Home Blog Pagina 975

‘Dit getuigt van weinig fatsoen en respect’

1
Een politieman gooide eind vorig jaar de Nederlandse vlag op de grond. ‘Wat hij heeft gedaan, getuigt van weinig fatsoen en respect voor degenen die in de geschiedenis gestreden hebben en gesneuveld zijn voor de Nederlandse vlag.’

Gele hesjes
Een Haagse politieman smeet op 29 december de Nederlandse vlag op de grond tijdens een demonstratie van de zogenoemde gele hesjes. De reacties in het land hierop varieerden van woede tot verdriet. Wat vinden ‘nieuwe Nederlanders’ van dit voorval?

De gele hesjes in Nederland protesteren al heel wat weken. Het initiatief is gekopieerd van de Franse gilets jaunes, die aanvankelijk de straat op gingen om te ageren tegen de verhoogde benzinebelastingen in dat land. In Nederland richtte men zich eerst ook op de accijnzen, maar al gauw werden meer zaken de demonstranten een doorn in het oog, zoals het immigratiebeleid, de zorg en het klimaatakkoord. Je zou kunnen zeggen, als er vijfhonderd gele hesjes zijn, zijn er vijfhonderd wensen, verlangens, eisen, doelen. De grootste gemene deler is echter de afkeer van de regering, met in persoon minister-president Mark Rutte.

Er waren op een enkele ongeregeldheid na geen noemenswaardige gebeurtenissen tijdens de demonstraties van hen voorgevallen. Wel leek het alsof vanaf het begin de landelijke politie een enorm behoedzame opstelling tegenover deze demonstranten had. Ze wilde waarschijnlijk deze protesten met voorzichtigheid betrachten en ontving wellicht orders van bovenaf dat het niet moest worden zoals in Frankrijk en België.

Het vijfde weekend kwam het ineens tot een waarlijk gevecht tussen de politie en de demonstranten. Getuigen zeggen dat het op een veldslag leek die zich afspeelde op verschillende plekken in de Hofstad. Maar ook de beelden bij het journaal op televisie en op internet laten een angstaanjagende schermutseling zien. In één van die afschuwelijke momenten worden demonstranten met Nederlandse vlaggen bij een lunchroom in het centrum hardhandig teruggedrongen. De wapenstok wordt gebruikt door de politie en een agent gooit een Nederlandse vlag, na die van iemand te hebben afgepakt, op de grond. Dit is gefilmd door een toeschouwer en de video verscheen op mediawebsite Dumpert en op YouTube.

Autochtone aversie
‘Autochtone’ Nederlanders hebben in meerderheid helemaal niets met de Nederlandse vlag. Ze zien het als ‘nationalistisch’ – een woord dat bij hen een negatieve lading heeft. Er bestaat zelfs botweg een aversie tegen de ‘driekleur’. Desalniettemin waren alle politieke partijen, op de Partij voor de Dieren na, voor het plaatsen van ‘de vlag’ in de Tweede Kamer. Het initiatief daarvoor kwam van de op de Bijbel gestoelde Staatkundig Gereformeerde Partij (SGP).

Republikein Bas Bakker heeft niets met de vlag: ‘Ik hang hem alleen maar uit met Dodenherdenking en  Bevrijdingsdag’, zegt de negenenveertigjarige productiemedewerker uit Dordrecht. Wat vindt hij dan van Nederlandse patriotten? ‘Ik snap dat niet, maar het is hun goed recht.’ Maar ook bij Bakker kan de agent niet op sympathie rekenen. ‘Wat hij heeft gedaan, getuigt van weinig fatsoen en respect voor degenen die in de geschiedenis gestreden hebben en gesneuveld zijn voor de Nederlandse vlag.’

In Nederland wordt het tonen en uithangen van de ‘driekleur’ wél geaccepteerd tijdens bepaalde feestdagen. Op Koningsdag en Bevrijdingsdag kan het Nederlandse volk ineens zonder schroom met de vlag wapperen. In sommige landen is dat heel anders. Een staat als Spanje heeft het gehele jaar door bijvoorbeeld vlaggen in het openbaar hangen. En bekend is natuurlijk de trots van de Amerikaan voor zijn ‘Stars and Stripes’.

Assad, Ali B. en de mensen
Hoe is het wat dit betreft gesteld in de landen van herkomst van de Syrisch-Nederlandse Araa el-Jaramani, de Eritrees-Nederlandse Halewat Gebreselassie* en de Marokkaans-Nederlandse Aziz ‘Ali B.’ el-Kandoussi*. Jaramani woont vijf jaar in Nederland, nadat ze uit Syrië vluchtte voor de oorlog. ‘Ik had ook persoonlijke problemen met het Assad-regime.’ De drieënveertigjarige zegt dat het haar bevalt hier in Nederland. ‘Het is hier veilig en er zijn waarden als rechten en gelijkheid.’ Wat de politieman gedaan heeft, begrijpt ze niet. ‘Misschien was het uit wrok tegen een persoon of de regering, maar het is niet eerlijk, want hij ‘pakt’ dan nu het gehele land. Ik vind het slecht van hem om het symbool van de goede concepten die dit land heeft, te beledigen.’ Ze beaamt dat zoiets ook in Syrië mogelijk zou zijn geweest. ‘Als die politieman demonstreerde tegen dictator Assad.’ Desalniettemin zou zo’n agent evengoed gearresteerd worden.

In haar land van origine wordt op tweeërlei wijze tegen de nationale vlag aangekeken. ‘Sommigen zien het als het symbool van het land, anderen zien het als die van president Assad.’ Ze vertelt verder: ‘Het landsdoek zorgt voor spanningen. Na de revolutie kwam er naast de bestaande vlag die het regime zwaait, een nieuwe banier bij. De nieuwe vlag vertegenwoordigt de ‘revolutionairen’. Assad gebruikt die vlag als het zinnebeeld tegen hen.’

Voor de vlag van haar ‘nieuwe land’ heeft ze respect. ‘Ik heb een hoge achting voor Nederland en de Nederlanders.’ Op de vraag of Jaramani zich meer verbonden voelt met haar oorspronkelijke land of met haar huidige land, zegt ze: ‘Wat herinneringen betreft, meer met Syrië, maar qua heden en toekomst is het Nederland.’

Kandoussi heeft de haardos van rapper en tv-persoonlijkheid Ali B. ‘Men noemt me dan ook zo’, zegt hij. De gewezen fietsenmaker is zo’n veertig jaar geleden geboren in Marokko. Hij kwam als klein kind naar het Utrechtse Soesterberg. ‘Wij hebben het in Nederland heel goed’, steekt hij van wal. ‘Ik boek wel eens een vakantie naar Marokko voor een maand, maar dat blijkt dan echt te lang te zijn. Nederland is mijn huis.’ Voor het incident dat de politieman veroorzaakte, heeft Kandoussi geen goed woord over. ‘Schandalig. Die man vertegenwoordigt de staat.’ Hoe men in zijn oorspronkelijke land tegen de vlag aankijkt? ‘Met een diep respect.’ Wat die agent heeft gedaan, zou hem, volgens Kandoussi, in het Noord-Afrikaanse land een ‘fikse gevangenisstraf’ hebben opgeleverd. ‘Ik weet niet wat deze man kan hebben bezield. Misschien is hij ongelukkig of had hij een slechte dag.’ Kandoussi houdt van de Nederlandse vlag, evenals die van Marokko. Hem zul je ook niet met een Marokkaanse vlag op een Marokkaans-Nederlandse bruiloft zien. ‘Daar doe ik niet aan. Of ik zou dan alle twee meebrengen.’ Hij kan en wil niet kiezen tussen de vaandels. ‘Op beide ben ik trots.‘

Gebreselassie ging haar man, die al in Nederland was, achterna. Nu woont ze hier drie jaar, doet een opleiding assistent-verkoopster en loopt stage bij de Zeeman. Ze komt oorspronkelijk uit Eritrea, maar is geboren en getogen in Soedan. Het voorval met de politieman geeft haar ‘geen lekker gevoel’, zegt ze, terwijl ze kleding in een bak opvouwt. Het mooiste aan Nederland vindt ze ‘de mensen, in het bijzonder mijn collega’s en mijn docent.’ Ze verhaalt dat ze nooit in haar land van herkomst is geweest en er dan ook geen gevoelens voor heeft. ‘Ik weet dat sommigen daar de nationale vlag zeer serieus nemen. Daar heb ik ook geen binding mee. En aangezien ik die niet met de Eritrese vlag heb, heb ik die ook niet met de Nederlandse.’ Ze vindt de daad van de politieman echter verwerpelijk. ‘Zoiets kun je niet maken.’

Er is gepoogd om de agent in kwestie te spreken te krijgen. Woordvoerder van de Haagse politie Perry Evenhuis zei dat dit niet mogelijk was. Over het handelen van de politieman wilde hij kwijt: ‘Geenszins was het de bedoeling van hem om de symboliek van de Nederlandse vlag geweld aan te doen of opzettelijk oneerbiedig te behandelen. Eén van de demonstranten verwijderde zich van de groep, de politie greep daarop in om hem bij de groep te voegen. In dat proces zwaaide de man met een vlag op een vlaggenstok. Dit hinderde de politie in haar werk, waarop de agent de vlag uit de handen van de demonstrant trok en de vlag wegwierp.’ Op de reactie dat je nooit en te nimmer de Nederlandse vlag op de grond gooit, reageerde Evenhuis niet meer.

Als gezagvoerster van de Haagse politie is burgemeester Pauline Krikke om inlichtingen verzocht. Op vragen als: ‘Weet u van dit incident en weet u wie deze persoon is? Zo ja, heeft u met de betrokken agent gesproken? Zo nee, waarom heeft u dat niet gedaan?’ reageerde woordvoerder Daan Bonenkamp: ‘Het is de burgemeester bekend dat de politie heeft moeten optreden naar aanleiding van wanordelijkheden tijdens deze demonstratie. Er zijn toen tevens aanhoudingen verricht. Indien u vragen heeft over het optreden van de politie tijdens deze demonstratie, kunt u zich rechtstreeks tot de politie wenden.’ ‘Wij hebben ons ook tot de politie gewend, maar wilden ook een reactie van mevrouw Krikke, aangezien zij opdrachtgeefster van de Haagse politie is.’ ‘De gemeente was ook niet vooraf formeel van deze demonstratie in kennis gesteld. Desalniettemin is deze spontane demonstratie na overleg tussen burgemeester en politie toch gefaciliteerd op het Plein.’ (Plein is een plein naast het Binnenhof, red.) ‘Dit alles wat u vertelt, is nog altijd geen excuus om de Nederlandse vlag op de grond te werpen. U reageert helemaal niet op het incident daarmee. We hadden geen enkele vraag gesteld over ‘wanordelijkheden’ en dus ook geen verlangen om antwoord daarop te krijgen.’ Ook hierop werd niet meer gereageerd door de woordvoering van de burgermoeder.

Er is traditioneel een wantrouwen naar het politiegezag. Maar het is niet te hopen dat de argwaan door deze gebeurtenis naar een niet eerder gekend hoogtepunt zal stijgen. De handeling van de Haagse politieagent – van de politie – is een signaal, eentje waar ook geen woorden voor zijn. Het politieapparaat kan hiermee een ommekeer in Nederland hebben teweeggebracht, het land wellicht wezenlijk in een situatie van ‘voor’ en ‘na’ gebracht. De politie heeft, in de ogen van sommigen, de afschuwelijke boodschap aan dit land afgegeven dat het geen respect voor Nederland heeft. Zo getuige reacties op Twitter. Daar valt te lezen in tweets: ‘De Nederlander is tweederangs’ en ‘Dit optreden tegen eigen volk is onaanvaardbaar’. De opvatting is: de politie dient dit land niet meer.

Sommige burgers hebben nu definitief afgedaan met de politie, twitteraars zijn van mening dat ze de agenten als ‘landverraders’ zien. Maar wat dan te doen? De politie is immers de enige entiteit in Nederland die de burger mag beschermen. Sommige mensen hebben daar al een ‘oplossing’ voor. ‘Wij zijn het volk en met veel meer. Pak ze.’ Een ander schrijft: ‘Laat die vlam maar komen.’ Een uitkomst voor de Nederlandse politie is wellicht het starten met een goede interne evaluatie en een rigoureus heroptreden naar de bevolking toe.

*Deze namen zijn gefingeerd

‘De PvdA is een beetje als Feyenoord’

0
‘Ik heb gezworen om nooit meer PvdA te stemmen, zelfs niet als Jezus Christus persoonlijk uit de hemel neerdaalt om voorzitter te worden.’

Het gaat niet goed met de Partij van de Arbeid. De sociaaldemocratische partij zit met nog maar negen zetels in de Tweede Kamer en is een schim van wat zij ooit was. Grote groepen kiezers hebben de partij verlaten; arbeiders zijn naar de SP en PVV gegaan, hoogopgeleide kiezers naar D66 en GroenLinks en moslims naar Denk. Is Lodewijk Asscher in staat om het tij keren?

Hart en ziel
‘De PvdA is een beetje als Feyenoord. Een groot verleden, maar dat is nu voorbij. Ze verliest nu zelfs van een club als Excelsior.’ Aan het woord is Marcel Duyvesteijn, columnist bij Het Parool en tot enkele jaren geleden ‘liefdevol lid’ van de PvdA. Duyvesteijn spreekt zijn column uit op een bijeenkomst van de PvdA Amsterdam in café De Rode Werf, waar parlementair journalist Max van Weezel, die ongeneeslijk ziek is, in het zonnetje wordt gezet. Ondanks zijn slopende ziekte heeft Van Weezel niets van zijn scherpte verloren en hij voelt PvdA-leider Lodewijk Asscher scherp aan de tand. De avond wordt goed bezocht, de sfeer is goed en er wordt veel gelachen. Toch heerst er geen ‘Yes we can’-gevoel, zoals op GroenLinks-bijeenkomsten. De bezoekers zijn relatief oud, gemiddeld zestig jaar. Ze zijn al jaren, tientallen jaren, lid van de PvdA. Asscher weet dit en scoort bij deze achterban met zijn pleidooi om de ‘vermogensaanwasdeling’ (groei van bedrijfsvermogens moet voor en deel worden omgezet in aandelen, die dan collectief door werknemers moeten worden beheerd, red.) aan te pakken. Iemand van zeventig plus juicht.

