auto. Haar kofferbak is volgepropt met schoenen en kleding en op de achterbank ligt een kussentje en een dunne deken. Het dashboard heeft zij gereserveerd voor de meer persoonlijke spullen om een huiselijke sfeer te creëren: een foto en een kraaltje van haar inmiddels overleden vader.

De ellende voor deze Turkse Nederlander begon allemaal in 2011. Een koeriersbedrijf dat zij met haar ex-man runde ging failliet. Haar gokverslaafde ex liet haar met honderdduizend euro schuld achter en vluchtte naar Turkije. Alsof dat nog niet genoeg was, werd beslag gelegd op haar inkomen en werden haar kinderen van haar afgenomen. Vanaf dat moment stortte zij in. Zij verliet haar huis, waardoor haar uitkering – waar zij recht op had op grond van de Participatiewet – werd stopgezet (opgeschort). Zij had haar huis verlaten omdat de herinneringen daar haar te veel werden. Vervolgens verhuisde zij naar een tijdelijke woning in Hoogvliet. Daar bouwde zij een huurachterstand van drieduizend euro op. Daardoor werd zij het huis uitgezet. Haar drie kinderen werden elders ondergebracht. Het oudste (17) kreeg een plekje in een “uitwijkhuis” van Flexus Jeugdplein. De jongste twee (16 en 10) werden opgevangen door twee verschillende gezinnen.

Vervolgens kreeg zij een plek aangewezen bij onder meer het Leger des Heils, maar door haar psychische gesteldheid, waarvoor zij anti-depressiva en een slaapmiddel gebruikt, kon zij het daar niet lang volhouden. “Ik kreeg woede-uitbarstingen en dat werd erger naarmate ik daar langer zat. Er zaten daar veel blowende mannen en dat maakte dat ik me onveilig voelde, ik kreeg steeds meer de drang om te vluchten.” In maart 2015 deed zij dat. Zij sliep de eerste paar nachten op Rotterdam Centraal en trok daarna in in haar auto. “Ik zal de eerste nacht op het Centraal Station nooit vergeten. Voor het eerst in mijn leven ervaarde ik wat kou echt is. Dat ik het nu minder koud heb, heb ik te danken aan die eerste nacht daar.”

Deveci is kwaad, gekwetst en eenzaam. Zij accepteert geen hulp, ook niet van haar familie, terwijl dat voor veel Turken onbegrijpelijk is. “Mijn familie is medeverantwoordelijk voor het feit dat ik op straat leef. Ik ben alles kwijt, inclusief mijn kinderen, alleen maar om die drieduizend euro. Het maakt niet meer uit dat zij mij willen helpen. Zij kunnen de de pijn van de afgelopen jaren niet meer ongedaan maken.” De relatie van Deveci met haar familie verslechterde naar eigen zeggen door haar partnerkeuze. “Zij hebben mijn ex, de vader van hun kleinkinderen, nooit willen accepteren.”

Haar dagelijkse leven in de auto, is bijna routine geworden. Ze wordt wakker, loopt naar de autoshowroom waarvoor ze geparkeerd staat en maakt gebruik van de wc. Soms mag zij ook douchen in een hotel in de buurt, Deveci heeft recent kennisgemaakt met de eigenaar. Terug in haar auto luistert zij muziek, piekert zij over haar toekomst, maakt zij een wandeling en komt zij weer terug in haar auto om te slapen, soms zonder twee dagen lang iets gegeten te hebben. “Ik ben niet bang om alleen in de auto te slapen”, zegt zij dapper. “Ik ben alleen bang voor God en ik weet dat hij mij zal beschermen.” Vorige maand bleek die bescherming ook hard nodig. Onder invloed van haar medicijnen die zij slikt vanwege haar psychologische problemen, knalde zij keihard tegen een lantaarnpaal aan. “Ik heb geluk gehad dat het geen andere auto, of erger nog, een mens was. Op dat moment besefte ik dat ik dit leven op deze manier niet meer kan volhouden.”

