Nooit meer oorlog?

Thijl Sunier
Thijl Sunier
Antropoloog. Hoogleraar Islam in Europese Samenlevingen aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Voorzitter van de Netherlands Interuniversity School for Islamic Studies.

Lees meer

Ik doe mee met de twee minuten stilte tijdens de nationale Dodenherdenking op 4 mei. Soms ergens op locatie, deze keer thuis achter de buis vanwege ziekte. Ik zal dat blijven doen, maar ik merk ook dat ik moeite heb met de nationalistische ondertoon die de Dodenherdenking steeds meer kenmerkt. Het dreigt een nationalistisch ritueel te worden dat mensen de maat neemt over loyaliteit en integratie. Bovendien is inmiddels volstrekt vaag wie er nu herdacht worden; concentratiekampslachtoffers worden gelijkgeschakeld met omgekomen Nederlandse soldaten in ‘vredesmissies’. Dat lijkt me een heilloze ontwikkeling.

De nationale Dodenherdenking op de Dam in Amsterdam is, net als alle herdenkingsplechtigheden, een ritueel, een reeks voorgeschreven handelingen waarbij degenen die niet actief aan het ritueel deelnemen – de toeschouwers – op een afstand worden gehouden. De commentator die zijn stem gepast laat dalen, de koning en koningin met de voorzitter van het Nationaal Comité 4 en 5 mei die van het paleis naar het monument schrijden, de toespraak, de kransleggingen, het defilé. En iedereen kijkt heel serieus, want zo hoort dat. Het probleem van zulke protocollair strak geregisseerde rituelen is dat ze weinig meer met spontaniteit en emotie te maken hebben, alleen voor een handjevol mensen die oorlogsgeweld in de jaren veertig zelf hebben meegemaakt. Voor heel veel aanwezigen lijkt het vooral een ‘ervaringsmomentje’. Daar is op zichzelf niets mis mee, maar daar zit precies het probleem: wat wil je hiermee dan bereiken? Wat communiceer je naar al die toeschouwers die van ‘na de oorlog’ zijn? Hoe houd je deze groeiende groep bij de zaak betrokken en hoe voorkom je dat zo’n Dodenherdenking niet even weinigzeggend wordt als de herdenking van bijvoorbeeld het einde van de Tachtigjarige Oorlog zou zijn? Er moet iets zijn dat de volgende generaties erbij betrekt. Maar dat gebeurt nu op totaal verkeerde gronden.

Op 4 mei 1946 werd de eerste officiële Dodenherdenking gehouden. Een jaar ervoor, op 9 mei 1945, vond in Amsterdam al een herdenking van de doden plaats. Toen nog had de overgrote meerderheid van de bevolking de gruwelen van het naziregime en hun handlangers en meelopers in Nederland zelf meegemaakt. De herdenking was een persoonlijke en emotionele gebeurtenis. Maar ieder jaar wordt die groep kleiner. Aan het begin van de jaren tachtig werd serieus gezocht naar een vorm van herdenken die ook voor de volgende generaties betekenis had. De 4 mei-herdenking zou een herdenking moeten worden van alle slachtoffers van racisme en onverdraagzaamheid. Dit is een zinvolle verbreding. Racisme en onverdraagzaamheid, dé kenmerken van het naziregime, zijn immers nog springlevend, ook in Nederland. Als je de herdenking verbreedt kun je bovendien duidelijk maken dat het naziregime een Europees product was en dat er geen enkele reden is om aan te nemen dat het niet weer kan gebeuren, sterker nog dat het aan het gebeuren is. Zo wordt de Dodenherdenking vooral ook toekomstgericht.

Maar het mocht niet zo zijn. Vanaf het midden van de jaren 2000 wordt het nationale element in de herdenking weer sterker aangezet. Dat gebeurt aan de ene kant door het Nederlandse slachtofferschap tijdens de Tweede Wereldoorlog tot iets collectiefs te verheffen. Het Nederlandse volk heeft geleden en dat laat een nationaal litteken achter, over de generaties heen. Aan de andere kant wordt het naziregime in Nederland, meer dan voorheen, beschouwd als een bezetting van de ene (Nederlandse) natie door de andere (Duitse) natie. In plaats van het naziregime te beschouwen als een politiek systeem waar ook veel Duitsers onder hebben geleden, wordt dat politieke regime gelijkgesteld met de Duitse bevolking. Ik hoorde dit jaar in de aanloop naar de herdenking ook mensen steeds zeggen dat ‘we’ vijf jaar geen vrijheid hebben gekend omdat ‘we’ bezet werden door ‘de Duitsers’. En nog steeds is er gedoe over de absurde vraag of de Duitse ambassadeur bij de herdenking aanwezig mag zijn. Daarmee veegt Nederland niet alleen historisch zijn straatje schoon, alsof de bezetting ‘ons overkwam’ en dat ervoor en erna alles koek en ei was, maar de bezetting wordt bovendien voorgesteld als een botsing tussen volkeren. De bezetting als nationale mythe. Met zo’n voorstelling van zaken worden de nationalisten van nu op hun wenken bediend. En door de totale verwarring over wie we nu herdenken, ontstaat de bizarre situatie dat Nederlandse soldaten die in de vuile koloniale oorlog in Indonesië tussen 1945 en 1949 zijn omgekomen, op één lijn worden gesteld met de Joden die zijn omgekomen in de gaskamers van de nazi’s.

Of we moeten de Dodenherdenking beperken tot alle slachtoffers van de naziterreur van toen, met het risico dat het op den duur aan betekenis verliest, of maak het tot een wake-up call: potentiële nazi’s zijn nog steeds onder ons. Maar maak er in elk geval geen nationalistisch ritueel van, zoals nu dreigt te gebeuren.

- Advertentie -

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here