‘In 2006, toen ik nog wethouder in Amsterdam was, stond de PvdA in de peilingen op zestig zetels’, vertelt Lodewijk Asscher. Hij noemt het bijna terloops, maar je voelt als buitenstaander de pijn die de PvdA voelt. Toch wil Asscher niet in zak en as zitten en hij probeert via zelfspot de moed erin te houden. ‘Het gaat best goed. De Partij van de Arbeid had vroeger een magnetische aantrekkingskracht op bepaalde personen. De baantjesjagers lopen nu onze deur voorbij en gaan naar een zekere andere partij. De mensen die nu voor de PvdA kiezen, voor de PvdA gaan, doen dat met hart en ziel.’

Ze zijn er, nieuwe mensen. Eén van hen is Stephan Antuma, die tien jaar geleden in Groningen in de gemeenteraad zat voor de studentenpartij Student en Stad. Hij is nu lid van het lokale partijbestuur, een onbezoldigde functie. ‘Toen ik naar Amsterdam verhuisde, ging het toch weer kriebelen. Ik heb uit volle overtuiging voor de PvdA gekozen. Solidariteit, focus op eerlijk werk, goed wonen en op een realistische manier omgaan met de energietransitie en duurzaamheid zijn nog steeds mijn drijfveren. Daarnaast blijft de PvdA een partij die verantwoordelijkheid wil nemen, ook in een oppositierol. Maar wel vanwege de inhoud en niet om te keten en/of op te zwepen.’

Maar de PvdA heeft ook mensen verloren die zich met hart en ziel voor de partij hebben ingezet. De Kanttekening sprak met historicus Han van der Horst, bekend van zijn columns op de linkse opiniewebsite Joop. ‘Ik ben het vertrouwen in de PvdA definitief kwijtgeraakt’, zo vertelt Van der Horst aan de telefoon. ‘Ik heb gezworen om nooit meer PvdA te stemmen, zelfs niet als Jezus Christus persoonlijk uit de hemel neerdaalt om voorzitter te worden. Meer dan dertig jaar was ik lid van de PvdA. Het was liefde, maar de PvdA heeft mij bedrogen.’ Volgens Van der Horst heeft Diederik Samsom, de voorganger van Asscher, het merk PvdA definitief kapot gemaakt. ‘Ken je de Planta-affaire ook? Het is van voor jouw tijd. Planta was een margarinemerk van Unilever. Toen er gif in de margarine zat, waar mensen jeukblaasjes van op hun huid kregen, wilde niemand meer Planta kopen. Dit luidde het einde van het merk in. De naam was besmet.’ Volgens Van der Horst ging het mis toen Samsom besloot in de Tweede Kamer te blijven zitten. ‘Toen Frits Bolkestein in de jaren negentig als VVD-leider in de Tweede Kamer bleef zitten, hield hij het kabinet scherp. Samsom daarentegen verdedigde het kabinetsbeleid, ook als dat niet te verdedigen was. Lodewijk Asscher heeft als minister van Sociale Zaken in het kabinet-Rutte II de sociale zekerheid van werknemers juist verkleind. Voor veel VVD-beleid is de PvdA verantwoordelijk. Ik stemde in 2012 uit volle overtuiging op Samsom, maar ik heb hier achteraf ontzettende spijt van.’

Critici als Han van der Horst zijn niet aanwezig op de PvdA-bijeenkomst in Amsterdam, of laten zich niet horen. Vanuit de zaal zijn er vragen aan Asscher over het milieu, over robotisering en over racisme en discriminatie. Een dame op de voorste rij roept dat de PvdA veel meer tegen racisme, discriminatie en extreemrechts moet doen, in het bijzonder het Forum voor Democratie van Thierry Baudet. Asscher antwoordt dat racisme en andere ‘onzin’ inderdaad bestreden moeten worden, maar dat het ook gaat om de vraag dat mensen zich wel vertegenwoordigd voelen.

Kritischer dan deze vragenstellers zijn journalist Max van Weezel en zijn collega Joost Vullings, die ook in het panel zit. Van Weezel vindt het helemaal niks dat Asscher naar Denemarken is gegaan, om van de Deense sociaaldemocraten te leren hoe zij met het vluchtelingenvraagstuk omgaan. Denemarken voert een stringent immigratiebeleid waar vanuit Europa veel kritiek op gekomen is, ook vanuit Nederland. Vullings vindt dat Asscher tegenstrijdige signalen richting het kabinet uitzendt. Aan de ene kant de uitgestoken hand, maar Asscher steunde wel de motie van wantrouwen van de PVV tegen Rutte naar aanleiding van het dividendbelastingdebacle. ‘Zit er wel een rode lijn in Asschers optreden?’, vraagt Vullings zich af. Asscher vindt van wel en zegt dat de PvdA-fractie alle wetsvoorstellen, van het kabinet maar ook van een partij als de PVV, op hun merites beoordeelt. Hij steunt het kabinet dus als het kabinet met goede plannen komt, maar wil geen ‘vaste danspartner’ worden. En over zijn steun aan de PVV-motie verklaart Asscher: ‘Als je alleen maar tegenstemt omdat de afzender niet deugt, dan is dat niet goed.’

Partij voor de Allochtonen?
De PVV vindt de PvdA ook niet deugen en noemt de Partij van Asscher al jaren de ‘Partij voor de Allochtonen’. Han van der Horst vindt dit ‘een kwaadaardig frame’, waar volgens hem niets van klopt. ‘Wel vallen veel mensen voor deze leugen. Ze geloven dat de politiek toch niets voor elkaar kan krijgen, maar dat er wel iets tegen die ‘vuile buitenlanders’ moet gebeuren.’ Han van der Horst noemt dit het Salvini-gevoel, waarbij hij doelt op Matteo Salvini, leider van de populistische Lega Nord, minister van Binnenlandse Zaken en vicepremier van Italië. Volgens Van der Horst houdt links zich ook te veel bezig met identiteitspolitiek. ‘Dat hoort ook bij deze tijd. Mijn stukken over sociaaleconomische onderwerpen op Joop worden lang niet zo goed gelezen als mijn stukken over discriminatie en racisme.’ Van der Horst vindt dat de PvdA zich meer met sociaaleconomische problemen moet bezighouden. Want de verzorgingsstaat, ooit mede door de PvdA opgebouwd, wordt volgens hem nu in rap tempo afgebroken.

Toch heeft de PvdA veel ‘allochtone’ stemmen verloren, vooral dankzij de opkomst van Denk. Politiek wetenschapper Floris Vermeulen, universitair hoofddocent aan de Universiteit van Amsterdam, doet onderzoek naar de politieke participatie van nieuwe Nederlanders. Volgens hem verloor de PvdA in 2014 tijdens de gemeenteraadsverkiezingen voor het eerst grote groepen ‘allochtone’ kiezers. ‘De islamitische partij Nida in Rotterdam en de Multicultureel Plus Partij in Amsterdam hebben de PvdA toen veel stemmen gekost. Daar komt bij dat de PvdA seculier en progressief is, maar veel islamitische kiezers behalve religieus natuurlijk ook conservatief zijn. Sinds het leiderschap van Wouter Bos eind 2002 zit de PvdA op die seculiere lijn. Dat betekent streng op immigratie en integratie en kritisch over Turkije, denk aan de erkenning van de Armeense Genocide en de kritiek op Erdogan. Ook moesten Turkse organisaties volgens de PvdA gemonitord worden, om te kijken of zij de integratie van Turkse Nederlanders zouden belemmeren.’ De discussie over onverdoofd ritueel slachten zette bovendien kwaad bloed: ‘De PvdA was voor een verbod, eigenlijk al heel snel en zonder al te veel discussie. Denk heeft heel handig op de onvrede die daarover onder islamitische kiezers ontstond ingespeeld.’

Abdessamad Taheri is wel bij de PvdA gebleven. Hij is actief voor de partij in de gemeente Den Haag. Taheri is nog steeds lid omdat hij de ideeën van de PvdA goed vindt. ‘Op onze kernwaarden ben ik trots. En ook op Nederland. Je moet dit gewoon kunnen zeggen, zonder meteen voor racist te worden uitgemaakt. Vroeger had de PvdA een beetje last van doorgeschoten politieke correctheid, dat er op de thema’s als integratie, islam en immigratie een taboe rustte. Het zijn belangrijke thema’s die we in alle eerlijkheid moeten behandelen. Vanzelfsprekend moet je ze wel op de goede sociaaldemocratische manier aanvliegen. Maar daar geloof ik in.’ Bij de PvdA kan Taheri gewoon moslim zijn. ‘Ik vind het belangrijk om voor groepen op te komen die anders in de verdrukking komen, zoals moslims en bijvoorbeeld ook homoseksuelen. De PvdA laat hier soms wel steken vallen. Mede daarom heeft Denk succes. Toch vind ik dat de PvdA Kuzu en Öztürk veel te lang heeft getolereerd. Zij kregen alle ruimte, terwijl er met recht aan hun loyaliteit aan de PvdA kon worden getwijfeld.’

Ook Bülent Aydin heeft zich niet laten verleiden door Denk. ‘Geen moment!’, zegt hij ferm. ‘Veel Turkse Nederlanders stemden vroeger PvdA omdat deze partij hun sociaaleconomische belangen behartigde, maar in cultureel opzicht waren en zijn ze conservatief. Denk combineert een linkse positie op de sociaaleconomische as met een conservatieve positie op de culturele as. Ze lijken daarin wel op de PVV, die in sociaaleconomisch opzicht best heel links is. Denk heeft partijen als de PVV en het FvD nodig om zich tegen te kunnen afzetten. En deze partijen hebben op hun beurt Denk nodig.’ Aydin maakt een scherpe scheiding tussen zijn persoonlijke levensovertuiging en zijn politieke overtuiging. ‘Je kunt als moslim of als christen actief zijn voor de PvdA, je kunt je door religie laten inspireren, maar de sociaaldemocratie is er voor iedereen.’

Volgens Vermeulen kan de PvdA weer aantrekkelijk worden voor islamitische kiezers als de partij bereid is om moslims zichtbaar belangrijke partijposities te geven. ‘Op dit moment hebben onder anderen Ahmed Aboutaleb en Ahmed Marcouch zo’n positie. Maar hier moet de partij in blijven investeren. De beweging Vrij Links, die een hele seculiere koers voorstaat, zorgt er mede voor dat religie nog steeds een issue is bij de PvdA. De problematisering van religie zorgt ervoor dat moslims in de partij moeilijker zichtbaar worden.’

No hope, no glory
Zal het nog goedkomen met de PvdA? Van Weezel zegt aan het begin van de bijeenkomst in De Rode Werf dat hij Asscher de vraag wil stellen hoe hij van de negen zetels weer iets moois gaat maken. Helaas moeten we het antwoord hierop schuldig blijven, omdat Asscher zich – al dan niet bewust – verliest in uitweidingen over zijn Kamerwerk. We stellen de hamvraag daarom aan de eerder in dit artikel opgevoerde PvdA-leden en aan Han van der Horst.

Stephan Antuma is voorzichtig positief: ‘Hoewel het zich nog niet vertaalt in zetels, zie ik een nieuw elan bij de PvdA. Leden – jong en oud, maar bovenal jong van geest – beseffen zich dat elkaar de tent uit vechten niet helpt en dat het bovenal gaat om het geven van antwoorden op de uitdagingen van deze tijd. Daarbij past soms ook twijfel en/of bezinning.’ Taheri beaamt dit en vult Antuma aan: ‘De mensen waar ik mij aan ergerde – de baantjesjagers en de wij-zij-denkers, de PVV- en de Denk-types – zijn weg. De echte sociaaldemocraten zijn gebleven. Zij met de juiste intentie, het juiste, gaan het doen. Daar zitten we als samenleving op te wachten. Ik heb daarom ook alle vertrouwen in de toekomst.’

Van der Horst is daarentegen heel sceptisch. ‘Ik geloof niet dat het de PvdA gaat lukken om uit dit dal op te staan. GroenLinks heeft met Jesse Klaver een heel goede leider gevonden, die ook PvdA-kiezers aanspreekt. Het valt mij ook op dat de hoofdaanval van rechts op Klaver is gericht, niet op Asscher en Lilian Marijnissen. Zij moeten zich flink zorgen gaan maken.’ Van der Horst is pessimistisch over de toekomst: ‘De vakbond wordt gezien als een club van oude mannen en dat klopt helaas ook wel een beetje. Maar het is echt een probleem dat sociale zekerheid zo onder druk staat. Ik ben bang dat de verzorgingsstaat zal verdwijnen. Als je nu ernstig ziek wordt, ga je failliet, net als in de Verenigde Staten. Dit wordt niet geproblematiseerd, ook niet door links. De onzekerheid qua banen neemt enorm toe in ons land.’

Aydin neemt een middenpositie in. ‘Het zou raar zijn als je je nu geen zorgen maakt. De Partij van de Arbeid was lange tijd een grote partij met veel invloed. De partij doet het nu heel slecht, electoraal gezien. Maar ik geloof in de idealen van de PvdA: gelijke kansen, het recht voor iedereen om zichzelf te kunnen zijn en solidariteit die we met elkaar kunnen organiseren. Deze idealen blijven belangrijk voor de toekomst. Of deze idealen via de PvdA gerealiseerd moeten worden? Niet persé. De PvdA zie ik als een middel, niet als een doel. Er kan ook een nieuwe partij komen, als PvdA en GroenLinks fuseren, eventueel met de SP erbij. Toch geloof ik diep in mijn hart dat de PvdA een comeback maakt. No hope, no glory. De SP is te conservatief op veel punten. En GroenLinks is een elitaire partij voor intellectuelen. Zij maken, in tegenstelling tot ons, niet die verbinding tussen hoog- en laagopgeleid. De PvdA is terecht electoraal afgestraft. De PvdA is te technocratisch geweest, te veel gericht op de macht. Hierdoor raakte het ideaal uit beeld. Macht is een middel, geen doel. Ook is de PvdA te veel meegegaan in het kapitalisme, met het afschudden van ideologische veren en de keuze voor de Derde Weg (stroming in de sociaaldemocratie die een synthese zoekt tussen kapitalisme en de verzorgingsstaat, red.).’