Deveci probeert nu haar leven weer op te pakken. Zij heeft inmiddels een urgentieaanvraag gedaan via de Stichting Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond voor een zelfstandig woonruimte. Maar ook daar lijkt de bureaucratie haar tegen te werken. Zij moet vier tot zes weken wachten op een reactie, en zelfs dan is het niet zeker dat zij woonruimte krijgt. Zij wil dat de gemeente Rotterdam zich houdt aan de gemaakte afspraken in een “ondersteuningsplan”, ondertekend op 29 mei 2015. Daarin staat dat Deveci “de structuur, bescherming en begeleiding van een BW (Beschermend Wonen, red.) behoeft om ten einde vanuit deze veilige gestructureerde omgeving weer een zelfstandiger bestaan op te bouwen”. Deveci: “Ik wil alleen maar een plek voor mijzelf en mijn kinderen. Ik vind het goed dat we opkomen voor vluchtelingen, maar ik kan niet begrijpen dat ze mij, een Nederlandse vrouw, in de steek laten. Ik heb die woning nu nodig, niet over zes weken.”

De woningcorporatie Woonstad Rotterdam wilde niet inhoudelijk reageren op de situatie van Deveci. “Dat betreft een individuele zaak tussen verhuurder en huurder en is dus privacygevoelige informatie. Die geven we niet door aan de media.”

‘In opstand komen tegen onderdrukking is een mensenrecht’

0
‘Voor kinderen in steden als Cizre is broederschap niet meer dan een woord, een valse belofte, het tegenovergestelde van de realiteit waar ze dagelijks mee geconfronteerd worden.’

Na bijna acht jaar in een gevangenis in Turkije doorgebracht te hebben werd de Turks-Nederlandse journalist en mensenrechtenactivist Füsun Erdogan twee jaar geleden plotseling vrijgelaten. Dat gebeurde na een wetswijziging twee maanden eerder, die vaststelde dat verdachten nog maar maximaal vijf jaar in voorarrest gevangen gehouden mogen worden. Eerder gold een maximaal voorarrest van tien jaar. Ondanks dat Erdogan een reisverbod was opgelegd, vluchtte ze naar Nederland. Hoewel ze naar eigen zeggen nooit bij een gewelddadige actie betrokken was, werd ze tot levenslang veroordeeld voor onder meer poging tot het gewelddadig omverwerpen van de constitutionele orde. Dat zou ze hebben gedaan als één van de kopstukken van de MLKP (Marxistisch-Leninistische Communistische Partij), die op de Turkse terreurlijst staat. De Kanttekening sprak Erdogan naar aanleiding van de recente escalatie van het geweld in het zuidoosten van Turkije, één van de onderwerpen waarover ze schrijft voor de Turkse nieuws- en opiniewebsite Bianet.

De zaak tegen jou is nog niet afgesloten. Heb je er vertrouwen in dat na al die jaren gerechtigheid zal geschieden?
‘Onder normale omstandigheden, in een degelijk functionerende rechtsstaat, was ik überhaupt nooit gevangengezet, aangezien de zaak tegen mij nergens op is gebaseerd. Turkije is geen rechtsstaat, maar als er zelfs nog maar een klein beetje rechtvaardigheid is in het land, dan wordt de zaak tegen mij nietig verklaard en krijg ik schadevergoeding voor al die jaren die ik onterecht heb doorgebracht in de gevangenis. Zelf doe ik in ieder geval alles voor gerechtigheid, alles wat in mijn macht ligt, dat ik heb ik me voorgenomen, want als ik later terugkijk wil ik zonder vraagtekens kunnen zeggen dat ik mijn best heb gedaan. Daarom blijf ik strijden. Als mensen niet strijden voor gerechtigheid, voor verandering, verandert er niets in Turkije.’

Waarom zitten zo veel journalisten in de gevangenis in Turkije?
‘De machthebbers in het land zijn zo anti-democratisch dat ze geen enkele kritiek dulden. Ze kennen geen democratische traditie. Ze tolereren alleen gelijkdenkenden. Andersdenkenden zetten ze buitenspel. Er is geen vrijheid, geen vrijheid van gedachte en geen vrijheid van meningsuiting. Er zitten momenteel meer dan dertig journalisten in de gevangenis. Toch claimen Turkse bewindslieden dat er persvrijheid is in het land. Triest. Als reactie op de dubbele zelfmoordaanslag in Ankara, die aan meer dan honderd mensen het leven kostte, deed Ahmet Davutoglu (Turkse premier, red.) een knettergekke uitspraak. Hij zei dat potentiële zelfmoordterroristen alleen opgepakt kunnen worden nadat ze zichzelf opblazen, omdat ze dan pas strafbaar zouden zijn. Zulke abnormale uitspraken doen mensen van de AKP (president Recep Tayyip Erdogans islamistische Partij voor Rechtvaardigheid en Ontwikkeling, red.) wel vaker. Ze houden het volk voor de gek. Journalisten worden gevangengezet, om niets, maar terroristen oppakken, ho maar, nee, zij mogen vrij rondlopen. Waarom? Omdat terroristen nuttig zijn voor de huidige machthebbers. Ze gebruiken hen om de eigen machtspositie te versterken, terwijl journalisten, zoals Can Dündar, met hun berichtgeving die positie kunnen doen wankelen. Het gaat dus om eigenbelang. Zowel het niet laten oppakken van terroristen als het laten oppakken van journalisten, is politiek gemotiveerd.’

