De katholieke kerk doet altijd te weinig

Foto: Reuters

De rooms-katholieke kerk en de menselijke seksualiteit, dat is geen gelukkige combinatie. Dat heeft de bisschoppelijke misbruikconferentie in het Vaticaan opnieuw duidelijk gemaakt. Zij ging verder dan ooit – en tegelijk ging zij in de ogen van de slachtoffers onvermijdelijk niet ver genoeg. Waarbij het de vraag is of zij in de ogen van de slachtoffers wel ooit ver genoeg zou kunnen gaan.

Aan de woorden van de paus lag het (bijna) niet. Die waren ongekend scherp, al werd wel in zoverre op de persoonlijke verantwoordelijkheid van de daders afgedongen dat zij als min of meer door de duivel bezeten werden gepresenteerd. Maar, om het op z’n Rotterdams te zeggen: geen woorden, maar daden. Op de daden komt het nu toch echt aan. En in dat opzicht lieten ook de woorden van de paus aan onwillige bisschoppen nog net te veel ruimte over om in de praktijk toch de boel op z’n beloop te laten. Zeker, er zijn een paar bejaarde heren uit hun (priester)ambt gezet, maar een structurele lijn is dat nog niet – en is ook niet in deze zin zwart op wit voor de toekomst vastgelegd.

De vraag is echter wel of de paus verder had kunnen gaan. Niet: verder had moeten gaan – als morele verplichting – maar verder had kunnen gaan: of hij wel echt de macht heeft om meer dan dit dwingend aan de bisschoppen op te leggen. Want Franciscus kan ook op dit punt op zeer forse tegenstand rekenen, zowel binnen de curie als binnen het college van kardinalen. Het grootschalige kindermisbruik is namelijk niet de enige forse vlek op het blazoen van de kerk.

De paus heeft na zijn aantreden ook een financiële beerput geopend. Deze actie heeft, bij de talloze prelaten die er belang bij hadden om die beerput zorgvuldig gesloten te houden, de nodige weerstand opgeroepen. Het verzet tegen de hervormingskoers van de paus is breed en groot. Ook de door Franciscus gepraktiseerde en daarmee indirect eveneens gepropageerde eenvoud is tal van hooggeplaatste geestelijken een doorn in het oog. Veel van hen hechten ten zeerste aan de geneugten des levens en daar hoort ook de nodige luxe bij. Franciscus’ vijanden binnen de kerk zijn zodoende talrijk; menigeen zoekt naar iets waarover men hem zou kunnen laten struikelen. Want sinds zijn voorganger is afgetreden, is ook het pausschap niet langer meer per definitie een baan voor het leven. In vroeger tijden hielp in zulke gevallen overigens nog wel eens vergif.

Dat betekent: wie, inhoudelijk op zich terecht, de paus bekritiseert – omdat op mooie woorden nog onvoldoende stoere daden zijn gevolgd en bovendien te vrezen valt dat die in de toekomst uit zullen blijven – moet bedenken dat de paus ook zeer wel zijn hand zou kunnen overspelen. En daarmee zijn de slachtoffers, die nu begrijpelijkerwijs teleurgesteld zijn, uiteindelijk nog minder gebaat. Want om de feiten is Franciscus, anders dan zijn voorgangers, in elk geval niet langer meer heen gedraaid.

Ook om een andere reden is het raadzaam de verwachtingen bij voorbaat een beetje te temperen. Als voor één publieke organisatie het fameuze gezegde opgaat dat ‘de staat een mammoettanker is die maar langzaam van koers verandert’, dan wel voor de alleroudste: voor de kerk. Dat komt niet in de laatste plaats omdat zo’n koersverandering niet alleen door praktische obstakels vertraagd wordt, maar tevens door theologische. Wie claimt een eeuwigdurende Waarheid te verkondigen, kan die niet na twintig eeuwen een-twee-drie op de maat van een nieuwe werkelijkheid snijden.

Het kindermisbruik valt niet los te zien van een aantal geloofsdogma’s zoals het celibaat, dat weliswaar niet teruggaat tot Christus’ dagen, maar wel al een kleine duizend jaar bestaat. Leer en leven: hoewel geslachtsgemeenschap voor priesters uit den boze is, heeft het Vaticaan een handleiding voor situaties waar zij toch vader geworden zijn. En dat resulteert dan echt in een andere dna-relatie tot het nageslacht dan die van Jozef tot Maria’s kind.

De moeizame verhouding van de kerk met seksualiteit betekent niet in de laatste plaats een moeizame verhouding met homoseksualiteit. Ook in dat opzicht heeft de paus zich weliswaar een keer verrassend tolerant uitgelaten – ‘wie ben ik om daarover te oordelen?’ – maar tegelijk is elke theologische acceptatie nog steeds taboe. Het is een publiek geheim dat een substantieel deel van het episcopaat uit homofobe homo’s bestaat – uit verborgen homo’s die hun eigen homoseksualiteit krampachtig ontkennen.

Wie is in dat opzicht de Roermondse gluurbisschop Jo Gijssen vergeten – indertijd de meest onbarmhartig orthodoxe in de hele Nederlandse kerkprovincie? Die gluurde niet naar meisjes, maar naar jongens – de meeste kerkelijke misbruikslachtoffers zijn geen vrouw maar man. Maar openlijke acceptatie van homoseksualiteit door het Vaticaan is vooralsnog even ondenkbaar als in de Biblebelt. Dus kruipt het bloed waar het niet kan gaan.

Een laatste gigantische drempel voor een minder verkrampte omgang met seksualiteit vormt de positie van de vrouw. Waar in veel protestantse kerken ook vrouwen het tot predikant of zelfs (bij de lutheranen) tot bisschop kunnen brengen, is het katholieke priesterambt voor vrouwen nog steeds onbereikbaar.

Een gesloten mannengemeenschap leidt onherroepelijk regelmatig tot misstanden – denk aan de studentencorpora of het leger, waar die eveneens bijna onuitroeibaar blijken. Ook de preses van Vindicat belooft keer op keer keurig beterschap – en het helpt geen zier. Maar in zulke gevallen ontbreekt bij voorbaat de geur van heiligheid die de gezagsdragers van een religieuze organisatie qualitate qua voor zichzelf claimen en hen ook zo lang morele onaantastbaarheid heeft verschaft. Dan komt er nog een extra drempel voor verbetering bij.

DELEN
Thomas von der Dunk
Publicist. Cultuurhistoricus.