Law and order zijn bij de VVD een farce

0

Meten rechtse politieke partijen in Nederland met twee maten? Afgelopen maand hadden we de Nashville-verklaring, waarover mijn vorige column ging. Wilders en Baudet, anders altijd welbespraakt, zwegen in alle talen, dus ook in de tale Kanaäns die die dominees zo graag hanteren.

Maar stel dat het niet Van der Staaij van de SGP was geweest, maar Kuzu van Denk bij een soortgelijke verklaring van een aantal imams – dan was de wereld beslist te klein geweest. Het maakt opnieuw duidelijk hoe puur instrumenteel homo- of vrouwenemancipatie voor beide radicaal-rechtse populisten zijn: alleen een stok om de islam mee te slaan.

Daarnaast was er nog een tweede akkefietje, dat voor de eerstverantwoordelijke bestuurder, de Haagse burgemeester Pauline Krikke, nu met een sisser af lijkt te lopen: de brandstapels op Oudejaarsnacht op het Scheveningse strand. Dat het voor haar met een sisser lijkt af te lopen, komt omdat het ook op Oudejaarsnacht met een sisser is afgelopen, al was het kantje boord. Als de vuurregen toen huizen in brand had gezet, was dat vermoedelijk anders geweest.

Mevrouw Krikke is van de VVD. Dat is, als bekend, de partij die al decennia op law and order hamert en graag als verkiezingsleus hanteert: Gewoon Doen. Tegen het gedogen! In Den Haag heeft ze zich de afgelopen jaren echter vooral actief in de ondermijning van de rechtsstaat betoond, van de bonnetjesaffaire van Fred Teeven tot de nu geplande afbraak van de sociale advocatuur onder Sander Dekker, nota bene ‘minister voor rechtsbescherming’. Over het ‘gewoon doen’ van Ivo Opstelten, zoals bij de manipulatie van de rapporten van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC), zullen we dan maar zwijgen. Dat die man niet allang geroyeerd is, is verbijsterend.

Law and order – die waren die nacht in Den Haag ver te zoeken. Men wist dat de brandstapels in strijd met de afspraken veel te hoog waren, maar men greep niet in. Het stond nergens letterlijk zwart op wit – een echte smoking gun is dus niet gevonden – maar het is wel duidelijk: men heeft die schending van de afspraken gedoogd, uit vrees dat het anders uit de hand zou lopen. Daarmee wordt ook nu min of meer door de betrokken jongeren gedreigd: als ons feestje volgend jaar verboden wordt, dan zetten we weer vanouds de stad op stelten, met alle miljoenenschade van dien. Met het toestaan van die brandstapels waren immers jaren terug de steevast terugkerende wanordelijkheden teruggedrongen.

Aan deze chantage is het gemeentebestuur bezweken – en bezwijkt het, als het aan sommige partijen in de raad ligt, straks opnieuw. Voorop bij het verzet tegen het verbod loopt de groep-De Mos (een weggelopen PVV-er). Nederlandse ‘tradities’ zijn immers heilig. Zodra het daarom gaat, durven ook de ‘gewone’ rechtse partijen VVD en CDA uit angst voor de toorn van de autochtone volksonderbuik hun vingers niet aan een verbod te branden.

Mark Rutte begon in Buitenhof heel theatraal te roepen dat hij de hooligans het liefst persoonlijk in elkaar zou slaan – een dieptepunt als het gaat om het hooghouden van de waardigheid van het ambt dat hij sinds 2010 vervult – maar daar bleef het bij en dat is kenmerkend voor zijn morele lafheid. Een groeiend deel van de bevolking wil het particuliere vuurwerk aan banden leggen, maar VVD en CDA liggen dwars. De angst voor het gesundes Volksempfinden, en voor een massale overloop van kiezers naar de PVV, zit bij de eerste partij zeer diep.

Dat leidt ertoe dat door Rutte en zijn kompanen steeds vaker de onderbuik gekieteld wordt – en daarmee liberale principes worden verkracht. Niet voor niets hebben inmiddels twee VVD-burgemeesters uit afschuw over het platte populisme van de huidige partijleiding hun lidmaatschap opgezegd. Die angst om door, in het geval van Scheveningen, iets over discutabele Nederlandse tradities te zeggen, de Telegraaf-kiezer van zich te vervreemden, staat niet alleen.

Er zit langzaamaan een patroon in; denk aan de vele luchtballonnetjes van Klaas Dijkhoff, zoals een pleidooi voor een postcodegebonden strafmaat – exit gelijkheid voor de wet – of zijn voorstel om betogingen tegen Zwarte Piet te verbieden – exit demonstratierecht – omdat hij de agressieve blokkeerfriezen niet tot de orde durft te roepen. In plaats van bij een dergelijke cultuurclash in een multi-etnische samenleving tussen pijnlijke tradities en moderne normen een leidende morele rol te spelen, duikt ook de premier – ‘Zwarte Piet is nu eenmaal zwart’ – steeds weg.

Of denk aan de haatdragende aanvallen op de culturele sector, van het rancuneuze afbraakbeleid van Halbe Zijlstra in zijn tijd als staatssecretaris tot het beschimpen van het Concertgebouw door het nieuwe VVD-Kamerlid Thierry Aartsen. En tijdens een vorige parlementaire periode hadden we al diens collega René Leegte – nomen est omen – die vond dat het KNMI moest worden opgedoekt, omdat de wetenschappelijke bevindingen van de daar werkzame meteorologen inzake klimaatverandering niet met het ‘gevoel’ van Henk en Ingrid strookten.

Rutte zelf was recent zo brutaal te stellen dat ‘we allemaal soms een geel hesje’ aanhebben, terwijl het Franse verzet zich juist richt tegen het soort ultra-neoliberale politiek dat zijn partij voorstaat en veel sociaaleconomische zekerheden – vaste banen, pensioenen, huren – ondermijnt. Zijn prioriteit lag twee jaar lang bij de afschaffing van de dividendbelasting om het grote bedrijfsleven te plezieren; één telefoontje van Paul Polman naar zijn ex-werknemer in het Catshuis was ooit genoeg.

Over de afbraak van de sociaaleconomische zekerheid die de VVD al decennia voorstaat – ‘flexibiliteit is goed voor u’ – en een belangrijke oorzaak vormt van de maatschappelijke onvrede, heeft Rutte het niet. In plaats daarvan tracht de VVD de gevoelens van culturele onzekerheid te bespelen door verouderde tradities voor onaantastbaar te verklaren, waardoor indirect de xenofobie aangewakkerd wordt.

‘Natuurlijk lezen mensen Rumi’

0
Journalist en antropoloog Lotte van Elp werd tijdens haar jarenlange verblijf niet alleen gegrepen door de filosoof en dichter Jalal ad-Din Rumi (1207-1273), maar ook vooral door de manier waarop hij ervaren werd door de jongeren. Ze verzamelde hun verhalen in het digitale plakboek Rumi Remedy.

Na dertien jaar in het buitenland heeft Lotte van Elp (31) zich weer in Nederland gevestigd. ‘Ja, je kunt het wel settelen noemen’, zegt ze na kort nadenken. ‘Het buitenland’ is een groot gebied in dit geval; Van Elp heeft in veel verschillende landen in het Midden-Oosten en Afrika gewoond. Daar werkte ze als journalist en ontwikkelingsmedewerker, waaronder jarenlang in Afghanistan. In december keerde ze terug naar Nederland, waar ze nu in Amsterdam werkt om jeugdgevangenen een betere toekomst te geven.

Tijdens het gesprek neemt Van Elp vaak de tijd om na te denken over haar antwoorden. Het maakt dat haar verzoenende woorden, die andermans mond toch vaak klinken als oppervlakkige clichés, voelen als een blijk van fundamentele naastenliefde. Gecombineerd met een zachte stem en regelmatige lach is het niet moeilijk om aan te nemen dat deze jongeren in goede handen zijn. Slechts één keer in het gesprek klinkt ze verbitterd – en nog wel over de opstelling van mensen in Nederland.

‘In Afghanistan mag je het niet leuk hebben, blijkbaar. Dan moet je ‘interessant’ zeggen – maar ik had het daar wel degelijk heel erg naar mijn zin, ik was heel erg blij. Ik had een soort Afghanistan-fascinatie. Alles wat ik mooi en spannend vond, gebeurde daar: ik was gefascineerd door de geschiedenis in de eerste plaats, door de militaire interventie, door de cultuur en literatuur.’ Resoluut: ‘Werkelijk álles wat ik zag, vond ik interessant. Natuurlijk beleefde ik maar een strohalm van wat er allemaal te zien en te ontdekken is’, verzucht ze vervolgens, ‘en hoe meer je weet, hoe minder je weet – maar ik heb wel een mooi inkijkje gehad.’

Vredesjournalistiek

‘Toen ik voor het eerst naar Afghanistan ging in 2010, moest ik een project managen in een ziekenhuis. Maar voor het managen stelde ik eigenlijk steeds de verkeerde vragen. Ze gingen veel meer over: wat gebeurt hier eigenlijk? Hoe zit dit nou, hoe is het voor de mensen? Toen besefte ik dat ik wat anders moest doen en ben ik vredesjournalistiek gaan doen.’

Zo begon ze met een jonge opleiding in Engeland, legt Van Elp uit. ‘Vredesjournalistiek is een nieuwere school van journalistiek. Heel veel journalisten vinden het stom, voor hen is er is maar één journalistiek: journalistiek van de feiten en objectiviteit. Vredesjournalistiek is zich echter bewust dat je altijd een impact hebt wanneer je iets schrijft – en dan kun je maar beter je best doen om de impact positief te laten zijn. Je hebt positief conflict en negatief conflict. Veel journalistiek doet verslag van een conflict als van een voetbalwedstrijd – twee destructieve teams zijn aan het strijden met veel sensatie. Natuurlijk, zonder conflict verandert er nooit iets, dus soms moet het schuren – maar het moet wel constructief conflict zijn. Vredesjournalistiek vraagt zich af: welke mensen zijn bezig het beter te maken? Welke mensen hebben een stem die nog niet gehoord is? Hoe komen we hier beter uit? De spanningsboog gaat dan niet over sensatie, maar over hoe moeilijk het is om vrede te stichten. Rumi Remedy laat ook een ander verhaal zien, dat geeft een beeld buiten dat kader van oorlog.’

Rumi Remedy

Rumi Remedy is een project van Van Elp dat ze afgelopen december lanceerde: een webpagina waarin ze verslag doet van de manieren waarop jongeren in Afghanistan en Turkije de beroemde islamitische mysticus Rumi beleven. ‘Het is een soort plakboek’, zegt ze – een collage van allerlei jongeren die verschillende verhoudingen tot Rumi onderhouden.

‘Het lukte me toch nooit echt om uit te leggen aan bekenden in Nederland waarom ik genoot van Afghanistan – je hoort natuurlijk ook alleen maar nare verhalen over Afghanistan. De gesprekken die ik had over Rumi kwamen eigenlijk het dichtste bij van mijn ervaring van Afghanistan. Via hem kan ik uitleggen dat het allemaal niet zo naar is en we meer met elkaar delen dan je denkt. Het klinkt heel cheesy en dat is het ook. Het is het idee dat we meer delen met elkaar dan je zou denken. Toen ik voor de eerste keer filmpjes van Afghanistan aan mijn vriendinnen liet zien, zeiden ze verbaasd: ‘Huh, hebben die vrouwen daar oogschaduw op?’ Dat besef van hetzelfde delen – dat is al winst, toch?

Het is geen verhaal over de oorlog – de oorlog is er, natuurlijk, maar het is niet ‘ondanks de oorlog lezen mensen Rumi’. Het is: natúúrlijk lezen mensen Rumi. Wat dacht je dan?’

Van Elps eigen band met Rumi begon toen ze weer terugkwam in Afghanistan na haar opleiding in vredesjournalistiek. ‘In het begin vond ik het best wel moeilijk om contact te maken met mensen – hoewel ik niet in een gepantserde VN-auto rondreed zoals veel expats, bleek het toch moeilijk om échte, diepgaande gesprekken te hebben met de mensen. Wat delen we met elkaar, waar gaan we het over hebben? Door Rumi ging dat beter. Voor hen was het ook een bewijs dat ik oprecht geïnteresseerd was. Anderen komen misschien ook naar Afghanistan om andere redenen – veel geld verdienen of vluchten voor een leven elders – dus voor de Afghanen was Rumi een bewijs dat hun land me echt wat kon schelen.’

Tegelijkertijd stuit het woord ‘pragmatisch’ haar tegen de borst. ‘Toen ik Rumi ontdekte, dacht ik niet: vet handig, hier kan ik vrienden mee maken. Rumi is langzaam gegroeid – het begon als iets waar ik geïnteresseerd in was en langzaam groeide het in iets groters en belangrijkers.’

Foto: Lotte van Elp

Balkh

‘Ik woonde ook in de stad waar Rumi geboren is, Balkh, dus er is geen ontsnappen aan. Hij is er echt deel van het dagelijks leven, van gesprekken, spreekwoorden en grapjes. In Balkh voel je de hele epische geschiedenis. De gebouwen zijn er nog steeds, meteen al wanneer je de stad binnenkomt ga je door een grote stadsmuur en rijd je langs het graf van de belangrijke soefi Rabia Balkhi. Je hebt natuurlijk Rumi’s huis – het is slecht onderhouden, maar het ís er nog wel. In de mensen leeft nog enorme trots. Het idee wat Balkh ooit was, is nog steeds onderdeel van wat het nu is voor de mensen daar. Dat komt ook doordat het heel lang een van de veiligste plekken was in Afghanistan.

De gouverneur was heel beroemd en sluw. Hij was een krijgsheer en doet een heleboel dingen die wij niet zo oké zouden vinden in het Westen, maar de provincie is wel heel erg lang een safe haven gebleven. In Afghanistan denk je steeds dat het niet slechter kan worden, maar gaat het toch steeds slechter. Ik weet nog toen verhalen over IS opdoken – de Taliban was al heel erg, maar het kon dus nóg erger. Balkh gaat mee in de trend, al is het nog steeds een van de betere plekken.’

