Rust in vrede, broeders en zusters

Tayfun Balcik
Tayfun Balcik
Programmacoördinator bij The Hague Peace Projects voor de Armeens-Koerdische-Turkse werkgroep. Lid van de Nieuw Amsterdam Raad (Pakhuis de Zwijger).

Lees meer

De Armeens-Nederlandse onderneemster Anush Avetisyan nam Tayfun Balcik afgelopen zomer mee op een handelsmissie naar Armenië. Dat zorgde voor een aantal ongemakkelijke ‘Turks-Armeense ervaringen’, zoals te lezen is in zijn vorige column. Vandaag het laatste deel van zijn reis: een confronterend bezoek aan het Armeense Genocide-museum in Yerevan.

Het is lastig om uit bed te komen, de dag na de Armeense ‘jetset’ en wodka aan de Saryanstreet. Ook voel ik mij opgelaten, vanwege de twee artikelen van de directeur die ik nog steeds niet heb gelezen, maar ook omdat bijna niemand weet van mijn aanwezigheid in Armenië. Het vreet aan mij. Hoe kan je met deze angst en geheimzinnigheid werken aan dialoog en vrede?

Brak, boos en met mijzelf in de knoop ga ik met mijn reisgenoten Fatma en Anush een uur vertraagd de deur uit. Om alles nog hectischer te maken hebben we voor vandaag ook nog eerst een tocht gepland naar Matenaderan gepland, het instituut voor oude handschriften. Een bijzondere plek, maar een beetje te veel van het goede.

Halverwege trek ik dan ook aan de bel. Tijd voor een snel kopje koffie met suikerbrood bij Grand Candy, een bosje bloemen, en dan met de eerste de beste Yandex-taxi naar Tsitsernakaberd, de heuvel waar het genocide-monument is gebouwd.

Gefrustreerd vanwege alle haast, en moe van de hangover, klap ik dicht. Even geen woord meer. En dat is precies wat ik nodig heb bij het monument. Ik wil alles op mijn eigen tempo tot mij nemen. En daarna natuurlijk het gesprek met de directeur. Hoe zou dat gaan?

In spanning komen we aan. Het is er vrij druk. Ik hoor mensen Turks, Engels en Frans praten. We lopen naar de gedenkplek. Ik leg bloemen bij de eeuwige vlam, die in het midden van het monument brandt voor de slachtoffers.

Het is ongemakkelijk. Hoe eer je op een waardige manier duizenden doden? En was het zojuist wel correct gegaan? Heb ik op het laatste moment niet te veel kracht gezet en de bloemen als het ware neergepleurd? En daarna? Hoe loop je terug? Keer je je rug om, of ga je stap voor stap naar achteren? Het voelt totaal mislukt. Het bericht op Facebook dat ik later die dag zou versturen, verraadt dat ook een beetje:

Flowers. We lay them on the ground to commemorate the dead. Today I did that in Yerevan. For all the victims of the Armenian genocide. Rest in peace brothers and sisters. You will not be forgotten.’

Het is mijn eerste – zuinige – post uit Armenië. En terwijl ik bezig was met dat bericht, belt mijn oom uit Turkije en vraagt hij waar ik ben.

OK, nu gaat het gebeuren. Ik zeg op een rustige toon: ‘In Yerevan, ik ben in Armenië’. Hij neemt het vrij koel op en wenst me een fijne avond. Dat gaat makkelijker dan ik dacht. Maar nu weer terug naar eerder die dag.

Het museum is een verdieping lager. Het eerste wat je beneden tegenkomt, zijn de twaalf gedenkstenen – met in het midden een kruis – die de twaalf ‘verloren provincies in West-Armenië’ symboliseren. Daarna volgt in ongeveer veertig hoofdstukken een geschiedenis van de Armeense Genocide. Het is zware kost.

Er is geen makkelijke of mooie manier om de systematische vernietiging van een volk te vertellen. Gruwelijke foto’s van verminkte lichamen: het is pijnlijk, verschrikkelijk en storend tegelijk. Er is geen ontkomen aan. En iedereen zou een keer in zijn leven moeten worden geconfronteerd met de ‘resultaten’ van nationalistisch geïnspireerde geweldsfantasieën. In dit geval een wandeling door de Armeense getuigenissen van Turkse en Koerdische vernietiging.