In het zuidoosten van Turkije woedt een hevige strijd de PKK en het leger, die een hoge tol eist onder de burgerbevolking. Hoe ernstig is de situatie in het gebied?
‘Erdogan haalt regelmatig uit naar Assad, zijn oude maatje. Hij houdt hem verantwoordelijk voor de oorlog in Syrië en daarmee de dood van honderdduizenden mensen. De pot verwijt de ketel dat hij zwart ziet. Erdogan zou in de spiegel moeten kijken. Hij heeft veel gemeen met Assad. Hij heeft Zuidoost-Turkije veranderd in een oorlogsgebied, waar inmiddels honderden burgers zijn gedood. In negentien gebieden geldt een uitgaansverbod. Mensen kunnen niet eens hun doden begraven. In steden als Cizre liggen lijken te rotten op straat, net als in Syrië. Je kan niet verwachten dat kinderen die in zulke omstandigheden opgroeien de staat vertrouwen. En dan durft Erdogan het nog te hebben over ‘broederschap’. ‘Mijn Koerdische broeders’, zegt hij om de zoveel tijd. Welk broederschap? Voor kinderen in steden als Cizre is broederschap niet meer dan een woord, een valse belofte, het tegenovergestelde van de realiteit waar ze dagelijks mee geconfronteerd worden. Feit is dat alleen de ‘AKP-Koerden’, de Koerden die naar de pijpen van Erdogan dansen, zijn ‘broeders’ zijn.’

Foto: Hakan Büyük

Voor veel Turken in het westen van het land is het leed van de burgerbevolking in het zuidoosten een-ver-van-mijn-bed-show. Weinig ‘westerlingen’ lijken er zich om te bekommeren. Waar heeft dat mee te maken?
‘Het probleem is dat mensen in het westen niet op de hoogte zijn van het drama dat zich afspeelt in het zuidoosten. Het gros van de media bericht er niet over, aangezien vrijwel alle grote mediabronnen beheerst worden door Erdogan en zijn kliek. De media die dat wel doen, zoals de linkse kranten Cumhuriyet, Evrensel en BirGün, hebben maar een beperkt bereik.’

Wat vind je van Zamans berichtgeving hierover?
‘Zaman is onderdeel van de pro-Gülen-media en voert nu oppositie tegen Erdogan, omdat Erdogan jacht maakt op de Gülen-beweging. Maar als het om de Koerden gaat, schaart ook Zaman zich bij de mainstream media, want ook Zaman is pro-uniformiteit ofwel verdediger van de visie die gebaseerd is op de drie pijlers ‘één volk, één land, één vlag’. Dat geldt ook voor bijna alle oppositiepartijen, inclusief de CHP (Republikeinse Volkspartij, kemalistisch, red.). Ook de CHP kiest de kant van het pro-uniformiteit-kamp als het om het ‘Koerdische probleem’ gaat. De enige partij die dat niet doet, is de HDP (Democratische Partij van de Volkeren, democratisch-socialistisch, red.), die zich hard maakt voor de Koerdische zaak. Nog niet zo heel lang geleden, tot het corruptieschandaal dat in december 2013 aan het licht kwam, stond Zaman aan de kant van de AKP. En in de pre-AKP-periode steunde ze de hetze tegen de revolutionaire socialistische beweging. Als Zaman écht oppositie wil voeren, moet ze haar eigen fouten en gebreken onder ogen zien, haar huidige redactionele lijn kritisch evalueren en een ferm standpunt innemen in de Koerdische zaak.’