Zandbak

Op de vraag welke indruk Afghanistan op haar heeft achtergelaten, noemt Van Elp het woord ‘hoogspanning’. ‘Het is een plek waar je absoluut het beste in mensen kunt vinden. De meest dappere, moedige en liefdevolle kant. Maar je ziet ook de meest… ‘ – ze denkt even na – ‘aangedane kant van mensen. Niet slecht, dat bedoel ik niet. Wat het doet met mensen als je onder hoogspanning staat, dát vergeet ik niet zo snel. Je voelt daar heel erg dat de mooie kant uiteindelijk zal overwinnen, maar ook de verdrietige kant – wat er gebeurt als je niet de luxe hebt om na te denken over dingen waar je over na wil denken. Natuurlijk, als je daar als cynicus heen gaat, zul je alleen maar denken: ‘Wat een rotland, wat een puinzooi. Wat een zandbak’, zoals veel expats zeggen. Maar als je beter je best doet, een beetje rond gaat kijken en met mensen gaat praten, dan kun je niet om de mooie kant heen.’

Passer-by

‘Ook vriendschappen heb ik er absoluut opgebouwd. Toch zijn de vriendschappen daar ook oppervlakkiger, omdat tijd je altijd op de hielen zit. Niet oppervlakkig in het moment zelf, maar uiteindelijk ga je altijd weer weg. Ik zal daar niet mijn leven opbouwen, altijd met hen hun verjaardag vieren, belangrijke momenten delen. Uiteindelijk ben ik een passer-by, een voorbijganger. Niet iets wat zich kan ontwikkelen over tijd. Het drukte ook op me, elke keer als ik weer in het vliegtuig zat, dat ik bevoorrecht was en ik zelf kon beslissen wanneer ik kwam en ging. Heel veel mensen kunnen daar niet weg. Die kunnen geen visum krijgen, hun paspoort betekent niks. Ik heb heel vaak naar mijn paspoort gekeken en gedacht: wat een voorrecht, wat een treurig contrast.’

‘Er zijn veel universele waarheden tussen ons – we worden allemaal verliefd, kunnen allemaal genieten van mooie muziek – maar je kunt niet ontkennen dat onze levens niet hetzelfde zijn. Die willekeur, dat is pijnlijk.’ Hoe ga je daarmee om? Nadenkend staart ze uit het raam en frutselt aan een haarelastiekje. ‘Dat weet ik eigenlijk niet, hoe je daarmee omgaat. Niet door het te negeren, in elk geval. Niet door te doen alsof je hetzelfde bent.’

Is het wel gelukt om die grote kloof te overbruggen? ‘Ik heb het gevoel dat ik écht contact heb kunnen leggen. Verhalen van Rumi Remedy heb ik daardoor kunnen verzamelen – dat is ook een testament aan de intimiteit van zulke verhalen. Is dat een teken dat de kloof overbrugd is? Ik weet het niet.’

De Masnavi

Rumi toont niet alleen gelijkenissen, maar legt ook verschillen bloot. ‘Een tijdje verzamelde ik citaten van Rumi die ik op de Nederlandse Facebook tegenkwam – een heel bekende is bijvoorbeeld ‘What you seek, is seeking you.’ In Nederland dacht men: ‘Ik moet me geen zorgen maken over de juiste baan en man, want wat ik zoek, zoekt mij.’ Toen ik dat aan Afghaanse mensen vertelden, lagen ze in een scheur. Niet op een afkeurende manier – dat heb ik alleen soefi’s die ik hier ken zien doen. Ze maken je niet belachelijk. Als iemand in Nederland dat erin wil zien, is dat hilarisch, maar iedereen moet erin zien wat ze zelf willen en dat is mooi.’

‘Maar in ‘What you seek, is seeking you‘ zien jongeren in Afghanistan een oproep om verantwoordelijkheid te nemen, een thema dat zij heel interessant vinden. Soefi’s geloven dat je Rumi op allerlei verschillende niveaus kan lezen – ook als grapje of voor het slapengaan. Maar je kunt ook nog al die andere lagen doorgaan – er zijn mensen afgestudeerd op de eerste twee regels van Rumi’s meesterwerk, de Masnavi. Rumi’s remedie houdt in dat de woorden van Rumi een houvast kunnen zijn in de alledaagse wereld. Voor de ouderen is Rumi vooral een religieuze tekst, maar voor de jongeren gaat het over alledag. Over verliefd zijn en je eenzaam voelen – de aardse liefde en onzekerheden.’

Uniek

‘Rumi is uniek op verschillende manieren. Het is een extreem vrijzinnige tekst, gaat over lust en vrouwen, vrijheid. Maar in Afghanistan wordt het ook door conservatieven en je ouders gelezen. Amerikaanse boeken worden door sommige mensen met argwaan bekeken, maar Rumi is van hun: het is hun taal, hij is geboren in hun stad. Er is niets anders wat zo inspeelt op de situatie van jongeren in Afghanistan.’

‘Waarom Rumi ook in het Westen zo geliefd is, waar hij geen deel is van de traditie, weet ik niet precies. Hij is daar ook gestript van zijn religieuze context. Als er een zoekende generatie is in Europa en Amerika – alles kan, maar waar ga ik naartoe? – dan is Rumi iemand die je rustig kan maken. Heel veel van zijn stukken gaan over vertrouwen op jezelf. Als self-love het verhaal is van onze generatie, past Rumi daar heel goed bij.’

‘De magie van Rumi schuilt in het feit dat het verhaaltjes zijn, opgeschreven voor Jan en alleman. Ik denk dat bijvoorbeeld Boeddha en de Bijbel wat meer interpretatie of geloofsovertuiging vergen om je daarin thuis te voelen. Maar iedereen kan Rumi lezen en roepen ‘dat gaat over mijn leven!’’

Rumi als een machtswellusteling

Het derde hoofdstuk van Rumi Remedy gaat over Turkse jongeren die zich afkeren van Rumi. Ze ontmoeten professor Bayram, die de donkere kanten van Rumi benadrukt. ‘De bottom line van Bayram: Rumi was een machtswellustig persoon die geweld gebruikte voor zijn eigen gewin. ‘Maar maak je geen illusies’, meent Bayram, ‘zo ging dat nu eenmaal in de dertiende eeuw.’’

Van Elp: ‘Ik heb niet het idee dat ze bewust de donkere kant van Rumi opzoeken, maar wel naar een manier om de huidige gebeurtenissen in Turkije te begrijpen. Niet Rumi, maar de manier waarop Rumi nu wordt gebruikt, hoort volgens hen bij dat verhaal. Ze kennen Rumi vooral als extreem toeristisch en dus leeg en oppervlakkig – of als een politiek instrument. Die jongeren wijzen ook op hoe wíj het beeld van Rumi hebben geschapen dat we zelf willen – een geweldloze, liefhebbende man. Maar in zijn leven deed hij dingen waarvan we nu zouden zeggen dat het niet liefdevol is. Professor Bayram zegt niet dat dat persé erg is. Nogal wiedes, want dat was acht eeuwen geleden.’

Ook Van Elp ziet daarin niet een reden om Rumi minder te loven. ‘Misschien is het ontnuchterend, of zoiets. Het doet helemaal geen afbreuk aan hem. Ik denk dat dat het grapje van Rumi is: je hebt de ene versie van het verhaal en de andere – en nu is het aan jou.’ Het vierde hoofdstuk gaat voor mij hand in hand ermee; in het derde gaat het over jongeren die gedesillusioneerd raken. In de vierde over jongeren die dat ook raken, maar dan niet verbitterd achterblijven – ze vinden het helemaal niet prettig, maar gaan er vervolgens hun eigen Rumi van maken.’

Ook voor Van Elp is het hoofdstuk-Rumi niet afgelopen. Na publicatie van Rumi Remedy hoopt ze dat de filosoof nog even in haar leven blijft. ‘Het levert altijd mooie gesprekken op.’ Ook met de vredesverhalen gaat ze door: in haar nieuwe werk helpt Van Elp benadeelde jongeren in detentie om hun eigen verhaal te vinden en hun dossier te verrijken, los van hun delicten. ‘Ik ben nu bezig met filosofielessen en ben op zoek naar denkers. Er zijn daar veel jongeren die bezig zijn met de Koran en het zou heel mooi zijn om met hen over Rumi te praten – want Rumi is uiteindelijk een uitleg van de Koran.

‘Ondanks alles ben ik gelukkig’

0
‘Het lijkt ver van je bed. Je hebt een prima inkomen, een huis en een auto, jou kan niets gebeuren.’

Mensen die in de schuldhulpverlening terechtkomen – het gebeurt in Nederland steeds meer. Door de crisis verloren mensen hun baan, werd hun huis onverkoopbaar en daalde de waarde van dehuizen enorm. Torenhoge lasten konden niet meer betaald worden en de schuldhulpverlening was de enige oplossing. Het zijn niet meer de mensen met een gat in hun hand of de big spenders die in de problemen komen.

Ver van je bed

‘Veel mensen denken dat het hen niet kan overkomen’, vertelt Sevinch Chapkanova (34), een van oorsprong Bulgaarse vrouw die zeven jaar geleden in Nederland kwam wonen. ‘Het lijkt ver van je bed. Je hebt een prima inkomen, een huis en een auto, jou kan niets gebeuren. Maar uit de praktijk blijkt wel anders.’ Chapkanova is als hulpverleenster betrokken bij veel Bulgaren in Utrecht die de weg naar de scholen, dokters en hulpverlening niet kunnen vinden. ‘Je wilt wel belasting betalen, maar als niemand je vertelt hoe, wat kun je dan doen? Ik krijg met veel mensen te maken die van het kastje naar de muur gestuurd worden, maar vervolgens wel brieven van de belastingdienst krijgen die ze niet kunnen lezen. Het begint vaak met iets wat nog wel behapbaar is, zoals het terugbetalen van het kindgebonden budget, maar dat kan snel oplopen met boetes en toeslagen.’

Geen rekeningen meer kunnen betalen

Strahimir (44) vestigde zich in Nederland toen Bulgarije zich aansloot bij de EU. ‘Omdat ik geen werk kon vinden, startte ik mijn eigen bedrijf in klussen en schoonmaken. Ik had toen echt helemaal niets. Tussen het afval vond ik een fiets die ik opknapte zodat ik naar mijn klanten kon fietsen. Mijn bedrijf werd al snel succesvol, ik kreeg steeds meer klanten en verdiende meer geld, waardoor ik een tweedehands auto kon kopen. Dat was ook nodig, want ik kreeg steeds meer klanten die verder weg zaten. Drie jaar lang had ik het prima voor elkaar. Ik verdiende genoeg om mijn familie te onderhouden en ik betaalde belasting. Alles ging goed, tot de crisis toesloeg. Veel klanten wilden niet meer met mij werken, in de media was gesuggereerd dat Bulgaren crimineel zijn, wat helemaal niet klopt. Mijn inkomen kelderde enorm, waardoor ik mijn rekeningen niet meer kon betalen. De belastingdienst ging er nog steeds van uit dat ik tachtigduizend euro per jaar verdiende, wat ik in de goede jaren deed. Daar bleven de aanslagen op gebaseerd. Ik vroeg hulp via de buurthulp en de gemeente, maar niemand kon mij helpen. Bij de buurthulp wisten ze ook niet hoe de belasting werkt.’

Taalproblemen

Chapkanova: ‘Het probleem voor veel nieuwe Nederlanders is dat ze in een land komen dat ze niet kennen. Er zijn hier heel andere gewoontes en andere regelingen. Veel ouders gaan niet met hun kinderen naar de tandarts, omdat ze denken dat ze daarvoor moeten betalen. Soms krijgen ze hulp van mensen uit Turkije, omdat ze die taal enigszins kennen, maar die maken daar weer misbruik van. Het wordt een grote kluwen en pas als het zo erg ingewikkeld is, komen ze bij mij. De stress is voor deze mensen zo hoog dat ze er ziek van worden. Strahimir kende bijvoorbeeld best goed Nederlands, maar door alle stress is hij dat weer verleerd. Hij zou heel graag zijn bedrijf weer willen opzetten, maar voorlopig zit hij in de schuldhulpverlening en krijgt hij medicijnen tegen de stress. Hij heeft veertig euro per week om van te eten en te leven met zijn gezin.’

Opgepakt op Schiphol

Mirta (45) had flinke schulden in Nederland opgebouwd in de periode dat ze hier eerder woonde. ‘Toen ik terugkwam vanuit Sint-Maarten werd ik op Schiphol al opgepakt. De belastingdienst wilde geld van mij en ook mijn ex had van alles op mijn naam laten zetten toen ik niet meer in Nederland was. Ik kon niet bewijzen dat het niet mijn schulden waren, dus werden ze op mij verhaald. Omdat ik mijn vier kinderen bij me had, liet de douane me toch vrij. Iemand moest toch voor die kinderen zorgen? Ik kon eventjes bij familie terecht, maar dat was maar voor korte duur. Toen we op straat terechtkwamen, bracht een volledig onbekende vrouw ons naar de crisisopvang. Bij Centraal Onthaal (een organisatie die daklozen opvangt, red.) kregen we drie kamers, eentje voor mij, eentje voor mijn zonen en eentje voor mijn dochters. We deelden de keuken en sanitair met nog vier andere gezinnen. Daar woonden we anderhalf jaar en kreeg ik hulp om alles op een rijtje te zetten. Deze organisatie hielp me om in de schuldhulpverlening te komen, waarna we een eigen flat toegewezen kregen. Wat een zegen is een eigen huis dan, ik was de koning te rijk! We moeten nu van tachtig euro per week rondkomen. Mijn oudste zoon heeft werk, hij woont op zichzelf, maar mijn dochters van zeventien en negentien zijn beide zwanger. We moeten maar zien hoe we dat redden. Ik heb ook twee andere kinderen in huis genomen van moeders die zelf niet voor ze konden zorgen. Zij zijn als baby’s bij mij gekomen. Gelukkig krijg ik eten van de voedselbank en die geven ook een cadeautje wanneer een klein kind jarig is, voor de rest vier ik geen verjaardagen of Sinterklaas of kerst. Ik ben heel blij dat ik over een paar jaar van al die schulden verlost ben!’

