16.5 C
Amsterdam

Leidt intolerantie tot intolerantie?

Thomas von der Dunk
Publicist. Cultuurhistoricus.

Lees meer

Vorig maand stonden op de Kanttekening twee stukken tegenover elkaar, waarvan het tweede een reactie op het eerste vormde. Ik denk dat beide enig weerwoord verdienen.


Gert Jan Geling hekelde in zijn stuk ‘Conservatieve islam-apologie verpakt als wetenschap’ een onderzoek van Nijmeegse sociologen waarin intolerantie onder orthodoxe moslims – onder meer inzake homoseksualiteit – in zekere mate een reactie op westerse intolerantie jegens moslims wordt genoemd. Is het niet eerder andersom: dat moslims juist vanwege zulke al bestaande conservatieve opvattingen op afwijzing stuiten? Als je voor ‘moslims’ ‘SGP-ers’ invulde, zou iedereen een dergelijke redenering – die volgens hem orthodoxe onverdraagzaamheid vergoelijkt – als curieus beschouwen.

Maar anders dan Geling zou ik een soortgelijke verklaring voor intolerante opvattingen in SGP-kring helemaal niet zo curieus vinden. En mocht dan na onderzoek blijken dat hier eveneens sprake is van een toenemende verharding, dan zou ik dat als deel van de verklaring ook best plausibel vinden. Wat niet betekent dat dit strikt onvermijdelijk is – het is geen wet van Meden en Perzen.

Sla de geschiedenis van de calvinistische orthodoxie, en de kerkelijke scheurmakerij waarin die vanaf de negentiende eeuw resulteerde, er maar op na. Dan moet je constateren dat deze mede in hoge mate een psychologisch verklaarbare reactie vormde op de ook in de kerk binnendringende moderniteit, die als bedreiging werd ervaren.

Zoiets leidt ertoe dat men nadrukkelijker bepaalde dogma’s gaat formuleren omdat het voorheen vanzelfsprekende niet langer vanzelfsprekend blijkt te zijn. En wie vervolgens op grond daarvan door de anderen buitengesloten wordt, vertoont sneller de neiging zich nog meer in eigen kring op te sluiten en het eigene te koesteren. Twijfel aan die eigen waarheden wordt dan door de eigen groep sneller als een soort verraad gezien.


Turkse en Marokkaanse gastarbeiders werden in de jaren zestig níet in de eerste plaats als moslims gedefinieerd, (de nazaten van) Turkse en Marokkaanse immigranten vandaag door de (post)christelijke autochtone meerderheid juist wél, met 9/11 misschien als cruciaal omslagpunt. Dat heeft de zelfidentificatie met de islam onder een deel van hen – maar zeker niet bij allen! – vast versterkt.

In dat opzicht bestaat er een parallel met het Europese antisemitisme. Een deel van de geëmancipeerde seculiere joden heeft, toen die eigen secularisatie onvoldoende tot acceptatie leidde, nadien weer het joods-zijn en het orthodoxe geloof omarmd. Zeker toen zij door de nazi’s expliciet het stempel ‘jood’ opgedrukt kregen, gingen tallozen ook zichzelf weer zo zien. Zoals dat zo fraai in het Duits heet: jetzt erst recht.

Dit doet allemaal niets af aan het feit dat religieuze opvattingen van orthodoxe moslims, net als bij dergelijke christenen, inderdaad zeer problematisch kunnen zijn en zeker niet mijn persoonlijke sympathie hebben. Los van de door Geling vermoede verborgen agenda van de Nijmeegse onderzoekers, zijn het verklaren en het goedkeuren van bepaalde opvattingen echter twee verschillende dingen.

Dat moslims vandaag door de meerderheid in de eerste plaats als moslims worden gedefinieerd, heeft de zelfidentificatie met de islam onder een deel van hen vast versterkt

Tegen Gelings artikel keerde zich vervolgens Hoessein Bahara in zijn stuk ‘Absurd om de islam de schuld te geven van homo-intolerantie’. Vooral Gelings vergelijking met de SGP vindt hij absurd, want ‘de SGP streeft naar een samenleving op Bijbelse grondslag. De islamitische gemeenschap in Nederland streeft niet naar een samenleving op islamitische gronden. Dat is ook niet realistisch als je maar 5 procent van de bevolking uitmaakt’, aldus Bahara. Moslims zien de Nederlandse wet, zo vervolgt hij, als ‘een maatschappelijk contract’ waaraan zij zich moeten houden.

Maar ook zijn vergelijking met de SGP snijdt geen hout. Dat haar aanhang kleiner is dan het aantal moslims, staat het streven van deze partij naar een calvinistische theocratie namelijk geenszins in de weg. Dat zij daarmee godzijdank kansloos is, is een tweede. ‘Realisme’ is dus niet per definitie leidend bij de formulering van doeleinden, als het om fundamentalisten gaat. En het valt niet te ontkennen dat er regelmatig moslimpredikers vanuit de Arabische wereld naar Europa overkomen die aan dat ‘maatschappelijk contract’ van ons geen boodschap hebben, en dan niet altijd direct de moskee worden uitgezet.

Nu u hier toch bent...

Goede journalistiek kost geld. Leden en donaties maken onze gebalanceerde berichtgeving over biculturaliteit, zingeving en vrijheid mogelijk. Steun ons daarom als u ons werk belangrijk vindt.

Vertel mij meer!

- Advertentie -