Hoe kan het ‘Koerdische probleem’ opgelost worden?
‘Verzoening is de remedie. Maar voordat dat kan plaatsvinden moet het één en ander gebeuren. De Koerden moeten bestuurlijke en culturele autonomie krijgen en ze moeten erkend worden als volledig gelijkwaardige burgers. De staat moet accepteren dat de Koerden net als elk ander volk het recht hebben hun eigen lot te bepalen. Dat repressiepolitiek geen oplossing zal brengen, is zeker. De staat gebruikt al ruim dertig jaar geweld, het enige wat dat heeft opgeleverd is meer haat. Verwachten dat een volk een toekomst zonder vrijheid accepteert, is onrealistisch. In opstand komen tegen onderdrukking is een mensenrecht.’

Er zijn meldingen van ‘verdwenen’ Koerdische activisten in steden als Cizre en Sur. Waarnemers stellen dat de JITEM* weer op actief is gesteld.
‘Erdogan heeft geleerd van zijn voorgangers, van de duistere perioden in de geschiedenis van Turkije, zoals de tumultueuze periode in de jaren negentig waarin de beruchte ‘onopgeloste moorden’ werden gepleegd. De tactieken die toentertijd werden gebruikt heeft hij zich eigen gemaakt en past hij nu toe, maar hij heeft er een schepje bovenop gedaan, want hij heeft zijn eigen ‘JITEM’ opgericht. Volgens verschillende bronnen is er momenteel een IS-achtig islamistisch doodseskader, met zo’n vijfhonderd leden, actief in het zuidoosten van het land. Deze dood en verderf zaaiende ‘elite-eenheid’, die zich Esedullah [‘leeuw van Allah’ in het Arabisch, red.] noemt, zou rechtstreeks verbonden zijn aan Erdogan. Op muren van huizen in wijken in de regio waar een uitgaansverbod geldt zijn teksten als Esedullah burda (Esedullah is hier, red.) gekladderd. Mensen zijn doodsbang.’

Hoe zie jij de toekomst van Erdogan?
‘Met zijn hebzucht en egoïsme maakt hij Turkije kapot. Met hem ‘achter het stuur’, is Turkije net een vrachtwagen met gebroken remmen, die met maximumsnelheid een helling afrijdt. Plank gas, de afgrond in. De geschiedenis leert ons dat dictators vaak op een gruwelijke manier aan hun eind komen. Ik heb geen reden om te denken dat het Erdogan anders zal vergaan. Hij is een last op de rug van de volkeren van Turkije, die hij veel schade heeft berokkend. Hij heeft veel pijn en leed veroorzaakt. Hoe vroeger hij gaat, hoe beter.’

*Gendarmerie-inlichtingen en Terreurbestrijding: de gevreesde ‘contra-terrorisme-organisatie’ van de gendarmerie, die eind jaren tachtig werd opgericht. De organisatie wordt verantwoordelijk gehouden voor een groot aantal gedwongen verdwijningen en moorden. Het bestaan van de organisatie werd lange tijd ontkend door de staat. Onder anderen oud-premiers Bülent Ecevit en Mesut Yilmaz hebben het bestaan van de organisatie bevestigd.

Tunesië is terug bij af

0
Tunis-avondklok.jpg
Foto: © AP

Gaat het dan toch ook mis in Tunesië? Nadat nog afgelopen najaar de Nobelprijs voor de vrede was uitgereikt aan een aantal organisaties die door hun beheerste optreden een cruciale rol hadden gespeeld bij de overgang van dictatuur naar democratie, lijkt het nu weer bergafwaarts te gaan. Onlangs hebben uitbarstingen van straatgeweld al tot de instelling van een avondklok geleid. Loopt daarmee dan toch ook het tot nu toe enige succes waarop de Arabische Lente kon bogen, ernstig gevaar?

De Tunesische demonstranten van vandaag hebben eigenlijk dezelfde klacht als die van een paar jaar terug, toen zij met hun opstand de zittende machthebbers ten val brachten: economische uitzichtloosheid, massale (jeugd)werkloosheid en nauwelijks enig zicht op vooruitgang. Alleen keerde men zich toen tegen een autoritaire dictatuur, nu tegen een democratisch gekozen regering. Die biedt in de ogen van sommigen zelfs zo weinig perspectief dat alweer de roep om een sterke man wordt vernomen. De diverse aanslagen, en het gevoel van onveiligheid die deze hebben gecreëerd, draagt aan die laatste roep niet weinig bij.