Enorme stress

Voor mensen met problematische schulden loopt de stress hoog op. Zij kunnen nergens anders meer aan denken dan aan welke rekening nu weer binnenkomt, of er een deurwaarder voor de deur zal staan en of ze deze maand rekeningen betalen of geld voor boodschappen van hun bank halen. Dat is de realiteit voor deze mensen, dat is waar hun leven om draait. Zorg voor hun kinderen schiet er vaak bij in. Ze krijgen eten en gaan naar school, maar meer kunnen die ouders niet doen. ‘Klopt’, zegt Chapkanova, ‘hierdoor is het extra moeilijk voor hen en de kinderen om te integreren. In alle moeilijkheden zoeken ze naar makkelijke oplossingen, bijvoorbeeld in het vinden van vrienden. Dan komen ze toch in hun eigen cirkeltje terecht en trekken ze naar mensen die uit hetzelfde land afkomstig zijn. Dat bevordert de inburgering en de acclimatisering zeker niet, het brengt ze eerder verder ervan af. Dat willen ze ook niet, maar zo gaat dat. Voor mensen uit Bulgarije zou het erg helpen als er brochures en informatie in hun eigen taal beschikbaar komt, net als dat voor Turken en Polen er wel is. Het is al moeilijk genoeg om in een nieuw land te wennen; ze willen graag de gewoontes leren kennen en overnemen, maar dan moeten ze wel weten wat die zijn. Kinderen gaan hier gewoonlijk tussen zeven uur en half acht naar bed. In Bulgarije is dat na acht uur. Dat is een gewoonte die je over kunt nemen als je ervan weet.’

Wel Turks en Perzisch

Chapkanova helpt gezinnen waar ze maar kan. ‘Ik ben vierentwintig uur bereikbaar’, zegt ze.  ‘Niet omdat dat zo leuk is, maar wat moet een vrouw die een baby gaat krijgen en de Nederlandse taal niet spreekt? Dan ga ik mee naar het ziekenhuis om te helpen. Deze mensen willen wel Nederlands leren, maar het wordt ze vrij moeilijk gemaakt. Je moet beginnen met hun eigen taal en niet verwachten dat ze meteen helemaal geïntegreerd zijn en dat alleen het aanbieden van de Nederlandse taal helpt. Voor de grotere groepen immigranten, zoals uit Turkije, Iran en Irak, zijn er wel folders in hun taal. Perzisch is wel beschikbaar, maar voor Bulgaren is er helemaal niets.’ Dat geldt ongetwijfeld voor meer immigranten uit kleine landen.

Een euro per dag voor drie maaltijden

Voor de Australische Tracey (44) is het nog net niet zover dat ze in de schuldhulpverlening terecht is gekomen, maar met diverse keren warm eten voor haar kinderen en brood voor haar en haar man, komen ze eigenlijk te kort. ‘Ik heb per dag één euro voor de drie maaltijden. Dat betekent dat ik heel creatief moet omgaan met ons geld en onze behoeftes. Mijn buurman heeft konijnen die hij brood voert. Hij vertelde me dat hij iedere week brood haalt bij de bakker voor drie euro per zak. Dat is brood dat over is gebleven en dat hij niet meer kan verkopen, maar nog prima te eten is. Het mag niet voor menselijk gebruik worden verkocht, dus heb ik gevraagd of ik ook oud brood mocht voor onze konijnen. Die hebben we niet, maar we willen die bakker ook niet in de problemen brengen. De ellende begon voor ons toen het huis van mijn partner te klein bleek voor onze kinderen en we een ander huis kochten, een opknapper, dat zouden we doen van de overwaarde van het eerste huis. Dat was aan het begin van de crisis en het oude huis van mijn partner bleek opeens onverkoopbaar. We zaten acht maanden lang met dubbele lasten. Overwaarde van het huis was er niet en nu zitten we in een huis zonder cv en zonder boiler, maar we hebben warm water in de keuken. Met een slangetje hebben we dat naar de bijkeuken geleid waardoor we daar kunnen douchen. Onze verwarming is een houtkachel. De ex van mijn man besloot hem ook nog de voogdij af te willen nemen, ze wilde ook meer geld per maand en daardoor liepen de advocaatkosten op tot vijfenzeventigduizend euro. Mijn man werkt in ploegendienst en hij verdient net te veel voor allerlei toeslagen. Ik probeer ook te werken, maar als kind ben ik vertrapt door paarden, waardoor ik blijvend last heb van mijn rug. Ik brak bijna al mijn botten bij dit ongeluk en ik lag negen maanden in het ziekenhuis. Ik kan nu wel als postbode werken, maar dat betekent dat ik iedere dag vijftien kilometer moet fietsen om de post te halen en dat is gewoon niet te doen voor mij. Ik blijf om me heen kijken naar mogelijkheden. Mijn man werkt zo veel mogelijk over en we zijn bijna klaar met het afbetalen van de advocaatkosten. Ondanks dat alles kan ik volmondig zeggen dat ik gelukkig ben. Ik word iedere morgen wakker en daar ben ik heel erg blij om. Er zijn genoeg mensen die nooit meer wakker worden. Ik heb veel stress en pijn gehad vanwege al het gedoe, maar dat heb ik losgelaten. Er zijn nog veel meer dingen om over in de stress te zitten, maar ik kies ervoor om het los te laten. Ik leef en daar ben ik dankbaar voor.’

Trots

‘Het is een flinke stap voor mensen om in de schuldhulpverlening te gaan’, vertelt Chapkanova. ‘Vanaf dat moment ben je alle zeggenschap over je geld kwijt. Er worden regelingen getroffen buiten jou om en je krijgt een wekelijks budget van vijfentwintig tot veertig euro, afhankelijk van of je alleenstaand bent of een gezin. Je huur en alles wordt voor je betaald, je kunt niet meer bij je eigen rekening. Vaak komt er een bewindvoerder die jouw rekening beheert. Er wordt eigenlijk gezegd ‘Jij kunt het niet, dus doen wij het voor jou’. Dat is voor veel mensen een erg bittere pil. En daar zit trots ook nog een keer in de weg. Je wilt het zelf doen, zelf oplossen, maar soms kan dat gewoon niet meer. Mensen weten vaak ook niet dat ze regelingen kunnen treffen met hun schuldeisers. Of er komen ‘bemiddelaars’ om hen te helpen, maar die hebben daar alleen zelf voordeel bij. Ze zeggen: ‘Ik wil tienduizend euro en dan los ik jouw problemen op’. Dat betekent nog een extra schuld erbij en die hulp is doorgaans van de wal in de sloot. Dan worden er toeslagen aangevraagd waar iemand geen recht op heeft. Die toeslagen gaan dan naar een andere rekening, waardoor er fraude wordt gepleegd. De belastingdienst kijkt er niet naar of er wel eerlijk met mensen omgesprongen wordt. Dat is een groot probleem. Veel Bulgaren kennen een beetje Turks, dus die vragen iemand uit Turkije eerder om hulp. Als diegene niet eerlijk is, dan groeit het probleem.’

Vijfentwintig tot veertig euro per week

Voor wie in de schuldhulpverlening terechtkomt, is het drie tot vijf jaar lang op een houtje bijten. De casemanager maakt afspraken met alle schuldeisers voor afbetalingsregelingen. De persoon zelf moet zo veel mogelijk werken om inkomsten te hebben waarmee de schulden worden afbetaald. Je werkt dus voor je schulden. Hoeveel inkomsten je hebt, maakt niet uit. Je krijgt altijd vijfentwintig tot veertig euro per week. Het voordeel is dat je na die drie tot vijf jaar van je schulden af bent. Chapkanova: ‘Schuldeisers moeten hiermee akkoord gaan, dat wordt desnoods via de rechtbank afgedwongen. Gemeentes regelen dit, maar ook dat weet niet iedereen en de malafide schuldhulpverleners maken daar gebruik van. Uiteindelijk is iedereen een verliezer in schuldhulpverleningszaken. De schuldeisers krijgen maar een fractie van de schuld terug, de schuldenaar komt in een traject waardoor hij zijn eigenwaarde compleet kan verliezen en de gemeentes zitten met een hoop problemen die ze moeten uitzoeken. Daarbij wint niemand. En voor de persoon zelf is het een heel moeilijke periode, maar als het afgelopen is, wordt hij weer helemaal zelf verantwoordelijk voor alle betalingen. Of dat een goed idee is, is nog maar de vraag. Van de ene op de andere dag heb je dan weer beschikking over je salaris en hoef je niets meer af te betalen.’

Nederlandse Koerden teleurgesteld in Nederland

0
‘Iedereen, ongeacht wat hij of zij heeft gedaan, heeft in de gevangenis recht op bezoek. Dat is een mensenrecht.’

Vorige week zijn de Koerdische activisten Hasbi Cakici en Hüseyin Yildiz in hongerstaking gegaan, om op deze manier het Turkse regime te dwingen een einde te maken aan de isolatie van Abdullah Öcalan. Sinds 1999 is de zeventigjarige PKK-leider opgesloten op het gevangeniseiland Imrali in de Zee van Marmara. Hij zit daar een levenslange gevangenisstraf uit en heeft nauwelijks contact met de buitenwereld. Cakici en Yildiz volgen met hun rigoureuze daad het voorbeeld van HDP-parlementariër Leyla Güven. Zij is al meer dan tachtig dagen in hongerstaking voor Öcalan en haar leven loopt nu ernstig gevaar. De Kanttekening voerde in het Democratisch Volkscentrum Koerden in Den Haag een kritisch gesprek met Cakici en Yildiz. Waarom zetten ze hun leven op het spel? En wat vinden hun familieleden van het feit dat ze in hongerstaking zijn gegaan?

‘Turkije zag mij als een PKK’er en een terrorist’

Hasbi Cakici woont sinds 1991 in Nederland. Hij vluchtte naar ons land, omdat hij als Koerdische activist geen leven meer had in Turkije. Hij is geen lid van de PKK, de Koerdische guerrillabeweging die op de terreurlijst staat van Turkije, de EU en de Verenigde Staten. Wel is Cakici actief voor de HDP (Volkspartij voor Democratie). Hij vertelt dat hij in Turkije toentertijd ook in hongerstaking is gegaan, toen hij in Diyarbakir in de cel zat. ‘In 1979 werd ik voor het eerst in de gevangenis opgesloten. Ik was toen achttien en studeerde bouwkunde aan de universiteit. Drie jaar heb ik in de gevangenis gezeten en later ben ik weer achter de tralies beland.’

Over de precieze details van zijn verblijf in de gevangenis wil Cakici niet al te veel kwijt, omdat er hele heftige dingen gebeurd zijn. ‘Ja, ik ben gemarteld. Er werden heel veel mensen gemarteld. Zo moesten mensen hun eigen poep eten. Vrouwen werden mishandeld met honden.’ En van eenzame opsluiting weet Cakici uit eigen ervaring ook alles. Hierom en vanwege het lot van zijn medegevangenen is Cakici toen in hongerstaking gegaan.

Omdat hij in de gevangenis had gezeten, was er voor Cakici geen toekomst meer in Turkije. ‘Ik kon kiezen, de bergen in en voor de PKK gaan vechten, of vluchten. Ik koos ervoor om te vluchten. Turkije zag mij sowieso als een PKK’er en een terrorist. Iedereen die voor de rechten van de Koerden opkomt is dat namelijk, ook al ben je niet actief voor de PKK. Ik kon in Turkije geen baan meer krijgen. Mensen roddelden achter je rug om. En sowieso zien Koerden er anders uit dan Turken, waardoor je vaak wordt gediscrimineerd.’

Maar waarom is Cakici nu weer in hongerstaking gegaan, terwijl hij zoveel heeft meegemaakt? Heeft hij de lust voor het leven verloren? ‘Niemand wil dood. Ik ook niet, maar al onze mensen zitten in de gevangenis. Ze mogen geen bezoek ontvangen en worden geïsoleerd. Natuurlijk wil ik ook echt dat Turkije weer een democratie wordt en dat mensen in vriendschap met elkaar kunnen samenleven. Daar strijd ik voor. Leyla Güven is nu meer dan tachtig dagen in hongerstaking. Ze stopt hier niet mee en zal tot het einde doorgaan. We verwachten eigenlijk elk moment het bericht van Güvens overlijden. Ik ben solidair met haar en ben bereid hetzelfde te doen. Of Öcalans isolatie wordt doorbroken. Of ik sterf.’

Cakici benadrukt de doorgaande lijn tussen het Turkije van toen en het Turkije van Erdogan. ‘Dat mensen worden opgepakt en in de gevangenis gegooid, lijkt een ontwikkeling van de laatste jaren, maar dat is niet zo. In de jaren zeventig en tachtig werden de Koerden eveneens verschrikkelijk onderdrukt. Turkije was toen een seculiere, nationalistische dictatuur. Ook toen konden we als Koerden niet onszelf zijn. Tussen de dictatuur van toen en Erdogans dictatuur bestaat veel continuïteit. Het enige verschil is dat Erdogan de islam en de herinnering aan het Ottomaanse verleden gebruikt om zijn regime te verdedigen.’

‘Alleen mijn vader en oom hebben de genocide overleefd’

Hoewel het levensverhaal van Hüseyin Yildiz natuurlijk anders is, zijn er veel overeenkomsten met het verhaal van Cakici. Ook Yildiz is naar Nederland gevlucht, heeft in Turkije in de gevangenis gezeten en is slachtoffer geweest van martelingen. Zijn vlucht naar Nederland in 1995 ging eigenlijk best gemakkelijk, analyseert Yildiz achteraf. ‘Ik heb een visum aangevraagd, wat zonder problemen ging, en heb toen het vliegtuig naar Nederland gepakt en asiel aangevraagd.’

Was Yildiz wel actief voor de PKK? ‘Ik steun inderdaad de PKK, maar ik heb geen organisatorisch contact. Ook toen niet toen trouwens. In de jaren zeventig, toen ik studeerde, kwam ik in aanraking met linkse politieke ideeën. Hierdoor werd ik begeesterd en politiek actief. Ik verzet mij sinds die tijd tegen het kemalistische (seculier-nationalistische) regime en de onderdrukking van de Koerden. Na mijn studie werd ik leraar biologie. Samen met een enkele andere docenten heb ik toen een docentenvakbond opgericht. Hierom en vanwege mijn linkse politieke inzichten heeft de Turkse staat mij opgepakt, in de gevangenis gegooid en gemarteld.’

