Balkanlanden nog ver verwijderd van EU

Foto: Reuters
Het zou een quizvraag kunnen zijn: welk land op de westelijke Balkan maakt de grootste kans om als eerste lid te worden van de Europese Unie. En zou een verschil in godsdienst – drie van de zes kandidaten zijn overwegend christelijk-orthodox (Servië, Montenegro, Macedonië), twee islamitisch (Albanië, Kosovo), één volkomen gemengd (Bosnië) – daarbij een factor van betekenis zijn? Twee van de zes zijn overigens nu al op eigen houtje een beetje buitenlid, te weten Montenegro en Kosovo: die hanteren, bij gebrek aan eigen valuta, namelijk ook de euro als nationale munt.
Brussel heeft herhaaldelijk verklaard, dat – net als Turkije – alle landen op de westelijke Balkan in beginsel voor het EU-lidmaatschap in aanmerking komen, mits zij aan de zogeheten Kopenhagen-criteria voldoen. Iets waaraan Brussel zeker na de slechte ervaringen met Roemenië en Bulgarije – bij toetreding in 2007 op papier in orde hadden, maar in de praktijk verre van – vast zal pogen te houden, omdat de jegens Boekarest en Sofia betoonde souplesse aan de geloofwaardigheid van Europa in de ogen van haar eigen burgers sterk afbreuk heeft gedaan.
Turkije zelf is de laatste jaren in rechtsstatelijke zin zodanig ontspoord, dat het lidmaatschap, nu verder weg zou (moeten) zijn dan ooit. Weliswaar is recent, als deel van de vluchtelingendeal, een ”versnelling” van de onderhandelingen toegezegd, maar die lijken zich intussen toch meer in de categorie van ”het Israëlisch-Palestijnse vredesproces” te bevinden: iedereen doet er naar buiten toe heel plechtig over, maar naar binnen toe neemt niemand die serieus.
Maar hoe staat het er op de westelijke Balkan voor? Officieel zijn de zes allemaal kandidaat-lid, maar in elk afzonderlijk geval zijn er forse beren op de weg – nog afgezien van de algemene uitbreidingsmoeheid. Overigens wordt daarbij heel precies een drieledig onderscheid gemaakt: conform onnavolgbare bureaucratische logica bestaan er – naast landen waarvan het toetredingstraject al gestart is (Servië, Montenegro) – behalve landen waarvan het kandidaat-lidmaatschap officieel aanvaard is (Albanië, Bosnië, Macedonië) ook landen die als potentieel kandidaat-lidstaat erkend zijn, een categorie waarin Kosovo eenzaam vertoeft.
In geen van de zes gevallen zal het Europese hart na beschouwing van de situatie ter plekke juichend van enthousiasme opspringen. Notoir corrupt, en worstelend met een slecht functionerend juridisch systeem zijn ze alle; de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht kan bij geen van de zes echt worden gegarandeerd. Dat is een diep in de mentaliteit en de structuur van de samenleving geworteld probleem, dat niet binnen een paar jaar even kan worden opgelost. En bij het democratische gehalte van regeringen, in combinatie met de beweegruimte voor de oppositie en de rechten van (etnische, religieuze of andere) minderheden, kunnen ook steeds vraagtekens worden gezet.
Daarbovenop komen bij vijf van de zes staten nog specifieke problemen, die een extra drempel opwerpen. Alleen Montenegro springt er in dat opzicht positief uit, maar of Europa voor een landje met amper 600.000 inwoners (formaat Malta en Luxemburg) apart de poort wil openen, mag twijfelachtig heten. Liever werkt Brussel de boel in groepen af, zoals dat ook voor de grote uitbreiding van 2004 gold (Roemenië en Bulgarije zaten oorspronkelijk ook in dat cluster, maar voldeden niet bijtijds, zodat hun toetreding – te – kort werd uitgesteld).
Maar de andere vijf? Dat wordt toch zeer problematisch. Bij Albanië zullen Hongarije en Polen dwars liggen, aangezien een islamitisch land botst op het reactionair-christelijke imago dat de huidige regeringen zichzelf en Europa willen aanmeten. Servië verkeert, waar het de eigen hoofdbijdrage aan het Joegoslavische bloedbad betreft, nog in dermate staat van ontkenning dat van een open democratisch land dat oprecht met het eigen verleden in het reine probeert te komen, moeilijk gesproken kan worden. Daarnaast betoont het zich, opnieuw, wel erg toegankelijk voor Russische avances – haalt de EU daarmee niet het Trojaanse paard van Vladimir Poetin in huis? Dat Griekenland – vanwege religieuze banden – voor Servië zal pleiten, legt dan niet voldoende gewicht in de schaal.
Dan Macedonië. Dat mag zich van Griekenland nog steeds niet onder die naam aanmelden, omdat Athene claimt dat de term Macedonië alleen maar het noordelijke deel van Griekenland dekt: FYROM is zo noodgedwongen de officiële naam, wat staat voor Former Yugoslavian Republic of Macedonia. Van wie is Alexander de Grote? Dat is de controverse die hier achter ligt. Griekenland pretendeert de erfgenaam van het oude Macedonië te zijn, en ziet in het gebruik van de naam Macedonië door de in Skopje zetelende regering een verkapte vorm van aanspraken op Noord-Griekenland. Dat naast de staat Luxemburg ook een Belgische provincie Luxemburg bestaat zonder dat dat gevaar voor de staatsgrenzen oplevert, vermag Athene niet op andere gedachten te brengen.
Nog problematischer is zonder twijfel Kosovo. Enkele Europese lidstaten, zoals Spanje, Griekenland en Roemenië, weigeren haar soevereiniteit te erkennen (en zullen dus zeker een toetreding blokkeren), omdat dat een beloning voor afscheiding vormen zou. Met de Catalanen en Basken in het achterhoofd is de angst in Madrid voor precedentwerking op zich zeer begrijpelijk.
Het meest hopeloos is ongetwijfeld Bosnië, dat elk moment langs de etnisch-religieuze scheidslijnen uit elkaar kan vallen, en slechts onder dwang bijeengehouden wordt. Niets hebben de Kroatische katholieken, de Servische orthodoxen en de Bosnische moslims gemeenschappelijk. In dat opzicht is men, zoals het recente referendum in de Servische deelrepubliek over een eigen nationale feestdag bewijst, nog even ver als twintig jaar terug.
DELEN
Thomas von der Dunk
Publicist. Cultuurhistoricus.