Wat salafisten nu zijn waren jezuïeten toen

Foto: Reuters
”Gaat de imamopleiding er nu echt komen?”, kopte Zaman Vandaag onlangs over een nieuw initiatief voor het stichten van een nieuwe Nederlandse imamopleiding. De vorige werd wegens gebrek aan studenten geen succes en daarom drie jaar geleden weer opgeheven. Zal, ongeacht de steun van minister Jet Bussemaker, deze volgende poging een langer leven beschoren zijn?

De reden waarom ook van overheidszijde zo sterk op een eigen Nederlandse imamopleiding wordt aangedrongen is, dat men alleen zo imams denkt te kunnen krijgen die vertrouwd zijn met de samenleving waarin zij moeten werken. Daarbij gaat het niet (alleen) om het spreken van de Nederlandse taal. Zaman Vandaag citeert in dit verband ook de voorzitter van het Contactorgaan Moslims en Overheid (CMO), Rasit Bal: ”Het is nodig dat imams hier worden opgeleid en ook hier vandaan komen. Nu komen nog veel imams uit het buitenland, maar die sluiten wat taal en cultuur betreft niet aan op Nederland.”

Dat klinkt op het eerste gezicht ook logisch. Alleen wordt iets te makkelijk voorbijgegaan aan het theologische spanningsveld dat daarmee dan automatisch ontstaat. De wens, dat de opvattingen van de imams die in Nederland werken op de – door het christendom en de Verlichting gevormde – Nederlandse cultuur aansluiten, botsen op de universele geldigheidsclaim die elke religie van nature eigen is en waaraan zeker door orthodoxe gelovigen grote waarde wordt gehecht. Dat betekent in de kern juist dat de inhoud van de godsdienstige leer niet te zeer aan een specifieke nationale cultuur kan worden aangepast, omdat zij immers overal en onder alle omstandigheden ‘waar’ wordt geacht. Het woord van God, zoals vastgelegd in het eigen heilige boek, heet één en ondeelbaar te zijn.

Dat geldt voor de Bijbel en de Koran in beginsel in gelijke mate en slechts voor de joodse Thora in die zin wat minder, dat weliswaar orthodoxe joden geloven dat voor hén overal ter wereld dezelfde wetten gelden, maar dat die inderdaad slechts voor leden van het joodse volk gelden: hun godsdienst richt zich in essentie slechts tot één natie, en niet tot de mensheid als geheel. Anders dan christenen en moslims, is bekeringsijver hen daarom vrijwel vreemd.

Godsdiensten zonder heilig boek met eeuwige goddelijke wetten zijn van nature flexibeler en kunnen zich makkelijker aanpassen aan een bepaalde cultuur. De essentie daarvan wordt gevormd door morele opvattingen over goed en kwaad, zoals die zich vervolgens in wetgeving vertalen. Tegelijk leidt in de praktijk, ook al wordt dat zelden met zoveel woorden gezegd omdat dat aan de universele morele waarheidspretentie af zou doen, de wereldwijde verspreiding van zowel het christendom als de islam automatisch tot een grote variëteit, zelfs binnen een bepaalde meer specifieke geloofsrichting, zoals de katholieke kerk of de soennitische versie van de islam. Evenmin als katholieken in Nederland en Nigeria dezelfde opvattingen huldigen, geldt dat voor moslims in Nederland en Nigeria.

In dat opzicht blijkt in de alledaagse vertaling van een godsdienst toch vaak van grote flexibiliteit sprake te zijn. Zo hechten Bosnische moslims – wonend te midden van Balkanvolkeren waar sterke drank tot nationale drank verheven is – wat minder aan het alcoholverbod, en in Mali getuigen de soefi-heiligdommen van het voortleven van lokale tradities. Twee mooie voorbeelden uit de katholieke hoek: veel aan Venus gewijde tempels transformeerden tot Mariakerken (maagd blijft maagd) en in Bretagne kun je middeleeuwse Mariabeelden met drie borsten aantreffen, dat is gewoon een gekerstende oude Keltische vruchtbaarheidsgodin. Trouwens, ook het hele kerstfeest met zijn kerstboom heeft historisch natuurlijk niets met Jeruzalem uit te staan, maar is een christelijke omvorming van het zonnewendefeest van de Germanen. En Sint-Nicolaas is de Germaanse oppergod Wodan in een nieuwe versie: die reed ook al op een schimmel rond en deelde dan cadeautjes uit.

Het voornemen van een Nederlandse imamopleiding past hierbij. Vaak wordt, als het om de positie van moslims gaat, een vergelijking getrokken met de joden in de Gouden zeventiende Eeuw: wel getolereerd, maar niet echt geaccepteerd en zeker niet goed geïntegreerd. Inderdaad is de joodse emancipatie pas voorzichtig eind achttiende eeuw begonnen, om vervolgens de hele negentiende eeuw te vergen. Maar als het gaat om de verhouding tot de Nederlandse natiestaat en haar cultuur, en om de wantrouwende opstelling van de overheid, is een vergelijking met de katholieken leerzamer. Waren de joden namelijk sterk nationaal georganiseerd, de Nederlandse katholieken maakten deel uit van de wereldkerk, zoals moslims zich als onderdeel zien van de wereldwijde oemma (de moslimgemeenschap).

Dat wekte toen zo goed als nu wantrouwen op, in een Nederland dat zich in de negentiende eeuw dankzij de dominante protestantse elite toen niet als een joods-christelijke, maar als een specifiek protestantse natie definieerde. Waren die katholieken, geestelijk onderhorig aan de paus in dat verre Rome, wel goede vaderlanders en in geval van een internationaal conflict te vertrouwen? De paus regeerde immers over een eigen kerkelijke staat, zoals nu die IS-‘kalief’ met soortgelijke mondiale religieuze leiderspretenties over zijn eigen ‘kalifaat’.

Wat salafisten nu zijn waren jezuïeten toen: veelal in Rome opgeleide buitenlanders, zodat veel protestantse Nederlanders vreesden dat zij uit dat Rome on-Nederlandse ideeën zouden meebrengen, die wat taal en cultuur betrof niet aansloten op Nederland. Koning Willem I nam om die reden in 1825 het initiatief voor een eigen nationale priesteropleiding in Leuven. Zij werd vanwege de vergaande staatsbemoeienis geen succes, omdat de katholieke priesterkandidaten dit als externe inmenging in hun geloofszaken beschouwden en dus wegbleven. Het vormde één van de stenen des aanstoots die uiteindelijk tot de Belgische Opstand tegen het Nederlandse gezag zou leiden. Bussemaker is dus gewaarschuwd.

DELEN
Thomas von der Dunk
Publicist. Cultuurhistoricus.