Yildiz vertelt dat hij uit Dersim afkomstig is, de Koerdische naam voor de oostelijke Turkse provincie Tunceli. ‘Dersim is vooral bekend, liever gezegd berucht, vanwege de massamoord op de Koerden in 1937-1938, waarbij de Turkse luchtmacht vermoedelijk gifgas heeft gebruikt. Er zijn zeventigduizend Koerdische burgers vermoord tijdens deze slachting, waaronder veertig van mijn familieleden. Alleen mijn vader en mijn oom hebben de genocide overleefd.’ Die persoonlijke geschiedenis is de reden dat Yildiz de Koerdische zaak zo hartstochtelijk ondersteunt en motiveert hem nu om in hongerstaking te gaan. Maar vindt Yildiz het dan niet heftig om zijn leven in de waagstel te stellen, terwijl het nog maar zeer de vraag is of Turkije toegeeft en aan Öcalans isolement een einde maakt? ‘Ik kan mij voorstellen dat westerse mensen hier moeite mee hebben. Maar er moet iets gebeuren. We moeten laten zien dat het menens is. Ik ga door met mijn hongerstaking totdat Öcalan weer toegang krijgt tot zijn advocaten.’

‘Ze is heel bang dat ik doodga’

Hoe reageerden hun families op de hongerstaking van Cakici en Yildiz? Cakici is al geruime tijd weduwnaar en hoefde zijn vrouw dus niet om toestemming te vragen om in hongerstaking te gaan. Tegen zijn enige zoon, die vierentwintig is, heeft Cakici echter niets gezegd. ‘Al anderhalf jaar hebben mijn zoon en ik nauwelijks contact met elkaar. Dat is mijn schuld. Ik heb hem niet verteld over mijn hongerstaking, laat staan dat ik hem heb gevraagd of hij hiermee akkoord kon gaan. Hij weet inmiddels wel dat ik in hongerstaking ben gegaan voor Öcalan en Güven. Natuurlijk is hij het niet met mij eens. Maar hij weet dat ik vierentwintig uur per dag, zeven dagen in de week in de weer ben voor de Koerdische zaak.’

Gaat Hasbi Cakici zijn zoon straks nog wel contacteren, helemaal omdat hij met deze hongerstaking zijn leven in de waag stelt en dit mogelijk niet gaat overleven? Cakici reageert terughoudend op deze persoonlijke vraag: ‘Mijn zoon woont te ver weg. Ik wil hem bovendien hiermee niet belasten. Binnenkort is hij jarig, ik kan niet op de verjaardag van mijn zoon komen.’ Toch wil Cakici de moed niet opgeven: ‘Ik hoop echt dat Turkije een einde maakt aan de isolatie van Öcalan. Dan ga ik echt een heel mooi feest geven.’

Yildiz vertelt dat zijn familie geschokt reageerde: ‘Mijn kinderen schrokken zich dood. Ik heb er drie, ze zijn goed geïntegreerd en hebben allemaal een universitaire opleiding gedaan. Mijn oudste studeerde bestuurskunde, de middelste economie en de jongste is nu in het derde jaar van de rechtenstudie. Ze snappen wel wat ik doe, maar vinden het echt heel moeilijk. Ze zijn ook wel betrokken bij de Koerdische zaak en respecteren het als iemand anders in hongerstaking gaat, maar nu hun eigen vader het doet, zijn ze in shock. Het was echt heftig, ze huilden en probeerden mij te overtuigen dat ik het niet moest doen.’ Maar waarom is Yildiz dan toch in hongerstaking gegaan? ‘Ik luisterde naar mijn hart, ik moest een bijdrage leveren.’ En de vrouw van Yildiz? ‘Zij vond het ook heel erg moeilijk. Ze is heel bang dat ik doodga, maar ze respecteerde mijn keuze uiteindelijk wel.’

‘Het gaat jullie ook aan’

De actie van Cakici en Yildiz krijgt in de Koerdische media veel aandacht. Cakici vertelt dat Yeni Özgür Politika, ANF News en Arti TV uitgebreid over hun hongerstaking hebben bericht. Nederlandse media blijven echter achter. Yildiz: ‘Die westerse afzijdigheid is niet goed. Het gaat jullie ook aan. Ik hoop dat onze actie jullie zal wakker schudden.’ Cakici en Yildiz houden geen blog of vlog bij om over hun hongerstaking te berichten. ‘Nee, ik leef naturel, het is mij niet om mijzelf te doen’, stelt Yildiz.

Een Koerdische activiste, die het interview met Cakici en Yildiz heeft gevolgd, breekt in het gesprek in en vertelt dat ze radicaler is geworden. ‘Den Haag, waar wij nu zijn, noemt zichzelf de stad van vrede en recht. Maar waarom wordt de Koerden nu geen recht gedaan?’ Cakici beaamt dit. Hij begrijpt het handelen van Erdogan. ‘Hij wil gewoon de oppositie kapotmaken. Koerden, gülenisten, linkse en seculiere Turken, anderen.’ Maar de handelswijze van Nederland vindt Cakici onbegrijpelijk. ‘Ik snap Nederland echt niet, dat ons parlement en onze regering niet solidair willen zijn met Leyla Güven. En wat Öcalan betreft, je hoeft echt niet te vinden dat hij moet worden vrijgelaten. Dat vraagt Güven ook niet. Maar iedereen, ongeacht wat hij of zij heeft gedaan, heeft in de gevangenis recht op bezoek. Dat is een mensenrecht. Öcalan wordt al jarenlang dit recht ontzegd.’ Yildiz trekt een vergelijking tussen Öcalan en Nelson Mandela (1918-2013), de beroemde apartheidsactivist en latere president van Zuid-Afrika. ‘Mandela heeft zevenentwintig jaar gevangengezeten, maar dankzij internationale pressie is hij uiteindelijk vrijgelaten.’

Cakici vertelt dat Koerdische activisten soms radeloos worden, omdat Europa niets doet. ‘De EU heeft allemaal verklaringen getekend,  maar verzuimt het om voor onze mensenrechten op te komen. Op dit moment zijn meer dan vierhonderd gevangenen in hongerstaking, waaronder zesentachtig politici. Ze willen tot het einde gaan, maar geen enkel land spreekt Turkije aan op de mensenrechtenschendingen. Enkele Koerdische activisten waren op 13 januari dit jaar naar Straatsburg afgereisd. Ze wilden graag met de Europese Commissie spreken. Dit gesprek werd echter geweigerd, ook omdat er op dat moment een Turkse delegatie op bezoek was. Met leden van het Europees Parlement is gelukkig wel gesproken, maar de activisten waren de wanhoop nabij. Sommigen spraken erover zich van de brug te gooien, om op deze manier te laten zien dat het ons ernst is. Maar uiteindelijk hebben ze dit toch maar niet gedaan.’ Ook Nederland doet bijna niets: ‘We hebben vrijwel elke maand een brief aan de minister van Buitenlandse Zaken gestuurd. Slechts één keer kregen we antwoord, waarin de minister zei dat hij zich zorgen maakte. Hij deed echter geen enkele belofte. Ook de Nederlandse media berichten helaas nauwelijks over ons.’

En Amnesty International dan? Doen zij wel iets? Yildiz antwoordt dat dit helaas tegenvalt. ‘Natuurlijk worden er allemaal rapporten over de mensenrechtensituatie in Turkije geschreven door Amnesty International, ook over de situatie van de Koerdische activisten. Maar Amnesty Nederland, waar we ook morele steun van verwachten, heeft nog niets voor ons gedaan.’

Verdienen wat je krijgt

0

Er is een opmerkelijke trend gaande wat betreft de spreekbeurten in mijn klas. Ging het eerst meestal over onschuldige onderwerpen – het land waar een leerling zijn roots heeft, lievelingsdieren, hobby’s of andere bezigheden –, sinds een tijdje worden de onderwerpen steeds zwaarder. In de klas met leerlingen die voor Zorg & Welzijn gekozen hebben (zeventien meisjes, één jongen), passeren achter elkaar de meest tranentrekkende verhalen. Vorige maand schreef ik al over de spreekbeurt van een Syrisch meisje, een hartverscheurend relaas. Deze week was het ook weer ellende troef. Leerling vertelde over haar moeder die de eerste drie kinderen had moeten afstaan. Ze was pas veertien toen ze voor het eerst zwanger was. Mijn leerling was nummer vijf en woont inmiddels bij een tante. Maar dat was niet zonder slag of stoot gegaan, afijn, het was een lang verhaal en er viel weer menig traan.

Naar aanleiding van het verhaal van mijn leerling kregen we het over veilige seks, tienermoeders en het effect van een scheiding op kinderen. Dat er een effect bestaat, was uit de spreekbeurt wel duidelijk geworden. En kennelijk verbonden de kinderen er ook conclusies aan: ‘Als je seks wilt met een jongen,’ zei een leerling, ‘dan moet je het wel echt willen, want anders is het voor een kind ook niet leuk.’ Als dat de les is die eruit geleerd wordt, dan kan een spreekbeurt mij niet treurig genoeg zijn.

Een ander belangrijk leermoment is de verplichte stage in januari. Een week lang lopen en werken mijn leerlingen mee bij een bedrijf of organisatie. Soms vinden ze zelf een plek, vaak bij een kennis of vrienden van de ouders. Zo liepen Najib en Soufyan stage in een viswinkel ergens in Oost. Geen Volendamse sferen, dat was me snel duidelijk toen Najib vertelde wat voor zaak het was. ‘Juf, beter dan een Nederlandse visboer,’ zei hij trots. ‘Racist,’ zei ik. Wij lachen.

Van Dewi kreeg ik de derde dag een appje: ‘Juf Coenen, ik heb een probleem bij mijn stage. Ik vind de plek echt helemaal niet fijn en de sfeer ook niet. Ik probeer het steeds vol te houden, maar het lukt me echt niet meer. Heeft u een tip? Wat kan ik doen?’ Ik snapte er niks van. Mijn collega was langs geweest op stagebezoek en toen leek het allemaal goed te gaan. Dewi zat ergens in de buurt van Schiphol, bij een bedrijf van een vriend van haar vader. Ik belde haar op om te vragen wat er aan de hand was. ‘Juf, ik moet urenlang papier sorteren, ik heb allemaal sneetjes in mijn handen.’ Ah, dit klonk als een restbaantje – ingezet worden voor klusjes die niemand anders wil aanpakken. ‘Je mag gewoon zeggen dat vier dagen hetzelfde doen genoeg is en dat je de laatste dag ook andere dingen wilt doen’, instrueerde ik haar. ‘Maar ik snap het niet, meester Frans is toch langs geweest?’ Even was het stil. ‘Ja, maar ik durfde het niet te zeggen,’ zei ze. En mijn collega had zich niet gerealiseerd dat hij in aanwezigheid van de ‘baas’ geen eerlijk antwoord zou krijgen op de vraag: ‘Hoe gaat het hier?’ Want in aanwezigheid van de baas gaat alles natuurlijk goed. Althans bij de meeste kinderen.

Ook Osko had pech. Hij zou meelopen bij een reclamebureau, een heel klein bedrijf, maar dat had een prijs gewonnen en de eigenaar moest die in het buitenland ophalen. Dus de stage ging niet door. ‘Zoek maar wat anders,’ had ik gezegd. Maar dat had nog enige voeten in de aarde. ‘Heb je al wat?’ Drie ochtenden achter elkaar belde ik hem uit zijn bed en had-ie niks kunnen vinden. Dat schoot niet op.

‘En juf, ik ben zwaargewond,’ zei hij verontwaardigd de derde dag. Had een ongelukje met een snelkookpan gehad.  De verwondingen vielen echt niet in de categorie ernstig, dus de stage moest hoe dan ook gelopen worden. Uiteindelijk vond hij met veel moeite toch wat, ergens op een basisschool. ‘Volgende week ga ik beginnen,’ beloofde hij. ‘Volgende week? Maar dan hebben we toch gewoon school?’ zei ik. Ja, dat was ook de bedoeling. Het was heel slim bedacht, een soort spijbelen-voor-het-goeie-doel, maar zo werkt het niet. ‘Jij doet je stage in de vakantie,’ zei ik. ‘Geen discussie.’

Ik hoorde hem iets mompelen van ‘niet eerlijk’ en ik begreep wel waar het vandaan kwam. Bij een andere leerling was de stage ook niet doorgegaan, maar die leerling was hard op zoek gegaan naar iets anders en had meteen de volgende dag al een andere plek gevonden. Hem schonk ik die ene dag die hij niet gewerkt had; vier dagen stage was genoeg. Maar als je dat niet verdiend hebt, dan krijg je het niet.

Dat is dan ook weer zo’n goede les waar je later echt wat aan hebt.

‘De vrouw is altijd de muse, zelden de maker’

0
‘Ik hoop stiekem dat er een politicus komt kijken naar Thuis, Ontheemd #2 en nadenkt over hoe wij als land betere beslissingen kunnen nemen.’

Een ode aan de vrouw, dat is de eerste solovoorstelling Thuis, Ontheemd #2 van Rajae el-Mouhandiz (39). In het vervolg op Thuis, Ontheemd #1 vertelt de zangeres en theatermaakster haar onwaarschijnlijke levensverhaal – en daarmee ook die van de vrouwen die een grote rol in haar leven speelden.

Mouhandiz heeft een verrassend genuanceerde kijk op de wereld. Ze is nog een baby als de Marokkaans-Algerijnse Nederlandse vanuit Marokko naar Nederland komt en pas vijftien als ze besluit haar huis en haard te verlaten omdat ze anders moet stoppen met muziek. Toch neemt ze haar moeder niets kwalijk. Ze ziet haar als heldin, net als alle andere vrouwen die barrières doorbraken.

In Thuis, Ontheemd #1 onderzocht je wat thuis voor iemand betekent, in deel 2 onderzoek je het vrouw-zijn. Waarom?