Bijna niemand weet van mijn aanwezigheid in Armenië. Het vreet aan mij

Dit gezegd hebbende, is het ook belangrijk kritisch te blijven. Zo schuren sommige passages in de hoofdstukken tegen het essentialistische aan, of zijn ronduit islamofoob te noemen. Neem nu het hoofdstuk met de titel ‘Ottoman culture of violence’:

Throughout its existence the Ottoman Empire fed on violence (mass murder, forced islamization, ‘human taxation’, looting) upon its Christian subjects.’

En later:

Brutality against the non-Muslim population, used to intimidate and spread terror among the Christian subjects, was an inseparable part of the ubiquitous Ottoman culture of violence. The first attempt at mass destruction of Armenians took place in 1725.’

Dat lijkt me kort door de bocht. Het Ottomaanse rijk heeft een geschiedenis van ruim zeshonderd jaar. Was dat allemaal terreur en vernietiging? Nee, zeker niet. Armeniërs en andere christenen hebben ook lange periodes van groei en bloei gekend. Er was samenwerking met Turken, Koerden en Arabieren. Ze waren onderdeel van het Ottomaanse systeem. Dat is niet te ontkennen. Dat blijkt ook uit deze passage, nota bene in het museum zelf:

Against the deprivation of rights, hindrances and persecution by the Turkish authorities, the Armenians succeeded in organization and development of their national, religious, socio-economic, educational and cultural life. The educational level in Armenian schools was so high, that even Turks preferred to educate their children there.’

Dat ‘zelfs’ Turken aan Armeens onderwijs de voorkeur gaven, was dat iets onvoorstelbaars? Of wordt hier – in algemene zin – het multiculturele Ottomaanse verleden vanuit een ahistorisch, etnisch perspectief bekeken? Ook merk ik ongemak bij activistische passages over het verzet tegen de genocide:

Thanks to resistance thousands of Armenians escaped deportations and slaughter. Many of them preferred to fall in battle, rather than to succumb to the order of deportation that was designed to destroy them all… The heroic self-defense of Van culminated in a glorious victory by the Armenians. Despite overwhelmingly manpower the Turkish army could not break the Armenian defense.’

Het is inderdaad een heldhaftige daad om je te verzetten tegen een genocidaal regime, maar de bittere realiteit was dat de meeste Armeniërs kansloos ten onder gingen in 1915-1916.

Met deze wirwar aan gedachten, ontmoet ik Anush en Fatma bij de ingang. Het is vier uur in de middag, op naar de nieuwe directeur van het museum: Harutyun Marutyan.

We worden vriendelijk ontvangen, en onder het genot van een cruciaal kopje koffie doen we een rondje met introducties. En dan de bekentenis dat ik de artikelen nog steeds niet heb gelezen.

‘Ik zou vooral het laatste stukje lezen, daar kan je mijn mening over dialoog vinden’, zegt de directeur. Mijn eerste indruk is die van een scepticus. Erkenning van de genocide is het primaire doel. En kun je hem ongelijk geven? Ook over mijn punt over Turkse en Koerdische helden die Armeniërs en Assyriërs hebben gered is hij voorzichtig. Hoeveel waren dat er nou eigenlijk?

Deze afhoudende antwoorden maken me des te nieuwsgieriger naar zijn artikelen. Na een uur te hebben gepraat, geven we elkaar de hand. Thuis val ik gelijk in slaap. De volgende dag begin ik dan eindelijk die artikelen te lezen.

Het ene artikel is nog confronterender dan het andere. Wat het meest beklijft is het besef wat Armeniërs verloren hebben. Ze hebben hiervoor geen erkenning, verontschuldiging of compensatie ontvangen. Dat gegeven verklaart de gereserveerde houding tegenover dialoog en verzoening. Hoewel je daarover anders kunt denken, is het belangrijk om je in te leven in die positie. En dat is ook onderdeel van dialoog. Luisteren naar de ander, hoe oneens je het ook bent met wat er gezegd wordt.

In de artikelen komt trouwens ook het recht op terugkeer aan de orde, een thema dat we vooral bij de Palestijns-Israëlische kwestie tegenkomen. Mocht het ooit tot een terugkeer komen, dan is het uiteraard ook een Koerdische zaak, want in de gebieden waar de Armeniërs woonden wonen nu voornamelijk Koerden. Ik weet niet of deze wens de groepen dichter bij elkaar zal brengen, maar het zou wel in alle vrijheid besproken moeten kunnen worden.

- Advertentie -

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here