De aftakeling van Turkije

Foto: Reuters

Met de uitslag van het grondwetsreferendum in Turkije kan eigenlijk niemand erg tevreden zijn. Uiteraard de oppositie niet, want die heeft het verloren, wat Erdogan de mogelijkheid verschaft een volgende stap te zetten op zijn weg naar de absolute macht. Het Westen heeft evenmin veel reden tot juichen, omdat dit voor een verdere verwijdering moet zorgen, wil het zelf geloofwaardig blijven met de eigen pretentie als wereldwijd protagonist van rechtsstaat en democratie te fungeren. Maar ook Erdogan kan met zo’n mager resultaat voor het ‘ja’ niet juichen: ondanks alle intimidatie en zijn mediamonopolie heeft toch bijna de helft het aangedurfd ‘nee’ aan te kruisen. Het referendum toont dan ook vooral aan, hoezeer het land tot op het bot is verdeeld, in twee vrijwel gelijke helften.

Een blamage is dat van de in Europa wonende Turken een veel groter deel ‘ja’ heeft gestemd, ook in Nederland. Dat hangt deels samen met hun oorspronkelijke geografische herkomst – meer uit de hoge bergen dan uit de grote steden – en hun religieuze achtergrond. Maar de hang naar nationale grootsheid voor een etnische minderheid die zich in het nieuwe vaderland nog altijd niet volledig geaccepteerd weet – Erdogan als grote broer voor de gepesten op het schoolplein – speelt vast ook een rol. De prijs daarvoor betalen dan de Turken in Turkije zelf.

Hoezeer het niet willen weten daarbij de boventoon voort, mocht ik recent nog op een discussieavond met de Nederlandse AKP-campagnevoerder ervaren. Hij verkondigde op een vraag uit de zaal naar de massale vervolging van oppositionele media zonder blikken of blozen dat gewoon de wet werd gehandhaafd, en die zich aan terroristische propaganda bezondigden. Kwade wil of vergaande naïviteit?

Voor de EU wordt het overigens in één opzicht zekere zin gemakkelijker: toetreding is met deze dictatuur in wording natuurlijk echt van de baan. Dat bespaart haar ongetwijfeld een hoop inwendige spanningen, omdat een groot deel van de Europese bevolking het land mede vanwege het islamitische karakter, dat onder Erdogan ook steeds sterker de politiek is gaan bepalen, niet lust. Kandidaat-lidmaatschap voor Turkije was koren op de molen van de populisten.

Frankrijk en Duitsland waren overigens sowieso nooit zo happig op een volwaardig lidmaatschap, evenmin als de Europese christen-democraten, en het feit dat Turkije steeds verder van de Kopenhagen-criteria afdrijft, bespaart hen het hanteren van gevoelige culturele argumenten. En met de brexit aanstaande vertrekt de machtigste voorstander van een Turks lidmaatschap binnenkort uit Brussel: Londen heeft de EU nooit als waardengemeenschap, maar vooral als marktplaats gezien, en wilde een zo groot mogelijke Unie om die zo zwak mogelijk te houden, onder het motto: hoe meer zielen, hoe minder vreugd. Alleen zo viel de eigen mentale spagaat tussen Amerika en Europa vol te houden.

Daartegenover staat voor de EU natuurlijk wel het vluchtelingenvraagstuk, waarin Ankara de afgelopen jaren als buffer tegen nieuwe migranten een hoofdrol heeft gespeeld. En die migrantenstroom vormde óók koren op de molen van de Europese populisten. Dus als Erdogan zijn dreigementen waar maakt – tegenover het tegenhouden van vluchtelingen moet visumvrijheid voor Turkse burgers staan, zo niet, dan zet hij de sluizen open – heeft Europa eveneens een probleem.

Ofschoon Brussel dan altijd met economische sancties kan terugslaan, want hoezeer de handel met Turkije voor Europa zeker lucratief is, ze is vooral slechts lucratief, terwijl ze voor Turkije essentieel is. De electorale macht van Erdogan is sterk van economische successen afhankelijk en mocht hij dat zijn vergeten, dan wordt het hoog tijd hem dat te laten weten.

Veel problematischer is de sluipende verdere ontsporing van Turkije voor de NAVO, waarvan het (anders dan van de EU, waarvoor het reeds een halve eeuw in de wachtkamer zit) al wèl sinds 1952 lid is. Problematisch, omdat de NAVO pretendeert een verbond van landen te zijn dat voor de westerse vrijheid opkomt. Dictaturen horen in zo’n gezelschap niet thuis. Nu heeft dat verheven ideaal in het verleden ook niet het lidmaatschap van Portugal in de weg gestaan, toen dat nog geen democratie was – dat van Franco-Spanje wel – en hebben de diverse militaire coups in Ankara sinds 1952 ook niet tot – tijdelijke – opschorting van het NAVO-lidmaatschap geleid, maar het wrong zeker. En het zal nu weer gaan wringen.

Tegelijk kan de NAVO niet om Turkije heen, met het oog op de groeiende chaos in het Midden-Oosten. Een werkzame oplossing voor de burgeroorlog in Syrië – oorzaak van de gevreesde vluchtelingenstroom – zal, vanwege de verknoping ervan met het Koerdische vraagstuk, niet zonder Turkse hulp kunnen. Ook niet zonder die van Iran trouwens, en dus op de achtergrond van Rusland.

Juist bij de bestrijding van IS – door Trump tot de grote bedreiging uitgeroepen, maar bij diens grilligheid kan dat morgen weer een ander zijn – botst Washington met Ankara, omdat Washington de Syrische Koerden als nuttigste militaire bondgenoten, en Ankara die als levensgevaarlijke handlangers van de PKK beschouwt. Wat dat betreft: als Erdogan erg onhandelbaar blijkt, kan het Westen nog altijd dreigen de PKK van de terreurlijst te halen, want ‘terrorist’ is tenslotte ook maar een naam.

Tot slot de gevolgen van het referendum voor Turkije zelf. Zijn minieme meerderheid, waarbij ook de mislukte coup van afgelopen zomer niet in de verhoopte grootse zege heeft geresulteerd, maakt Erdogan duidelijk hoe zwak hij tegelijk electoraal nog staat. Poetin-achtige resultaten zijn niet in zicht. Zal hij daaruit concluderen dat hij de oppositie de hand moet reiken of juist nog despotischer reageren? Gezien zijn oordeel over deze ‘landverraders’, valt te vrezen voor het laatste.

DELEN
Thomas von der Dunk
Publicist. Cultuurhistoricus.