Waarom we wél demonstreren tegen Trump en niet tegen IS

Foto: Reuters
Mahesvari Autar schreef onlangs in een gastcolumn in Zaman Vandaag dat westerse vrouwen aan selectieve verontwaardiging doen. Zij noemt het hypocriet dat zij wél een mars organiseren tegen de democratisch gekozen Amerikaanse president Donald Trump en niet tegen de massale verkrachting van yezidivrouwen door IS of de ontvoering van Nigeriaanse meisjes door Boko Haram. Het grab them by their pussy van Trump raakt haar niet, zo zegt zij zelf, wel dat Afghaanse meisjes met de dood bedreigd worden, want dat is veel erger. Zij verklaart niet te weten of Trump haar in een donker steegje zal lastigvallen, maar wel te weten als vrouw last te hebben van hangjongeren die in Nederlandse wijken seksistische opmerkingen maken.

Op die laatste inconsequentie zal ik hier verder niet uitgebreid ingaan –op het feit dat zij last heeft van seksistische opmerkingen van hangjongeren en niet van die van presidenten. Ik zou zeggen: die van Trump legitimeren in zekere zin die van de eersten en vormen een aanmoediging voor andere mannen om zich dan maar ook zo te gedragen. Waar het mij om gaat, is het probleem van de selectieve verontwaardiging. Haar constatering is juist, en tegelijk een beetje een open deur. Zij laat zich ook in deze kwestie, waar het om het al dan niet organiseren van protestmarsen gaat, in ieder geval verklaren.

Maatschappelijke verontwaardiging zal in de ogen van iemand die van buiten naar de aarde kijkt, vrijwel altijd selectief zijn. Drie factoren bepalen namelijk of men de straat op gaat. De eerste: of het zonder (groot) fysiek of juridisch risico kan, wat in westerse democratieën – anders dan in dictaturen – meestal zo zal zijn. De tweede: in hoeverre de kwestie je persoonlijk raakt en de gehekelde misstand ook als een bedreiging voor jezelf wordt ervaren – het hemd is hier nader dan de rok. De derde: of er enige kans bestaat dat zo’n demonstratie van invloed is en de zaken veranderen zal. Tussen de derde en tweede factor bestaat vaak een zeker verband: negatieve ontwikkelingen in verwante landen of sectoren kunnen gemakkelijker jouw bestaan beïnvloeden dan negatieve ontwikkelingen in een wereld die jou vreemd is. Hoe dan ook: ze verklaren waarom men in Nederland wel tegen Trumps verbale seksisme de straat opgaat en niet tegen de inderdaad veel ernstigere misstanden ten aanzien van de positie van vrouwen in delen van Afrika en het Midden-Oosten.

Wij voelen ons in Europa meer verwant met Amerika dan met pakweg Rusland. Wij verwachten om die reden dan ook meer van Washington dan van Moskou, als het gaat om het geven van het goede voorbeeld. Washington kan ons zo eerder teleurstellen dan Moskou, want van Vladimir Poetin verwachten wij niets. Daarvoor gaan wij niet de straat op, tenzij hij zelf letterlijk onze richting uitkomt, zoals bij de homodemonstratie tegen zijn bezoek aan Amsterdam een paar jaar geleden. Daarbij komt, of men een land zelf beter of slechter kent, en of men er bijvoorbeeld familie en vrienden wonen heeft.

Dat Poetin niet deugt: daaraan twijfelt niemand – van de populistische rechterhand van Marine Le Pen en consorten afgezien. Ook Trump hoort daar blijkens zijn bewondering voor autocraten overigens toe. En tot MH17 leek ook Geert Wilders in woord en daad Angela Merkel en Jean-Claude Juncker als een groter probleem voor het Nederlandse welzijn te beschouwen dan Poetin – sindsdien houdt hij over de anti-Europese ‘verdiensten’ van laatstgenoemde wijselijk zijn mond.

Het één en ander is bij de demonstranten gekoppeld aan de vrees dat Trumps voorbeeld ook in Europa navolging gaat vinden – zo stonden Le Pen en Wilders immers luidkeels te juichen bij zijn zege. De Amerikaanse politieke en constitutionele verhoudingen zijn meer vergelijkbaar met de onze dan de Russische, laat staan de Arabische. Ook is de culturele nabijheid veel groter: de meeste Europeanen herkennen zich en hun medeburgers alleen al in materieel opzicht gemakkelijker zowel in de maatschappelijke situatie in Amerika als in de toonaangevende politici, inclusief Trump, dan in die in Syrië en in Bashar al-Assad. Dat draagt bij aan de inschatting van verontruste Europeanen dat dat wat in Amerika onverwachts is gebeurd, ook in Europa zou kunnen gebeuren, terwijl dat voor het lot van de yezidivrouwen niet geldt. Dat bevordert de aandrang om te protesteren zeer.

De bereidheid daartoe valt niet los te zien van de hoop op enig effect – of die verwachting écht reëel is, is een tweede, maar het gaat om het verwachtingspatroon. Amerika is een democratie, waar de publieke opinie een belangrijke rol speelt. Ook in Amerika zelf hebben Trumps uitspraken aanleiding gegeven tot ongekend massale protesten tegen zijn verkiezing. Daarbij kan men zodoende ook in Europa gemakkelijker aansluiten.

Een dergelijke situatie doet zich ten aanzien van Boko Haram of de yezidi’s niet voor. Nog los van de veel summierdere berichtgeving, die ons met grote vertraging bereikt: niemand heeft enige illusie dat een protestmars de leiders van Boko Haram of IS op andere gedachten zal brengen – dat die zelfbenoemde kalief in Raqqa, die yezidivrouwen als seksslavinnen laat verkopen, na een boze optocht in Amsterdam zegt: dat doe ik voortaan misschien toch maar niet. En omdat de kans daarop klein is, blijft ook die optocht uit – hoe wrang dat ook is.

En wie dan, om aan de gruwelen een eind te maken, zich niet tot de zich doof houdende daders, maar tot de internationale gemeenschap wendt, komt meteen voor de vraag te staan: hoe kan men dat van buitenaf oplossen? Met militaire middelen, die vele extra slachtoffers zullen kosten? Met politieke, die onderhandelen met de grootste schurken vergen, die daarmee – zie Assads stijgende overlevingskansen in Syrië – vervolgens ongestraft wegkomen? Dan is de oplossing voor het Trump-probleem waarmee Amerika kampt net wat simpeler, en past die ook gewoon op een spandoek.

DELEN
Thomas von der Dunk
Publicist. Cultuurhistoricus.