Hoe lang duurt eigenlijk een ‘bezetting’?

Thomas von der Dunk
Thomas von der Dunk
Publicist. Cultuurhistoricus.

Lees meer

Dezer dagen herdenkt Nederland dat vijfenzeventig jaar geleden een einde kwam aan de Tweede Wereldoorlog en daarmee aan de Duitse Bezetting. Die nemen in onze nationale herinnering zo’n dominante plaats in dat het adjectief vaak wordt weggelaten: wie over ‘De Oorlog’ en ‘De Bezetting’ spreekt, is al duidelijk genoeg. De term ‘bezetting’ wordt sowieso amper voor iets anders dan 1940-1945 gehanteerd.

Voor de vorige keer dat Nederland door een grote mogendheid overweldigd werd, namelijk de periode 1810-1813 door de Fransen van Napoleon, spreken historici niet van bezetting, maar van inlijving – wat staatkundig ook correct is: Nederland verloor in 1810, anders dan in 1940, ook formeel zijn zelfstandigheid. Het werd deel van het Franse keizerrijk, waaraan overigens wel een militaire bezetting was voorafgegaan.

Hoe lang kan men van een ‘bezetting’ spreken? Ik kom daarop door het stuk van Fitria Jelyta in de Kanttekening van februari over de tegengestelde kijk van Indische en Indonesische Nederlanders op de koloniale periode. Daarin wordt een woordvoerder van de laatste groep geciteerd, Jeffry Pondaag: ‘De Nederlandste staat geeft geen gehoor aan de Indonesische slachtoffers van de 350 jaar durende illegale bezetting door Nederland.’

Het herinnerde mij aan het historisch museum van Corsica in het stadje Corte, dat ik in 2017 bezocht. Daar werd in de bijschriften gesproken van ‘250 jaar Franse bezetting’. In het Frans, dat wel. Wat mij vervolgens weer een Ierse pensionhoudster van zeven jaar eerder te binnen deed schieten, die weemoedig de verengelsing van haar land beklaagde – maar dit ook alleen in het Engels kon doen, omdat zijzelf evenmin nog het Keltisch machtig was.

Pondaags uitspraak roept twee interessante vragen op: wanneer spreken we (nog) van een bezetting, en, in samenhang daarmee, wanneer en hoe lang zijn machthebbers illegaal? Daarbij moeten we onderscheid maken tussen formele legaliteit en morele legitimiteit. Wat dat formele aspect betreft: vrijwel elk land in het verleden is voor een groot deel door verovering, dus ‘illegaal’, ontstaan.

Geen historicus zal bij Karel V en Filips II snel van een halve eeuw Spaanse ‘bezetting’ spreken

Tot de opmars van het democratisch denken met de Verlichting kwam zelfs niemand op het idee om de legitimiteit van de macht aan volksinspraak te koppelen. Het fiat van God, of gewoon de macht van het zwaard, volstond. Of het erfrecht. Door dat laatste kwam Nederland in Spaanse handen, zoals het door verovering vijftien eeuwen eerder in Romeinse handen gekomen was.

Als gezegd: in Nederland spreken wij ten aanzien van ‘vreemde’ overheersers – ook een interessant punt trouwens, dat ‘vreemd’ – alleen in het Duitse geval van een bezetting. Geen historicus zal bij Karel V en Filips II snel van een halve eeuw Spaanse ‘bezetting’ spreken. En indertijd was het ook juist de Opstand tegen hun gezag, en niet dat gezag zelf, die legitimatie behoefte.

Ook voor de Romeinen ben ik de term nooit tegengekomen. Natuurlijk: het is rond het jaar nul heel concreet met een militaire verovering en dito bezetting begonnen, met legioenen in de nieuwe Limes langs de Rijn. Die legioenen en Limes bleven ook vier eeuwen. Maar waar de ‘oorspronkelijke’ bewoners van de Lage Landen de Romeinen bij hun komst vast als veroveraars en bezetters hebben gezien, is het onwaarschijnlijk dat dat rond het jaar 400 nog steeds zo was.

Om een heel simpele reden: omdat het na vier eeuwen moeilijk meer te zeggen viel wie precies afstammelingen van de oorspronkelijke bewoners waren. Die hadden zich al vele generaties lang tijdens hun voortplantingsproces met Romeinse kolonisten gemengd, en ook die weinigen die genetisch misschien nog ‘zuiver’ waren gebleven waren cultureel volledig geromaniseerd. Voor hen was het Romein-zijn even vanzelfsprekend als water dat is voor een vis.

En dat brengt mij op de kloof tussen Indische en Indonesische Nederlanders, die we ook zien bij tussen al generaties lang in Ierland wonende Britten en ‘echte’ Ieren: voor de Indonesische blijft de indringer van voorheen tot op het laatst een indringer, ook na vele honderden jaren. Voor de Indische is, vanwege hun gemengde etnische wortels, die indringer ook deel geworden van henzelf. Dat is de kern van hun tragiek: zij worden zowel door de Nederlanders als door de Indonesiërs als buitenstaander gezien.

Nu u hier toch bent...

Goede journalistiek kost geld. Leden en donaties maken onze gebalanceerde berchtgeving over biculturaliteit, zingeving en vrijheid mogelijk. Steun ons daarom als u ons werk belangrijk vindt.

Vertel mij meer!

- Advertentie -