Wat als Wilders ‘minder homo’s’ had geroepen?

Foto: Reuters

Ook nu het proces tegen Geert Wilders zijn ontknoping nadert, weet ik, eerlijk gezegd, nog steeds niet, of het wenselijk is dat hij voor zijn ‘minder, minder’-uitspraken straf krijgt opgelegd. Ik zou niet graag op de stoel van de rechters zitten – en het zou goed zijn, als ook anderen dat eens wat minder gretig zouden willen.

Bij die vraag naar de wenselijkheid gaat het mij nu nadrukkelijk niét om de politieke effecten van veroordeling of vrijspraak – in het eerste geval kan hij als martelaar triomferen, in het laatste triomfeert hij zonder meer. Die vraag naar het politiek profijt voor Wilders zou geen rol mogen spelen: de rechter moet zich puur op de juridische aspecten, de consequenties van een veroordeling voor de vrijheid van meningsuiting dan wel van vrijspraak voor de vrijheid van ophitsing bezinnen.

In dit opzicht is het inderdaad een politiek proces – niet omdat, zoals Wilders suggereert, justitie hier in opdracht van zijn Haagse vijanden opereert, maar omdat het de politiek is die ook op dit politiek zo heikele punt ooit de wet heeft vastgesteld. Waarbij Wilders overigens indertijd ook zelf, met radicaal-islamitische ophitsers voor ogen, erg op stringente wetgeving had aangedrongen, die nu dan dus mogelijk eveneens consequenties heeft voor hemzelf. Maar hier geldt natuurlijk, als basisprincipe van de rechtsstaat, dat de wet voor iedereen gelijk is.

Waarvoor Wilders overigens in dit verband in elk geval wel veroordeeld zou moeten worden, is minachting van de rechtbank: die heeft hij immers vrij consequent vanaf het begin als bevooroordeeld verdacht gemaakt. Hem zou door ‘D66-rechters’ al bij voorbaat het recht op een eerlijk proces ontzegd zijn. Te denken valt ook aan zijn demagogisch knappe, maar inhoudelijk staatsgevaarlijke slotpleidooi: rechters die het wagen hem te veroordelen staan aan de foute kant van de geschiedenis, en het volk zal hen weten te vinden. De rechters werden zo als ‘vijanden van het volk’ weggezet.

De hysterische zelfoverschatting, waarmee een en ander gepaard ging – Wilders zette zichzelf neer als de vertegenwoordiger van de overgrote meerderheid van de bevolking, waar hij nooit meer dan een zesde van de stemmen heeft gehaald en ook geen serieuze peiling hem nu wezenlijk meer belooft – is hem vergeven.  Onacceptabel is vooral dat hij, door de objectiviteit van de rechtspraak als zodanig in twijfel te trekken, doelbewust een volgend basisprincipe van de democratische orde – de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in samenhang met de scheiding der machten – ondermijnt. Dat valt vooral een lid van de wetgevende macht zwaar aan te rekenen.

Wat dan specifiek de gewraakte ‘minder, minder’-uitspraken van Wilders betreft, zal vermoedelijk het georkestreerde karakter van de bewuste bijeenkomst zwaar wegen: het betrof geen ongelukkige verspreking in het heetst van de strijd of zo, maar ophitsing met voorbedachten rade.

Ook de later door Wilders aangebrachte nuanceringen – ‘eigenlijk bedoelde ik dit en dat’ – lijken mij daarom weinig hout te snijden. Er klonk wat er klonk, en het was op dat moment ook precies zo bedoeld. Zich dan naderhand, zoals Wilders doet, achter de pretentie van een andere intentie verschuilen, is laf, en het verwijt aan Mark Rutte, dat hij voor bang geworden Marokkaanse kinderen opkwam, onheus.

Blijft de vraag: mag je publiekelijk op deze manier de wens uitspreken, dat er van bepaalde groepen mensen minder zijn? Wat als hij ‘minder joden’, ‘minder zwarten’ of ‘minder homo’s’ had geroepen? Of ‘minder moslims’? Een belangrijk criterium zal daarbij zijn in hoeverre het om (nagenoeg) onveranderbare eigenschappen van afzonderlijke mensen gaat, in hoeverre het tot een bepaalde groep behoren dus niet op een bewuste persoonlijke keuze berust.

Bij ‘zwarten’ is dat, net als bij ‘vrouwen’, evident, bij ‘Joden’ (voor zover het, conform het moderne anti-semitisme, om afstamming, en niet, conform het oudere anti-judaïsme, om geloof gaat) ook. Met de kanttekening dat het geslacht dankzij moderne medische technieken de facto niet meer volledig onveranderlijk is, maar tegelijk niemand zal eisen dat iemand het eigen geslacht verandert.

Het ‘homo zijn’ wordt tegenwoordig in het Westen ook als een onveranderlijke eigenschap beschouwd, waaraan je ‘dus niets kunt doen’. Een kleine religieuze christelijke minderheid denkt daar overigens nog anders over – en nog maar een paar generaties terug gold dat eveneens voor de overgrote meerderheid. Van een min of meer aangeboren, of tenminste al vroeg vastliggende homoseksuele identiteit wil men in die kringen niet weten, en de (als ‘tegennatuurlijk’ verworpen) homoseksuele daad geldt dientengevolge als een eigen keuze van het individu, dat daarop dan ook (moreel en juridisch) aangesproken kan worden.

Dat laatste geldt ook voor veel niet-westerse culturen. In dat opzicht is er mondiaal sprake van een interessante vorm van stuivertje wisselen, waar het geloof en geaardheid betreft. Geloof – en dat zou voor een ‘minder moslims’ – relevant zijn, zien wij in het Westen tegenwoordig, anders dan geaardheid, als een vrijwillige keuze: het valt daarmee al snel in dezelfde categorie als politieke overtuiging (‘minder liberalen’). Daar wordt in bijvoorbeeld de Arabische wereld precies omgekeerd over gedacht: seksuele geaardheid wordt niet erkend, wat de ‘tegennatuurlijke’ geslachtsdaad strafbaar maakt, en geloof geldt als min of meer aangeboren. Het is vaak strafbaar om het geloof van je voorouders voor een ander in te ruilen en bekeringspogingen leiden tot grote maatschappelijke onrust.

In het licht van het voorgaande is het aannemelijk dat Wilders ‘minder Marokkanen’ voor de rechtbank eerder als strafbaar zal gelden dan eerdere islamofobe uitspraken van hem, omdat het nu in de categorie onveranderlijke eigenschappen thuishoort – aan afstamming kan immers niemand iets doen.

DELEN
Thomas von der Dunk
Publicist. Cultuurhistoricus.