Syrië: theocratie of seculiere tirannie

Foto: Reuters
Met de val van Aleppo lijkt Bashar al-Assad definitief te hebben gezegevierd. Het lijkt intussen weer lang geleden dat, kort na het uitbreken van de opstand, door deskundigen op tv werd verkondigd dat Assads dagen nu echt waren geteld. Precies dat is de reden om de eerste zin toch met een zeker voorbehoud te formuleren: met de val van Aleppo lijkt Assad definitief te hebben gezegevierd. Het verzet zou de komende maanden toch weer plots kunnen oplaaien, ook al moet ik er meteen aan toevoegen dat ik dat zelf vrij onwaarschijnlijk acht.

Hoe heeft het, na het optimisme uit de begintijd van wat nu niemand nog als de ‘Arabische Lente’ durft te betitelen, toen de dictatoriale tronen van Hosni Mubarak en Muammar al-Kaddafi bezweken en ook Assads einde aanstaande leek, zover kunnen komen? Nu, misschien wel mede daardoor. Dat zijn de in zulke situaties bijna onvermijdelijke paradoxen van de geschiedenis. Het bloedige einde van Kaddafi hield voor Assad, die in de jaren dat hij vóór 2011 onaangevochten in het zadel zat niet minder slachtoffers had gemaakt, een waarschuwing in: dit dreigt voor mij ook.

Anders dan in democratieën betekent in dictaturen verlies van de macht immers ook snel verlies van het leven, en dat dan meestal op een tamelijk onfrisse manier. Dat Assad niet als Kaddafi in een rioolpijp wilde eindigen, is best begrijpelijk, en dat verklaart de verbetenheid waarmee hij voor zijn politieke en fysieke overleving gevochten heeft. Hetzelfde geldt voor zijn hele entourage, die bij een machtsovername door de oppositie eveneens het nodige te verliezen heeft.

De eigen aard van de oppositie versterkte die angst. De gematigde seculiere krachten die daarbinnen aanvankelijk de toon aangaven, werden, naarmate de strijd – ook militair – verhardde, steeds meer in de marge gedrongen. Radicale groeperingen met al-Qaeda-achtige achtergrond of connecties, al dan niet gesteund en gefinancierd door de geestverwante Golfstaten die officieel als belangrijkste westerse (handels)partners in de regio gelden, gingen onder de strijders domineren. Ook in het van Assad bevrijde deel van Aleppo was niet bepaald een verlichte Zwitserse democratie ingevoerd. Het aantal niqaabs aldaar – voor de oorlog beslist geen dominante dracht in deze metropool – zegt een hoop over de tamelijk rigide religieuze opvattingen van de soennitische rebellen die in die stadshelft de touwtjes in handen hadden.

Dat betekende voor veel Syriërs dat zij tussen hamer en aambeeld klem kwamen te zitten – zowel in militair, als in ideologisch opzicht: tussen de seculiere tirannie van Assad en de theocratie die een deel van de soennitische fundamentalisten in het vooruitzicht stelde. Dat was vooral voor alle niet-soennieten – sjiieten, alewieten, christenen – een zeer bedreigend perspectief. Ondanks alle onderdrukking van de persoonlijke vrijheid en massale schending van mensenrechten, was binnen Assads Syrië wel (binnen zekere grenzen) hun godsdienstvrijheid gegarandeerd.

Daarbij kwam, opnieuw, maar nu niet voor Assads kliek, maar voor Assads slachtoffers, het afschrikwekkende voorbeeld van Libië. Dat was na de verdrijving van de dictator in een anarchie veranderd, waarin een reeks van milities het olierijke land onderling hebben opgedeeld en elkaar fel bestrijden. Is Libië tenminste religieus en etnisch nog betrekkelijk homogeen, en dus desondanks toch in rap tempo gedesintegreerd, Syrië mag als een nagenoeg onbeheersbaar kruitvat gelden – met het even diverse naburige Irak als voorbode van wat dan komen gaat. Het sektarisme tiert er welig, en dat betekent dat grote delen van de bevolking bij een zege van de soennitische verzetsstrijders heel wat te verliezen hebben.

Daarbij hadden ook Rusland en Iran veel te verliezen, en dat is een volgende belangrijke oorzaak van Assads zege: Syrië is een speelbal geworden van de regionale grootmachten zoals het aangrenzende kleine Libanon dat voorheen op haar beurt lang van Syrië was. Voor Iran gaat het om de – in het kader van de sjiitisch-soennitische tegenstelling religieus geladen concurrentieslag om de dominantie in het Midden-Oosten met Turkije, Saoedi-Arabië en (in mindere mate) Egypte. Voor Rusland was – tot de zege van de poetinofiele Donald Trump – Syrië in het kader van de nieuwe Koude Oorlog (1945-1989) met het Westen in feite zo’n beetje de na de val van de Muur laatst overgebleven bondgenoot in deze contreien, belangrijk ook als aanmeerplek voor de Russische vloot, die intussen vrijwel nergens anders meer in de Middellandse Zee terecht kan.

Bij Moskou’s verbetenheid om het regime van Assad met alle geweld in het zadel te houden, speelt opnieuw Libië als afschrikwekkend voorbeeld een rol. In dit geval echter niet vanwege het bloedige einde van Kaddafi als zodanig, of de anarchistische chaos na zijn dood, maar vanwege de rol van het Westen daarbij. Dat had de door Rusland getolereerde resolutie van de Verenigde Naties, waarin beperkt militair ingrijpen werd toegestaan om de Libische bevolking tegen Kaddafi te beschermen, zover opgerekt dat Kaddafi niet meer tegen de Libische bevolking beschermd werd en dus ten val kwam. Dat deze oprekking van het VN-mandaat teneinde het doel ervan ook te kunnen bereiken onvermijdelijk was, omdat Kaddafi niet inbond en integendeel de burgeroorlog liet escaleren, is, achteraf, in westerse ogen een valide excuus, maar in Russische ogen een doorzichtige smoes.

In elk geval heeft Vladimir Poetin daaruit één duidelijke les getrokken: nooit meer meegaan in een VN-mandaat dat onder het mom van mensenrechten militaire interventie mogelijk maakt die de Russische positie verzwakt. Dat verklaart het voortdurende njet van het Kremlin als Washington iets in die geest probeert. Omdat het Westen zelf – mede indachtig het Irak-debacle van George W. Bush en het ontbreken van een geloofwaardige democratische oppositie in Syrië – niet opnieuw vuile handen wenste te maken, kreeg Assad met steun van Poetin vrij spel.

DELEN
Thomas von der Dunk
Publicist. Cultuurhistoricus.