Niet de hele wereld is te koop

Foto: Rijksoverheid

Wat hebben de discussie rond de Abel Herzberg-lezing van minister Sigrid Kaag van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en de afgelaste ‘uxit’ – de geplande verhuizing van het hoofdkwartier van Unilever naar Rotterdam – met elkaar gemeen? Dat er beiden keren sprake is van een grote mentale clash tussen twee kampen, waarbij men steeds minder in staat is om zich in de ander in te leven. In beide gevallen staan hier min of meer ‘nationalisten’ en ‘globalisten’ tegenover elkaar, waarbij de opmars van de eersten een antwoord vormt op de blindheid van de laatsten.

Bij de uitkomst van de Unilever‑affaire speelt niet zozeer, zoals Paul Polman en werkgeversvoorzitter Hans de Boer ons willen doen geloven, de Nederlandse volksopstand tegen de afschaffing van de dividendbelasting een rol, als wel een dreigend veto van Britse aandeelhouders, omdat de fabricage van typisch Britse producten, zoals het fameuze boterhamsmeersel Marmite, in ‘buitenlandse’ handen dreigde te komen. De Unilever‑top heeft met haar op puur economische overwegingen berustende verhuisplan het nationale sentiment onderschat dat al eerder tot een referendummeerderheid voor een brexit had geleid.

Tegen de achtergrond van de moeizame onderhandelingen in Brussel en de speurtocht van diverse grote financiële instellingen in Londen naar een nieuwe lucratieve vestigingsplek op het continent, heeft zich veel kleine Britse aandeelhouders een bepaald soort vrees meester gemaakt: dat er straks niets meer in Engeland overblijft. Het plan van Paul Polman dreigde geen meerderheid te gaan halen en daarom werd het te elfder ure afgeblazen. Hier botsten twee wereldbeelden op elkaar. Enerzijds dat van een bevolking die, ongeacht wat financieel voordelig is, aan bepaalde zaken als nationaal erfgoed hecht en het daarom niet verkwanseld wil zien. En anderzijds dat van een internationaal opererend bedrijfsleven, dat elke binding met het land waar het geld verdiend wordt verloren heeft en slechts denkt aan het eigen profijt.

Dan Sigrid Kaag. Zij beklaagde zich over de vaak in schunnige scheldpartijen resulterende verdachtmakingen aan haar adres, vanwege het feit dat ze met een Palestijn getrouwd is. Ze voelde zich soms een vreemdeling in eigen land. Maar ze ging verder dan dat, ze kantte zich tegen de populistische geest die door Europa waart, waarmee de kiezer verleid wordt ‘met een bedrieglijke notie van een romantisch negentiende‑eeuws nationalisme, een zogeheten ‘terugkeer’ naar de soevereine natiestaat’. Indirect bekritiseerde zij daarmee CDA‑leider Sybrand Buma, die in zijn H.J.Schoo‑lezing van september vorig jaar had gesteld dat bij alle globalisering ‘de gewone Nederlander verweesd achterbleef’, met het gevoel dat ‘een grotendeels onbenoemde ‘elite’ het land in de uitverkoop zou hebben gedaan’. Dat is inderdaad het sentiment waarop Geert Wilders en Thierry Baudet bouwen.

Kaags lezing riep enige kritische reacties op, waarvan de meest zinnige die van Paul Scheffer was in de NRC. Hij constateerde dat haar betoog gespeend was van enige zelfreflectie. En daarmee signaleert Scheffer een algemeen probleem. De door Kaag gehekelde nationalistische inzichzelfgekeerdheid vormt een reactie op de kosmopolitische inslag van een maatschappelijke bovenlaag, die met haar neoliberale beleid zelf het populisme in het leven heeft geroepen waartegen zij zich nu verontrust keert. Zoals PvdA‑voorman Lodewijk Asscher stelde: het populisme veroordelen is onvoldoende, men moet zich afvragen waar het vandaan komt.

Baudet heeft helaas met één ding gelijk: de belangrijkste hedendaagse politieke tegenstelling dreigt er eentje tussen nationalisten en globalisten te worden, die de klassieke sociaaleconomische links‑rechts‑tegenstelling opzij drukt. Het is die tussen de mensen van somewhere en die van anywhere; tussen hen wier leven plaatsgebonden is en die zich (dus) ook slechts op een bepaalde plaats thuisvoelen, en hen die de halve wereld rondverhuizen en zich overal thuisvoelen. Niet toevallig is Kaag van D66, de partij met het meest extreem kosmopolitische wereldbeeld, dat dan ook electoraal het meest van een polarisatie op dit vlak profiteert, met de PVV als tegenpool.

Of, om het scherper te stellen, het is de dominantie van het D66-denken, dat in hoge mate de groei van de PVV heeft gegenereerd. Pechtold vormde daar zelf ook de belichaming van, door, veel meer dan zijn voorgangers als partijleider, net als de VVD voor een neoliberale economische koers van flexibilisering, deregulering, privatisering en internationalisering te kiezen, dat aan de voortschrijdende economisering van de samenleving heeft bijgedragen. Oudere politiek inhoudelijke idealen zijn voor een tamelijk technocratische aanpak ingeruild, waarbij die koers met een soort ‘TINA-argumentatie’ (there is no alternative) als de enige rationele en feitelijk enig denkbare wordt verkocht. Alles is daardoor een markt geworden, ook onderwijs, zorg en cultuur.

Die internationalisering biedt het beter verdienende deel van de bevolking grote perspectieven: de aanstaande directeur wacht een mooie loopbaan van Maastricht via Manchester naar Milaan, waarbij hij onder verwijzing naar Amerikaanse concurrentie een steeds hoger salaris kan verlangen. Voor de monteur is dat niet weggelegd, die krijgt onder verwijzing naar Albanese concurrentie steeds weer te horen dat hij het met minder zal moeten doen. Aan zijn noden heeft de internationale elite geen boodschap, daarvoor betonen zowel Kaag als Polman zich blind. Voor beiden is de wereld letterlijk grenzeloos – voor de eerste op grond van een soort romantisch multiculturalisme, voor de tweede vanuit een strikt economisch marktperspectief. Maar, zo leert het Unilever opbrekende Marmite-sentiment, niet de hele wereld is te koop.

DELEN
Thomas von der Dunk
Publicist. Cultuurhistoricus.