De weinig florissante economie: dat was en is de cruciale oorzaak van de grote maatschappelijke onvrede. Die aanslagen troffen Tunesië daarbij in haar economische achilleshiel: het toerisme, voor dit land – net als voor bijvoorbeeld Egypte – een cruciale inkomstenbron. En toeristen hebben wereldwijd één ding gemeen: dat zij massaal wegblijven uit een gebied waar het onveilig en onrustig is. Dat kan zijn vanwege interne strubbelingen, zoals chaos als gevolg van een revolutie, maar kan natuurlijk ook door aanslagen van buitenaf. Vooral het eerste maakt deze landen zo kwetsbaar, want nadat de toeristen als ongewenst bijeffect van een democratische opstand tegen een ‘stabiele’ dictatuur verjaagd zijn, keren zij niet direct terug, waardoor de nieuwe democratische regering, die uiteindelijk zijn electorale legitimiteit moet ontlenen aan economisch succes, aan de eigen achterban te weinig vooruitgang kan laten zien. Zo komt die vervolgens zwakker te staan tegenover zowel ongedurige kiezers als aanhangers van het oude regime, die kunnen zeggen: ‘Zie je wel, democratie is niets voor ons, toen we een krachtige leider hadden ging het allemaal stukken beter!’

Met die sterke afhankelijkheid van het toerisme (naast de olie) verkeren de Arabische landen, waar het de kansen op een succesvolle democratische start na een revolutie betreft, anno 2016 duidelijk in het nadeel vergeleken met de Oost-Europese in 1989. Daar vormde het veel minder een inkomstenbron van betekenis, zodat een (tijdelijke) teruggang van het toerisme door grote maatschappelijke onrust veel minder negatieve economische implicaties had, en dus ook niet zo’n hypotheek voor de nieuwe democratische regeringen vormde.

Kort na het uitbreken van de ‘Arabische Lente’ werd deze wel gezien als de Arabische variant van de Val van de Berlijnse Muur (9 november 1989); in de communistische dictaturen werden de machthebbers ook door massademonstraties ten val gebracht. Maar eerder dan met de (behalve in Joegoslavië) vreedzaam verlopende revolutie van 1989 laat zich de in bloedbaden uitlopende Arabische opstand van 2011 vergelijken met het niet minder bloedig eindigende revolutiejaar 1848. Ook toen een nog vergeefse poging om het autoritaire bewind in veel Europese landen door een democratischer te vervangen. Het zou, nadat in tal van staten die revolutie hardhandig was neergeslagen, vaak decennia duren tot het er inderdaad van kwam.

Een vergelijking met 1848 is echter ook, omgekeerd, zeer leerzaam vanwege een cruciaal verschil. Dat heeft te maken met de verwachtingen van de huidige demonstranten en hun van 1848 zo sterk verschillende tijdshorizon. Het is vrij evident dat de Arabische opstanden vanaf 2011 sterk gestimuleerd zijn door de aanwezigheid van een democratisch en welvarend Europa zo dichtbij. Veel Arabieren maakten kennis met Europa vanwege een eigen verblijf hier vanwege tijdelijk werk, dan toch wel van de verhalen van geëmigreerde familieleden.

Zij weten dus dat er in beginsel een alternatief bestaat voor de uitzichtloze dictatuur thuis – en dat dat alternatief, zoals zij ook in eigen land aan de hand van het massatoerisme van de Europese middenklasse kunnen constateren, niet slechts in immense rijkdom voor een beperkte bovenlaag (zoals in de Arabische wereld), maar in ongekende welvaart voor de meerderheid van de bevolking resulteert. Welvaart die in de Arabische landen zelfs voor jongeren die een universitaire opleiding genoten hebben, vaak buiten bereik is, omdat in een corrupte dictatuur de weinige lucratieve baantjes door een kleine coterie onderling worden verdeeld.