‘Ik wilde kijken naar de ruimte die vrouwen innemen, de ruimte die ik mag innemen. Na mijn eerste voorstelling Thuis, Ontheemd #1 ben ik als vooronderzoek voor mijn tweede theatervoorstelling vijf maanden in Marokko gaan wonen. Ik ging op zoek naar mijn wortels, naar waar ik geboren ben. Daar ben ik zó tegen een muur aangelopen. In Marokko was ik vooral vrouw, niet mijn eigen ik. Een hotel boeken met mijn vriend kon niet, ik was namelijk niet getrouwd. Mijn oogkleppen vielen af, waardoor ik ook realiseerde hoe opgroeien in Marokko voor mijn moeder moet zijn geweest.’

Hoe zag je dat terug bij je moeder Habiba?

‘De rol van mijn moeder was zorgen en zwijgen. Zij cijferde zich weg voor haar man en later voor haar kinderen. Tegelijkertijd was mijn moeder voor haar doen erg feministisch en sterk. In 1982 scheidde ze van mijn vader, terwijl dat in Marokko pas sinds 2004 is toegestaan. Wat dat betreft was zij een rolmodel voor andere vrouwen. Als zij wilden scheiden van hun man, gingen zij naar mijn moeder voor advies.’

Naast je moeder vertel je ook het verhaal van je adoptie-oma Mia en je balletjuf Hennie.

‘Oma Mia gaf mijn moeder les in de Nederlandse taal. Mijn zus en ik adopteerden haar als oma. Zij leerde mij dat mijn tijd van mij kan zijn. Ze had een auto en ze was ooit apothekersassistente geweest. Ik idealiseerde haar vrijheid. Pas later kwam ik erachter dat zij moest stoppen met werken toen ze kinderen kreeg. Zo ging dat destijds in Nederland. Bij balletjuf Hennie zag ik dat je met kunst best geld kunt verdienen. Ballet en muziek waren voor mij de enige plekken waar ik vrijheid kon ervaren. Daar ging het niet over wij-zij, maar over mooi dansen en muziek maken. Mijn moeder kon balletles niet betalen en toen zei de balletjuf: ‘Kom toch maar, dat is goed voor je’.’

Als jong meisje maakte je een hoop mee. Je moeder en adoptie-oma speelden een grote rol in je leven, maar aan hun steun bleek een houdbaarheidsdatum te zitten. Je vertrok op je vijftiende, waarna je een andere naam kreeg en in verschillende pleeggezinnen en kindertehuizen belandde. Toch kies je ervoor om de positieve onderdelen te belichten. 

‘Elke generatie is vooruitstrevend en baanbrekend, maar niet persé voor de generatie na hen. Mijn moeder was op papier analfabeet, kindbruid, wees en moeder van vijf kinderen, maar aan de andere kant was ze voor haar tijd superfeministisch en stoer. Daarom was zij mijn voorbeeld. Dat geldt ook voor oma Mia. Iedereen deed maar wat hij of zij op dat moment kon. In Coming of age-verhalen leggen we vaak alleen de nadruk op drama, terwijl ik eeuwig dankbaar ben voor wat mijn moeder mij wél gegeven heeft. Dat is het voordeel van theater en film, daarin kun je veel meer complexe lagen toevoegen. Als ik mij alleen blind zou staren op de dingen die mis zijn gegaan, dan ontneem ik mij het verhaal dat mij gevormd heeft. Ik ben een product van deze vrouwen, daarom kan ik er niet over oordelen. Mijn ouders hebben mij qua opvoeding niet alles kunnen geven, maar ze hebben mij wel naar Nederland gehaald. Hier kwam ik terecht in een systeem waarin mijn eerste identiteit niet vrouw is, zoals in Marokko. Ik ben hier ten eerste een individu en ik mag zelf bepalen hoe ik dat invul. Natuurlijk zijn er in Nederland ook een hoop dingen waar ik kritiek op heb, maar als mens en als individu kan ik mij vrij bewegen. Daar ben ik mijn ouders heel dankbaar voor.’

Foto: Jean van Lingen

In Thuis, Ontheemd #2 gaat het niet alleen over vrouwen die dicht bij jou staan, maar ook over historische figuren. Welke vrouwen hebben de meeste indruk op jou gemaakt?

‘Ik haal zeventien vrouwen aan die een grote impact hebben gehad, bijvoorbeeld de Egyptische Mona Eltahawy. Zij is feministe, journaliste en activiste. Tijdens een protest in Caïro (2011, demonstranten eisten het aftreden van de regerende militairen, red.) werd zij opgepakt, mishandeld en misbruikt door de Egyptische politie. Gelukkig had ze haar mobiele telefoon mee en liet ze op Twitter weten dat ze vastzat. Via sociale media is destijds zoveel druk uitgeoefend dat ze weer vrij kwam. Dat was natuurlijk ontzettend goed nieuws, maar ze was wel hartstikke getraumatiseerd. Ik vind Eltahawy een heel belangrijk rolmodel, omdat wat er met haar gebeurd is haar vuur alleen maar verder heeft aangewakkerd. In de voorstelling haal ik ook Nederlandse vrouwen aan. Bijvoorbeeld Anna Maria van Schurman. Zij werd als eerste vrouwelijke student in Europa in 1636 toegelaten aan een universiteit in Utrecht. Ze moest de colleges alleen wel van achter een doek bijwonen, zodat ze mannen niet tot last zou zijn.’

Deze twee vrouwen zijn maar een kleine greep uit de vrouwen die je aanhaalt in Thuis, Ontheemd #2. Wat maakte dat je zoveel diverse verhalen wilde vertellen?

‘Ik vind het schandalig dat er vaak maar één verhaal over een groep wordt verteld. Al deze verhalen hebben mij gevormd. Dat is Thuis, Ontheemd #2 – een onderzoek dat begint bij mijn identiteit en uitkomt bij mijn eerdere vraag: wat is de ruimte die ik mag innemen? De wereld heeft daar op dit moment voor vrouwen nog niet echt een antwoord op.’

Had jouw leven en dat van andere vrouwen er anders uitgezien? Waren de verhalen in bijvoorbeeld de media meer divers geweest?

‘Dat denk ik wel. De manier waarop wij in de wereld verhalen vertellen is beperkt, waardoor er veel stereotypes bestaan. Ik kwam eens om half vier ‘s middags bij een theater aan om op te treden. De gastvrouw sprak mij aan en liet mij meteen zien waar ik de schoonmaakspullen kon vinden. Daar kwam ik natuurlijk helemaal niet voor. Maar die vrouw heeft in de media maar één verhaal gehoord. De licht getinte vrouw die om half vier via de artiesteningang binnenkomt, dat kan alleen de schoonmaakster zijn. Heel veel vrouwen maken dat soort dingen mee. Sommigen denken dat het alleen exclusief om hun groep gaat, dat is niet zo. Over het algemeen worden vrouwen erg onderschat. Als een ander verhaal constant was herhaald, over de islamitische of buitenlandse vrouw die superstoer is, had de gastvrouw van het theater mij dan niet als schoonmaakster gezien? En hoe had het leven van mijn moeder er dan uitgezien? Dan had ze wellicht hele andere keuzes gemaakt.’

Momenteel tour je met Thuis, Ontheemd #2 door Nederland. Hoe zijn de reacties van het publiek?

‘Wat ik vaak hoor is dat mijn voorstelling niet oordeelt. Ik spaar niemand, ook mezelf niet. Als het altijd aan ‘de ander’ ligt, neem je nooit je eigen verantwoordelijkheid. Ik hoop stiekem wel dat er een politicus komt kijken naar Thuis, Ontheemd #2 en nadenkt over hoe wij als land betere beslissingen kunnen nemen. Ik kan als artiest deze onderwerpen bezingen, maar een artistieke stem brengt geen écht grote veranderingen teweeg. Het liefst zou ik zeggen: ‘Beste minister-president, beste minister van Buitenlandse Zaken, denk goed na over uw vriendschappen en handelsverdragen.’ Ik vind het zo hypocriet dat zij een mening hebben over culturen, religies of vooruitstrevendheid, wanneer zij deze niet bevestigen in hun politiek. Ja, er zijn landen waar verschrikkelijke dingen gebeuren, maar wat gaan we eraan doen? Misschien moeten we handelsverdragen met verkeerde landen verbreken? Mijn stem wordt alleen concreter op het moment dat onze politici dat ook onderschrijven door politieke beslissingen te nemen.’

Voorafgaand aan de voorstelling deed je veel onderzoek naar de positie van vrouwen. Hoe belangrijk was het voor jou dat je jouw mening zou onderbouwen met cijfers?

‘Heel belangrijk. Samen met mijn team heb ik alles gefactcheckt. Anders wordt het een emotioneel relaas van een artiestje.’

En de cijfers liegen er niet om.

‘Zeker niet. Tijdens de voorstelling haal ik data aan waaruit blijkt dat twintig procent van alle muziek die wij horen op de Nederlandse radio gemaakt is door vrouwen. Het aantal vrouwelijke artiesten op Nederlandse popfestivals is achttien procent, op dancefestivals is dat maar tien procent. En dan heb ik het nog niet over de musea. Dat laat wel zien dat vrouwen te weinig de ruimte krijgen om hun verhalen zelf te vertellen.’

Zelf geef jij die ruimte aan vrouwen door in september als gastcurator van een tentoonstelling in het Stedelijk Museum Schiedam bijna alleen maar vrouwelijke kunstenaars uit te nodigen.

‘Daar heb ik heel veel zin in. De tentoonstelling gaat over een nieuw cultureel fenomeen dat helemaal omarmd wordt door fashion-weeks, grote internationale modehuizen en door religieuze en niet-religieuze vrouwen: Modest fashion. Dit is inmiddels een miljardenindustrie. Eindelijk wordt ook de gesluierde en bedekte vrouw omarmd als mainstream schoonheid, maar tegelijkertijd kun je je afvragen of het een goed idee is dat modesty (bescheidenheid, red.) ineens de norm wordt. Daar laat ik kunstenaressen vanuit de hele wereld op reageren.’

Tijdens je vooronderzoek naar de vrouw keek je ook naar vrouwen in de kunstwereld. Wat viel je op?

‘Dat de vrouw altijd de muse is en zelden de maker. Dat had ik echt niet verwacht, dat de vrouw ook in de westerse wereld de muse is die voornamelijk zorgt en zwijgt. Vandaar dat ik zo ondernemend ben als het gaat om ruimte opeisen voor vrouwen. Dat vind ik heel leuk, om te kijken naar hoe we de geschiedenis kunnen rechtzetten. Daarin voel ik een verantwoordelijkheid naar alle vrouwen toe. Dit kan je niet in politieke arena’s doen. Dat moet je doen op plekken waarbij je harten kunt raken.’

Speellijst: Almere (8 februari), Gorinchem (19 februari), Amsterdam (22 februari), Rotterdam (17 maart) en Gouda (26 april). Zie www.rajae.nl voor meer informatie over Rajae el-Mouhandiz.

Vertrouwen

0

Vorige week donderdag vond de afsluitende conferentie plaats van een onderzoeksproject dat ik de afgelopen jaren heb begeleid. Dat onderzoek heeft als titel Making Islam work in the Netherlands (vrij vertaald: ‘islam in de praktijk brengen’), de vraag dus op wat voor manieren islam wordt ingepast in het dagelijks leven en wie daarbij betrokken zijn.

Dat lijkt misschien een weinig opzienbarend onderwerp, maar opmerkelijk genoeg is dat weinig onderzocht. Veel onderzoek gaat aan de ene kant over de vraag hoe individuele moslims met eisen vanuit de samenleving en vanuit hun geloof omgaan. Aan de andere kant gaat het over ‘macro-vraagstukken’ zoals de ontwikkeling van religieuze accommodatie, de juridische status van de islam, de opleiding van imams, religieus-ideologische verschillen, of de participatie van moslimvertegenwoordigers in overlegsituaties. Of het gaat natuurlijk om zaken waar veel politici, beleidsmakers en burgers van wakker liggen: radicalisering en geweld. Veel van dat onderzoek gaat dus vaak over de vraag hoe we de samenleving inrichten, waarbij de islam als een soort onveranderlijk gegeven wordt voorgesteld. Met ons onderzoek wilden we laten zien dat er van alles gebeurt wat niet direct in landelijk beleid kan worden vertaald, maar wel uitermate belangrijk is voor de vraag hoe de islam vorm krijgt in de samenleving. We wilden ook laten zien dat ‘gewone’ gelovigen een belangrijke rol spelen. Het zijn mensen die zich niet professioneel met religie bezighouden, maar wel proberen te leven naar de geest van hun geloof en daarbij op dilemma’s stuiten in het dagelijks leven.

Veel initiatieven die door moslims worden ontplooid zijn eigenlijk gewoon initiatieven van Nederlandse burgers. De grote meerderheid van moslims in Nederland is allang geen migrant meer. Zij maken volwaardig deel uit van de Nederlandse maatschappij, hoewel sommige figuren dat glashard blijven ontkennen. Een groeiend deel is geboren en getogen in Nederland. Bovendien vinden we tegenwoordig moslims in alle lagen van de bevolking. Dat betekent onder meer dat de verbinding van moslims met de Nederlandse samenleving complexer, veelvormiger en intensiever is geworden. Juist dat maakt dat de manier waarop islam vorm krijgt in de samenleving en waar zich kwesties voordoen, steeds verandert.

In het onderzoek hebben we gekeken naar voorstellen, onderhandelingen en initiatieven die worden ontplooid door moslims op allerlei terreinen; commerciële ondernemingen, buurtactiviteiten, sport, bemiddeling en conflictbeslechting. Het ging om alledaagse zaken waar islamitische principes in het geding waren, die moslims als burgers van de samenleving tegenkomen. Uitgangspunt was dat elke religieuze vernieuwing begint met discussie over ‘schurende kwesties’ – kwesties waar antwoorden niet zonder meer voor de hand liggen, waarover verschillende opvattingen bestaan onder kenners van de geloofsleer of waarover gewone gelovigen het gevoel hebben dat er geen eenduidigheid bestaat over hoe te handelen. Anders gezegd: waaraan of aan wie refereert iemand, welke (vernieuwende) oplossingen komen aan het licht en hoe worden beslissingen onderbouwd of omkleed bij het in overeenstemming brengen van religieuze leefregels en voorschriften met het leven en functioneren in de Nederlandse maatschappij. Vaak begint dit klein en buiten het zicht van de media. Dat blijkt vaak veel effectiever dan op hoge toon via de publiciteit proberen zaken te regelen en je gelijk te halen. Gewoon doen.

