Het recht om te generaliseren

Trudy Coenen
Trudy Coenen
Docent Nederlands op het Montessori College Oost, een 'zwarte' vmbo-school in Amsterdam. Leraar van het Jaar 2010. Auteur van het boek 'Spijbelen doe je maar thuis: verhalen van een docent op het vmbo' (2013).

Lees meer

Een tijdje geleden ging het in de ‘ontwikkeltijd’ (niet alleen de leerlingen krijgen les op mijn school, ook wij – de leerkrachten – worden bijgespijkerd, ontwikkeltijd heet dat) over DE mavo-leerling, wat die allemaal zou (moeten) kunnen en doen. Misschien komt het omdat ik meer iemand van de praktijk ben dan van de theorie, maar ik kon me er geen voorstelling van maken. DE mavo-leerling? DE mavo-leerling bestaat volgens mij helemaal niet. Het ene kind kan iets wel, het andere kind niet en zal het ook nooit leren. Ieder kind heeft weer een ander temperament en het is af en toe nog een behoorlijke klus om daarmee om te gaan. Je moet altijd weer kijken wie je voor je hebt en daar pas je je lessen op aan.

Mijn mentorklas is een caleidoscoop van karakters. De groepsapp van de klas laat dat altijd mooi zien. Laatst wilde een leerling wisselen van profiel: van ‘nask’ – natuur- en scheikunde – naar economie en ze meldde dat in de groepsapp. ‘Dit is de groepsapp’, appte ik, om aan te geven dat je dit beter in een één-op-één-berichtje kunt melden. Want hoe werkt dat dan in de groepsapp: anderen gaan zich ermee bemoeien. Merouan: ‘Maar nask is de toekomst.’ Komt Kathy erin: ‘Niemand vroeg om je mening schat.’ Merouan: ‘Schat, ik ben je schat niet.’ Tijd om in te grijpen: ‘Allemaal naar bed nu.’ Het was al best laat. Kathy: ‘Okay, maar niemand vroeg om je mening, vriend. En zo dom doen. Bitch.’ Ik: ‘Pardon?’ Merouan: ‘Waar komt al die agressie vandaan?’ Kathy: ‘Juf, hij maakt mijn hoofd heet.’

Dat Kathy een vurig karakter heeft, was me al duidelijk geworden uit haar spreekbeurt die ze in het begin van het jaar hield. ‘Gay is okay’ was de titel. En wee degene die dat niet vond! Meer dan een pleidooi voor diversiteit was het een waarschuwing voor degene die het er niet mee eens was. Kathy is door het minste of geringste op de kast te krijgen, dan krijgt ze een waas voor haar ogen en gaat ze vechten. Heel anders dan Merouan die meer het type zuiger is. En dat zijn dan slechts twee leerlingen in mijn klas. En die twee totaal verschillende mavo-leerlingen moet je dus ook op totaal verschillende manieren benaderen.

Net zoals DE mavo-leerling niet bestaat, kun je ook niet generaliseren over het type leerling op basis van zijn of haar afkomst. Omdat ik op een school werk met voornamelijk kinderen van niet-Nederlandse origine, heb ik daar vaak mee te maken. Met generalisaties bedoel ik bijvoorbeeld ‘Surinamers zijn lui’ en ‘Chinezen zeggen nooit wat ze op hun lever hebben’. Zulke algemeenheden kan ik eigenlijk niet op een leerling plakken, omdat ik merk dat er eigenlijk geen enkele leerling aan zo’n stereotype voldoet. Voor je het weet is een vooroordeel een oordeel en daarmee doe je de leerlingen toch tekort.