Is de Europese praktijk zo enerzijds een enorme stimulans voor de democratische gedachte in het Midden-Oosten geweest, voor de wens om het niet langer te pikken – anderzijds staat dit wenkende perspectief nú stabilisering van de democratie in de weg: men wil direct economische verbetering zien. Om te accepteren dat de positieve economische resultaten van een democratische omwenteling pas na decennia zichtbaar zullen worden: daarvoor ontbreekt, met het rijke Europese alternatief zo direct naast de deur, gewoon het geduld.

Een zelfde, op zich begrijpelijk, ongeduld zien we bijvoorbeeld ook in Zuid-Afrika, waar de zwarte bevolking van de afschaffing van de Apartheid een kwarteeuw geleden ook bijna het Paradijs verwachtte, en nu zwaar teleurgesteld afhaakt. Daarin ligt meteen het cruciale verschil met 1848: de democratische revolutionairen van toen konden zich van de huidige Europese welvaart geen enkele voorstelling maken, en dus was dat onder hun aanhang ook niet van invloed bij de beoordeling van hun eigen politieke resultaat.

Thomas von der Dunk is publicist en cultuurhistoricus.

Spirituele poëzie van hart tot hart

0
Hij schrijft op het snijpunt tussen spiritualiteit en creativiteit. Dichter Amir Sulaiman laat zich in zijn poëzie zowel inspireren door de islam als door de liefde voor een vrouw. Over de intimiteit van poëzie, die steeds van hart naar hart gaat en woorden laat proeven. En over het ego, dat in dat proces voortdurend roet in het eten probeert te gooien.

‘Hoe smaakt een sinaasappel?’ Met die eenvoudige vraag raakt de Amerikaanse dichter Amir Sulaiman (Rochester, 1980) de essentie van poëzie aan. Hij was vrijdag te gast op een literaire avond in het cultuurcentrum van Berchem, georganiseerd door het collectief Nuff Said. Twee dagen eerder stond hij enkele nieuwsgierigen te woord op een lezing over hoe zijn werk tot stand komt. De Kanttekening was erbij en sprak Sulaiman.

Zoet, zuur, fris, sappig… Het zijn woorden waarmee je de smaak van een sinaasappel kan trachten te vatten, maar geen enkel van deze woorden is volledig toereikend. ‘De smaak van een sinaasappel kan je niet overbrengen van mond naar oor. Je kan hem enkel doorgeven van hart tot hart’, zegt Sulaiman. ‘Elk zintuiglijke ervaring van een sinaasappel, erover horen of het lezen, het zien ervan en het proeven ervan is uniek en biedt er een andere vorm van kennis over. Maar het proeven is de meest intieme ervaring. Op diezelfde manier is poëzie de smaakzin van woorden. Via de poëzie kan je ervaringen die uit het diepst van je ziel komen middels woorden tot een ervaring voor een andere persoon maken.’

Volgens Sulaiman heeft poëzie toegang tot de achterdeur van het hart, waar ze meteen in binnen raakt. ‘Het is zoals een digitale foto die je neemt met je smartphone en dan via bits en bytes de ether instuurt. Zo stuur je in de poëzie via woorden je innerlijke naar de binnenspiegel van iemand anders.’ In dat opzicht is taal voor Sulaiman net een technologie. ‘Een drager waarmee menselijke gevoelens in de hoogst mogelijke resolutie kunnen worden overgebracht en gedeeld.’

Taal als begin
‘Als je enkel vanuit de tong spreekt, ga je ook enkel het oor bereiken’, klinkt Sulaiman filosofisch. Zijn manier van spreken doet sterk denken aan één van zijn grootste inspiratiebronnen: soefimysticus Jalal ad-Din Rumi. Deze Perzische poëet staat bekend om zijn vele gedichten die bol staan van de metaforen. Hij gaf een sterk verinnerlijkte en spirituele dimensie aan de islam. In vele van zijn gedichten staat de liefde centraal, in de meeste gevallen de liefde voor Allah.

Zowel de liefde als expliciete verwijzingen naar Koran-citaten zijn steeds weerkerende motieven in Sulaimans werk. ‘Poëzie is heel belangrijk in de hele moslimwereld, waar dan ook. Zeker in de spirituele praxis is poëzie essentieel Ook taal en schrift liggen aan de basis van het geloof. Het universum ontstaat bij de gratie van Gods woord. Licht ontstaat doordat God zegt ‘laat er licht zijn’. Ook de profeet Mohammed kreeg aan het begin van zijn tocht een tablet en pen mee. Dingen worden via woorden van niet-bestaan naar bestaan gebracht. Deze beker in mijn hand was ooit een gedachte, een idee dat iemand slechts via de omweg van woorden tot materie heeft kunnen brengen.’