Een centraal thema in het onderzoek was ‘islamitisch gezag’. Religieus gezag is, net als gezag in het algemeen, een veelomvattend begrip dat niet uitsluitend betrekking heeft op persoonlijk leiderschap; het gaat ook om de erkenning van religieuze kennis door moslims. Uitgangspunt van het onderzoek was dat religieus gezag niet vanzelfsprekend is, maar steeds opnieuw moet worden bevestigd. Juist in een situatie van snelle maatschappelijke verandering en ontwikkeling is de legitimiteit van religieus gezag actueel. Dat is niet alleen een zaak van formele voorschriften en geboden en de toepasbaarheid daarvan. We zijn vaak geneigd om alleen te kijken naar formele religieuze gezagsdragers en hun formele antwoorden op geloofsvraagstukken gebaseerd op islamitische bronnen. Het blijkt dat de inbedding van de islam in de samenleving veel dynamischer is dan dat. In de komende maanden zullen de resultaten van het onderzoek gepubliceerd worden.

Tijdens de conferentie discussieerde een panel dat bestond uit gemeentefunctionarissen, religieuze gezagsdragers en vertegenwoordigers van diverse maatschappelijke instellingen. De discussie ging over heel veel zaken, maar wat mij betreft sprong één thema eruit: vertrouwen. Overheden doen alle moeite om van bovenaf de islam te controleren en te kneden tot iets wat men aanvaardbaar vindt. Eens te meer is duidelijk dat dit niet werkt. Je kunt bijvoorbeeld een prachtige imamopleiding optuigen, maar als niemand deze functionarissen vertrouwt, ben je nergens. Je hebt mensen nodig die een verbinding met de bevolking hebben, inclusief mensen die geen professionele religieuze functionarissen zijn. Naar dat soort mensen zou beter geluisterd moeten worden. Dat is wat we bedoelen met ‘islam in de praktijk brengen’.

‘Het is echt niet zo dat ik doodga van ellende’

1
‘Ik zeg altijd: dat zou je buurman of buurvrouw kunnen zijn, omdat je niet aan iemands uiterlijk kunt zien dat mensen bij de voedselbank naar binnen lopen. Echter, als je achter hun voordeur komt, zie je vaak dat ze geen bedden hebben om in te slapen, dat ze op matrassen op de grond liggen of dat ze geen kleerkasten hebben.’

Armoede in Nederland neemt toe. Het aantal mensen met financiële problemen ligt nu op 1,2 miljoen. Met het verhogen van de btw en de kosten voor de vaste lasten wordt voorspeld dat nu juist de armere gezinnen worden getroffen. Maar wat betekent armoede in een welvarend land als Nederland eigenlijk? Wie stelt de vraag en wat zijn de criteria? Zijn het alleen statische gegevens of is het een totaalpakket aan onplezierige financiële kwesties met ook de psychische nadelen erbij?

Voedselbanken zijn ontstaan in de Verenigde Staten en daarvandaan vond het idee via Canada zijn weg naar Europa. Frankrijk opende de eerste Europese voedselbank in 1984, België volgde in 1986. Pas in 2002 werd de eerste Nederlandse voedselbank geopend. Inmiddels zijn er in drieëntwintig Europese landen voedselbanken, die zich hebben verenigd in de Europese Federatie van Voedselbanken (FEBA). De Nederlandse politiek was zo geschokt van het gezicht dat armoede had gekregen, dat het met een antwoord kwam: ‘Over vier jaar bestaat de voedselbank niet meer.’ Nu, zeventien jaar later, zijn er 169 voedselbanken in heel Nederland en worden er door de inzet van elfduizend vrijwilligers wekelijks veertigduizend pakketten uitgedeeld over ongeveer 132.500 mensen. Het aantal mensen in armoede is gestegen van 700.000 in 2002 naar 1,2 miljoen vandaag de dag.

Op de website van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) komt de definitie van armoede het meest in de buurt van ‘financieel kwetsbaar’. Het CBS gebruikt liever niet de term armoede. Het hanteert daarentegen een lage inkomensgrens, die in 2017 (op maandbasis) op 1040 euro voor een alleenstaande, 1380 euro voor een alleenstaande ouder met één kind en 1960 euro voor een paar met twee kinderen lag. Iedereen die daar dus onder zit, is financieel kwetsbaar en zou in de categorie ‘arm’ komen te zitten. Het CBS definieert armoede als volgt: ‘Armoede, of beter gezegd inkomensarmoede, is gedefinieerd als het hebben van onvoldoende geld (inkomen) om een bepaald consumptieniveau te realiseren dat in Nederland als minimaal noodzakelijk wordt geacht.’ Met de recente stijging van armoede in Nederland moet er volgens het CBS met de komst van vluchtelingen wel rekening gehouden worden. Zo is een derde van de stijging gekomen door de komst van Syrische vluchtelingen die een bijstandsuitkering krijgen.

Hoewel het aantal arme mensen in Nederland toeneemt, is er tot nu toe geen opvallende toename van het aantal klanten bij de voedselbanken. Dit aantal is volgens Marie Lou, vrijwilligster bij de voedselbank in Amsterdam, de laatste jaren vrij stabiel gebleven, al verwachten ze binnenkort wel een stijging aangezien de normen zijn verhoogd. Toen Marie Lou in 2011 als vrijwilliger bij de voedselbank begon, mochten klanten 180 euro overhouden per maand per persoon. Sinds een week is dat verhoogd van 215 naar 225 euro. Marie Lou: ‘Dat is dus heel weinig. Dat geld is bestemd voor kleding en voor eten. Alle vaste lasten zijn dan betaald, je houdt iets van 215 euro per maand over voor een persoon en elke persoon extra is 85 euro. Dus een man en vrouw met twee kinderen is 215 plus drie keer 85 euro, dat is 470 euro.’

Bij het begin van de economische crisis in 2008 moest de voedselbank flexibel optreden; opeens kwamen er grote aantallen bij. Marie Lou: ‘Dat waren bijvoorbeeld zzp’ers die opeens geen opdrachten meer kregen. Of mensen gingen scheiden of hun huis stond onder water. Op dit moment hebben we hier in Amsterdam twaalfhonderd gezinnen die wekelijks van ons afhankelijk zijn. In de tijd van de recessie hadden we tweeduizend huishoudens in Amsterdam die afhankelijk waren van ons, dus er is een heel groot verschil. Nu zie je ook dat die mensen weer verdwenen zijn. Ze hebben een baan gevonden of kunnen op een andere manier weer hun eigen broek ophouden.’

Het probleem is volgens Marie Lou dat armoede een vicieuze cirkel wordt. ‘Hoe langer je in armoede leeft, des te minder je dingen georganiseerd krijgt. Als je kijkt naar wie de klant bij de voedselbank is, dan zeg ik altijd: dat zou je buurman of buurvrouw kunnen zijn – omdat je niet aan iemands uiterlijk kunt zien dat mensen bij de voedselbank naar binnen lopen. Echter, als je achter hun voordeur komt, zie je vaak dat ze geen bedden hebben om in te slapen, dat ze op matrassen op de grond liggen of dat ze geen kleerkasten hebben. Vaak is het een heel grote chaos in huis, omdat ze het niet voor elkaar krijgen het weer goed te organiseren en structuur aan te brengen. Want er is niets zo erg als in armoede leven, omdat je niet weet wanneer het ophoudt. Dat maakt het heel ingewikkeld voor iedereen, omdat ze vaak ook niet meer weten hoe ze eruit moeten komen. Het is lastig om hulp te zoeken en dan blijven ze vaak ook heel lang aan die armoedebel hangen. Dat heeft vaak te maken met het feit dat velen laaggeletterd zijn of dat ze geen goede opleiding hebben gehad.’

Anke (26) uit Lelystad is moeder van twee kleine kinderen van één en drie jaar. Haar man is verslaafd en zit in een gesloten instelling. Zelf heeft ze een uitkering en wil ze er als moeder voor haar kinderen zijn. Ze heeft geen opleiding afgerond en de stap naar de arbeidsmarkt is voor haar moeilijk. Zelf heeft ze niet het gevoel dat ze in een vicieuze cirkel zit, maar moeite met rondkomen heeft ze wel. ‘Ik vind het woord armoede wel heel negatief. Ik zit krap bij kas, maar ik vind niet dat ik in armoede leef. Armoede betekent voor mij dat je echt helemaal niets kunt, dat je elke dag bruine bonen met brood moet eten – en dat hoef ik niet.’ Maar de voedselbank is wel degelijk een uitkomst voor haar. ‘Sinds ik bij de voedselbank zit, verbaas ik me. Ik heb vaak nooit zoveel lekkers in huis gehad, zelf koop ik nooit zoveel. Met Sinterklaas kreeg ik zakken pepernoten, koekjes, snoepjes en alles is ook van een goed merk. Wanneer ik zelf boodschappen doe, haal ik de goedkoopste producten van het huismerk, maar de voedselbank geeft alle goede merken. Weet je waarom ik ook niet het gevoel heb dat ik in armoede leef? Ik heb een groot huis en mijn familie steunt me ook soms. Ik heb een grote tv, ik heb een auto, maar deze staat wel op naam van mijn moeder. Ik ben door de maandelijkse kosten wel beperkt in wat ik doe, maar het is echt niet zo dat ik doodga van ellende.’

Maar natuurlijk zijn er volgens Anke genoeg dingen die ze moet laten. ‘Natuurlijk moet ik echt opletten wat ik overhoud en wat ik daarmee moet doen. Sinds ik bij de voedselbank zit, kom ik uit de voeten. Ik heb veertig euro benzine voor de hele maand, soms kan het voor een week ook twintig euro zijn. Ik kan niet voor honderd euro tanken in de maand. Het leven, alles is gewoon zo duur. Ik heb hele hoge rekeningen. Bij Nuon moet ik al 160 of 180 euro betalen en 35 euro per maand extra op afbetaling. Dan heb ik nog zorgkosten van 150 euro, waarvan ook nog 35 euro extra op afbetaling, dus alleen al die twee kosten me vierhonderd euro. Ik vind het sowieso allemaal geldklopperij. Ik haalde broccoli bij de Albert Heijn, een euro en twaalf cent betaalde ik daarvoor, terwijl deze vorig jaar nog tachtig cent was. Ik ga ook eigenlijk niet naar de Albert Heijn, maar dit was een noodgeval.’

Als al haar vaste lasten betaald waren, dan hield Anke geen geld meer over, maar ze vond het een grote stap om zich aan te melden bij de voedselbank. ‘Er was toch een groot gevoel van schaamte. Ik had een beeld dat ik met allemaal van die halve zwervers daar in de rij zou staan, maar dat viel heel erg mee. Natuurlijk waren er wel één of twee bij waarvan ik dacht ‘jij bent gewoon een wandelende whiskyfles’. Maar ik zag er ook een die gewoon nog een Audi onder zijn billen had, dus die komen ook gewoon. Misschien was hij net failliet gegaan. Mijn man vindt het nog steeds lastig, maar ik niet meer. Ik houd nu maandelijks een beetje geld over en dat is toch heel fijn.’

Meer dan financieel kwetsbaar zijn

Maar in armoede leven is meer dan alleen financieel kwetsbaar zijn en in financiële moeilijkheden zitten. Het rapport Armoede en sociale uitsluiting 2018 van het CBS: ‘Personen die deel uitmaken van een huishouden met een laag inkomen zijn minder maatschappelijk betrokken dan personen uit een huishouden met een hoger inkomen. Ze hebben minder sociale contacten en zijn inactiever in verenigingen. Ook worden ze vaker als verdachte aangemerkt en geven ze frequenter aan slachtoffer van geweld te zijn geweest. Verder rapporteren zij een minder goede gezondheid, leven ze korter en hebben ze meer zorgkosten. Over hun woning en woonomgeving zijn ze minder tevreden dan degenen met een hoger inkomen. In materieel opzicht gaat een laag inkomen vaak samen met een betrekkelijk gering vermogen, beperkte bestedingsmogelijkheden en betalingsachterstanden.’

Marie Lou benadrukt dat de voedselbank mensen ook uit hun isolement wil halen. ‘Doordat ze zo weinig geld hebben, raken ze ook steeds meer in een isolement van schaamte. Zo durven ze niet aan vrienden of familie te vertellen dat ze eten nodig hebben, want er is niets ergers dan je hand ophouden voor eten.’

Anke voelt zich soms ook geïsoleerd. ‘Omdat ik zoveel met de kinderen ben, ben ik dat sowieso al. We moesten verhuizen, omdat mijn man door zijn verslaving uit zijn oude omgeving gehaald moest worden. We kwamen terecht in Arnhem, maar daar kende ik helemaal niemand en de familie was ver weg. Daar voelde ik me extreem alleen, nooit kwam er iemand langs. Dat was geen leuke periode. Maar hier in Lelystad is de situatie beter.’

Sebastiaan (29) is al een jaar vrijwilliger bij de voedselbank in Utrecht. Hij is coördinator van het magazijn. ‘We hebben een grote opslag en negen uitgiftepunten. We halen het voedsel op bij de supermarkten en verdelen wat we ophalen over de uitgiftepunten. Ik weet dat er veel schaamte is bij mensen die de voedselpakketten ophalen. Daarom willen we de uitgiftepunten in de wijken hebben, zodat ze niet zo veel hoeven te reizen. Volgens Sebastiaan zorgt de voedselbank voor dat extra steuntje in de rug. ‘De echte problemen lossen we niet op, maar we geven met de voedselpakketten wat ademruimte.’ Zelf haalt hij veel voldoening uit het vrijwilligerswerk. ‘Ik heb een leuke klik met de andere vrijwilligers, iedereen heeft zijn eigen motivatie om daar te werken en dat maakt de sfeer ook heel fijn. Sommige vrijwilligers moeten herstellen van een situatie of zijn mensen die een uitkering hebben en iets willen betekenen. Voor mij gaat het om zingeving en structuur in de week aanbrengen. Ik zou het iedereen wel kunnen aanraden.’