Maar dat zo’n stereotype soms enthousiast omarmd wordt door de groep die – zou je zeggen – juist ‘slachtoffer’ is van die generalisatie, bleek enige tijd geleden in mijn klas. De les was afgelopen, iedereen was bezig zijn boeken op te bergen en ik weet niet hoe het gesprek erop kwam, maar ineens ging het over Turken. Mohammed spuide zijn oordeel over DE Turk in het algemeen en ventileerde een generalisatie die volgens hem klopte als een bus: ‘Juf, wist u dat alle Turken stinken?’ Dat hij zelf in de klas altijd naast zijn Turkse vriend zat weerhield hem er niet van deze boude uitspraak te doen. De Turkse vriend leek zich er verder trouwens weinig van aan te trekken. Hij zag het in ieder geval niet als een belediging waar hij zich tegen zou moeten verdedigen. ‘En dat zeg jij’, zei ik verbaasd tegen Mohammed, ‘een Marokkaan’. Waarmee ik maar wilde zeggen: jij weet toch alles van generalisaties, als er over één groep gegeneraliseerd wordt, dan zijn het wel de Marokkanen! Mohammed keek me aan met een blik van ‘je snapt het niet’. ‘Maar juf, hoe kunnen Marokkanen nou stinken?’, zei hij. ‘Die nakken (stelen) die deo!’ Ik zou er zelf niet op gekomen zijn.

De namen in deze column zijn gefingeerd.

- Advertentie -

1 REACTIE

  1. Ik ben behalve van de praktijk (30 jaar leservaring VO) ook van de theorie. Want de theorie kan helpen de praktijk beter te begrijpen. Er is dan ook qua nut geen strijd tussen theorie en praktijk, maar ze helpen elkaar.

    Natuurlijk bestaan er idiote generalisaties. Maar er bestaan ook reële generalisaties. Hoewel een vmbo-klas heel verschillende leerlingen telt, en een vwo-klas ook, is het niet idioot om te stellen dat de groepen verschillen in leerprestaties. Daar doe je niemand mee tekort.

    Ook is het niet idioot om te stellen dat Marokkanen in Nederland minder verdienen dan autochtonen (dit ouderwetse taalgebruik even daargelaten). Het benoemen van een dergelijk verschil betekent niet het rechtvaardigen ervan. Maar het verbloémen van zo’n verschil kan wel het aankaarten van een probleem in de weg staan. Ik wil maar zeggen: er bestaan reële generalisaties, en het kán soms nuttig zijn die te benoemen.

    Generalisaties hebben ook hun beperkingen: je doet er altijd een hoop individuen mee tekort. Zo is de volgende redenering logisch volstrekt geldig:

    “Marokkanen zijn crimineler dan Nederlanders. Hassan is een Marokkaan. Ergo: Hassan is crimineler dan Nederlanders”. Geen speld tussen te krijgen – bij oppervlakkige beschouwing.

    Gelukkig schiet de taalkundige hier de logicus te hulp, en legt uit dat de eerste uitspraak niet élke individuele Marokkaan betreft (zoals in “Alle mensen zijn sterfelijk”) maar een groepsgemiddelde aangeeft. En verreweg de meeste groepsleden wijken af van een groepsgemiddelde, zoals ook de meeste Nederlanders geen 1.70 meter lang zijn (ook al is dat hun groepsgemiddelde).

    Zo is de zin ‘Nederlanders zijn 1,70 meter lang maar Belgen zijn 1,65 meter lang’ niet zonder betekenis, Inderdaad, op individueel niveau is de zin niet erg informatief (over een willekeurige Belg of Nederlander zegt die niets nuttigs), maar op groepsniveau snijdt die wel degelijk hout. Je zou er bijvoorbeeld de hoogte van het trein- en straatmeubilair op kunnen aanpassen.

    In de klas is het goed om zulke zaken met leerlingen uit te spitten. Net als grote mensen krijgen zij ook voortdurend te maken met generalisaties en met al of niet terecht onderscheid. Het eenvoudig ‘verbieden’ van het maken van generalisaties is noch haalbaar, noch verstandig. Generaliseren is essentieel voor het leren (het trekken van conclusies over een reeks van waarnemingen of aangereikte informatie), en we moeten onze leerlingen bijbrengen wat daar het nut van is – en waarin de gevaren schuilen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here