Sulaiman: ‘Toch heeft de taalvorm van de poëzie een extra kracht die andere taalvormen niet hebben: het contact met het diepste van je innerlijke. Dat is waar kunst en spiritualiteit elkaar raken. Om echter het diepste van je ziel bloot te leggen – aan een geliefde of aan de wereld – moet je je erg kwetsbaar opstellen. Ik moet mijn woorden zo snel mogelijk opschrijven voor de twijfels komen.’ Hij vergelijkt het met twijfels bij een liefdesverklaring. ‘Houdt de andere wel zo veel van mij als ik van hem/haar? Ga ik mezelf niet enorm belachelijk maken als ik een blauwtje loop?’, zegt hij. ‘Wie het innerlijke probeert te laten spreken wordt gehinderd door het ego, dat het lijden en het gezichtsverlies altijd koste wat het kost zal proberen te vermijden. Vergelijk het met Sméagol, het personage uit The lord of the rings, die voortdurend met zijn duistere alter ego in een strijd verwikkeld is. Het ego probeert de doorgang van het innerlijke naar de buitenwereld te blokkeren. Het vergt een lange oefening en voortdurende strijd om dat ego onder controle te houden.’

Bodybuilderliefde
‘Als je in slaap valt, heb je dat pas door op het moment dat je wakker wordt’, zegt de poëet. ‘Zo is het ook met het ego, dat zich alleen laat kennen op het moment dat het al een tijdje beslag op je gevoelens had gelegd. Dat wakker worden gaat vaak gepaard met lijden. Mensen zijn zich vaak pas bewust van de uiterlijke schijn van de dingen op het moment dat ze werkloos raken, bij verlies van een familielid of van de gezondheid. Pas dan beginnen ze zich vragen te stellen.’

Volgens Sulaiman kan je op allerlei manieren de strijd tegen het ego trainen. Hij verwijst naar islamitische technieken zoals de ramadan of de bedevaart naar Mekka. Bij deze gebeurtenissen legt de gelovige zichzelf leed of ontbering op, om zijn eigen ego aan de kant te schuiven. Sulaiman vergelijkt het met een bodybuilder die pushups doet. ‘Om sterker te worden, drukt hij zich op tegen de zwaartekracht. Die zwaartekracht doet hem lijden en is zijn tegenstander. Maar als die zwaartekracht er niet was, dan zouden zijn oefeningen helemaal geen zin hebben. Op die manier kan je ook maar tot goede poëzie komen door voortdurend de strijd met het ego aan te gaan. Het ego is daarin zowel een opponent als een medestander. Maar niet alleen voor de poëzie geldt dat. Ook de liefde en het leven zelf zullen nooit volledig pijnloos zijn. Je kan maar liefhebben door de pijn van het gemis te voelen en bij het leven hoort ook de dood’, aldus Sulaiman. ‘Dus moet je leren leven en liefhebben als een bodybuilder”, grapt hij. ‘Druk wat aanvoelt als een bedreiging neer en word sterker van je lijden, zoals een bloem die groeit uit mest.’

Verbied salafistische bijeenkomsten

0
salafi-verbod-salafisme.jpg
Foto: © AP

De profeet streed immer met open vizier. Zijn tegenstanders wisten met wie ze te maken hadden. Tegelijkertijd was de profeet ook iemand die volgens de traditie barmhartigheid betoonde met diezelfde tegenstanders of opponenten. Salafisten streven ernaar zich te gedragen als de profeet en de eerste generaties na hem. Ik vind dat lofwaardig. Je hebt een ideaal en je wilt dat realiseren. Niettemin heb ik kritiek op ditzelfde salafistische ideaal. In de eerste plaats begrijp ik niet dat veel salafistische stemmen niet vergezeld gaan van namen en gezichten. Zo ben ik regelmatig op Twitter in debat met ”@StopMoslimhaat”, ”@MoslimsinDialoog” en ”@Bilal_Moslim”, die mij nogal de maat nemen, wat ik niet erg vind, maar zonder hun gezicht te laten zien. Zij blijven anoniem en ik niet. Ik zou zeggen dat dat islamonwaardig is. De profeet toonde zijn gelaat, net als ik, laat de salafisten in Nederland dat ook doen.

En dat is precies het debat: zijn de salafisten wie ze beweren te zijn? De salafisten debiteren keer op keer hun mening dat wat zij doen en prediken binnen de vrijheid van godsdienst en vrijheid van meningsuiting valt. Dat ik geen weet heb van hun alleen maar vreedzame bedoelingen. En daarom viel mijn suggestie om een salafistische bijeenkomst in Almere, waar Nourdeen Wildeman en de Britse sjeik Haitham al-Haddad zouden spreken, te verbieden hen zwaar. Ik suggereerde voor de camera van omroep Flevoland dat de burgemeester van Almere er goed aan deed om alles wat juridisch mogelijk is te doen om de bijeenkomst te verbieden.

Waarom deed ik dat? In de eerste plaats ben ik oprecht overtuigd van de kracht van onze democratie. De rechter beslist in de laatste plaats waar de grenzen liggen van de vrijheid van meningsuiting. Zou de bijeenkomst, die overigens gewoon doorging, verboden zijn, dan kon de organiserende instantie naar de rechter stappen en zo kon dan jurisprudentie ontwikkeld worden. Maar dat is alleen maar de procedurele weg. Inhoudelijk heb ik grote moeite met een ideologie die au fond de democratie afwijst en naar een samenleving streeft die geregeerd wordt door de sharia. En hoewel ik veel respect heb voor islam, vrees ik voor onze vrijheden als de sharia zou heersen. Nu voegde Okay Pala, van de Hizb ut-Tahrir op Facebook (die immer respectvol blijft) me toe dat die ideale samenleving  niet hier in Nederland gevestigd zou worden. Dat zou ”daar” zijn, in de islamitische wereld. Waarom zei hij dat? Om me gerust te stellen? En als dat zo is, waarom gaan Pala en zijn achterban dan niet ”daar” wonen? En is het niet zo dat ze, ondanks deze bezwerende formule, niet alvast begonnen zijn?

Mijn grootste bezwaar tegen bijeenkomsten als die in Almere is evenwel de isolationistische werking die ervan uitgaat. Het discours is er sterk één van wij tegen zij en in een samenleving die alsmaar meer gepolariseerd raakt, worden de tegenstellingen steeds groter. Bovendien hebben partijen aan de uiteinden van de polen beide steeds meer stof om zich als slachtoffer te gedragen: de salafisten die nu onder vuur liggen maar ook de populisten die moslims en islam niet anders beschouwen als staatsgevaarlijke lieden. En de meest kwetsbare groepen van dit soort extreme opvattingen zijn de jongeren. Die zijn vatbaar voor zwart-wit-denken en zij plaatsen zich daarna vaak buiten de maatschappij. En dan leert de praktijk dat in kringen van salafisten jongeren zich zozeer isoleren dat zij vatbaar worden voor radicalisering en het opnemen van wapens.

De salafisten verwijten mij dat ik hen verwijt geweld te propageren. Nee, dat doe ik niet, maar wat ik ze wel verwijt is dat ze – willens en wetens? – een boodschap debiteren die leidt tot isolatie en zo tot mogelijke radicalisering. Vandaar mijn oproep om juridisch te kijken wat mogelijk is om dit soort bijeenkomsten te verbieden. En mijn  heilig geloof in de rechtsstaat. Zegt de rechter dat er geen juridische basis is deze predikers en bijeenkomsten te verbieden, ook dan heeft de democratie gezegevierd en profiteren, oh paradox, de salafisten, met en zonder gezicht, daarvan. Misschien is de ”geheime agenda” van de salafisten er wel één van het beleven van hun fundamentalistische vorm van islam onder de zonneschijn van de ook door hen uiteindelijk gewaardeerde democratie.

Jan Jaap de Ruiter is arabist aan de Tilburg University. Hij houdt zich bezig met de status en rol van het Arabisch en de islam in West-Europa en Marokko. Hij publiceert over beide thema’s in diverse talen, waaronder in het Frans, en gaat het debat erover aan in nationale en internationale context. In heden en verleden heeft hij in menig Nederlands en Europees onderzoeks- en ontwikkelproject geparticipeerd. Volg hem op Twitter: @janjaapderuiter