8.8 C
Amsterdam

Adoptie is net zo universeel als moederschap

Mariska Jansen
Mariska Jansen
Journalist.

Lees meer

Als adoptiemoeder ben je niet alleen ouder, maar vaak ook hulpverlener. Dat is iets wat Hoda Hamdaoui zich van tevoren niet realiseerde.

Dat ze een kind wilde adopteren, wist Hoda Hamdaoui (49) al op jonge leeftijd. Samen met haar moeder was ze een groot fan van het tv-programma Spoorloos. Huilend op de bank zag ze hoe presentator Derk Bolt de wereld overvloog om adoptiekinderen met vaak straatarme biologische ouders te verenigen. Ze nam zich voor dat ze later ook een kind wilde aannemen.

Zo’n dertig jaar later was het zover, en kwam baby Damir – Arabisch voor ‘geweten’ – in haar leven. In het pas verschenen boek De goede mama (Uitgeverij Pluim), waarin vrouwen met migratieachtergrond vertellen over moederschap, doet ze haar verhaal. Ze vertelt hoe ze als alleenstaande adoptiemoeder de eerste jaren ervoer. Het was geen makkelijke tijd. Damir was een lief maar bewerkelijk kind dat veel zorg nodig had.

Na afloop van het interview met de Kanttekening stuurt ze een paar foto’s op van haar geadopteerde zoontje. Hij is inmiddels een flinke kleuter, met gevoelige ogen en een mooie bos donker haar. Hamdaoui werkte mee aan het boek, vertelt ze, omdat ze het belangrijk vindt dat vrouwen van kleur ook aanwezig zijn in de literatuur over het moederschap. Ze zijn nu amper vertegenwoordigd. Maar eigenlijk, zegt ze, gaat haar verhaal helemaal niet over afkomst. Want moederschap is universeel en een kind adopteren ook.

Hoe is Damir in je leven gekomen?

‘Ik heb nooit eigen kinderen gewild, omdat er zoveel kinderen zonder ouders zijn die een moeder nodig hebben. Bovendien was ik alleenstaand. Zonder dat iemand het wist, ben ik het adoptietraject ingegaan. In september 2018 is mijn dossier afgerond. Twee maanden later kreeg ik het belletje.
Damir is in Nederland geboren. Bij een binnenlandse adoptie gaat het meestal om baby’s. En in zijn geval wilde zijn biologische Koerdisch-Irakese familie dat hij bij een islamitisch gezin terechtkwam. Uiteindelijk is de keuze op mij gevallen, een alleenstaande vrouw. Ik vond dat verrassend, maar op dat moment waren er maar weinig islamitische adoptieouders. Ik heb in mijn dossier veel over mijn geloof gesproken. Dat ik het moskeebezoek als kind als ontzettend leuk heb ervaren en mijn kinderen ook islamitisch wil opvoeden. Dat heb ik er bewust duidelijk ingezet. Ik zou het erg vinden als een ouder met een christelijk geloof een kind afstaat dat vervolgens islamitisch wordt opgevoed zonder de kennis van de biologische moeder.’

Damir was bijna drie maanden toen Hamdaoui hem voor het eerst zag. Adoptiebaby’s wonen de eerste drie maanden bij een crisispleeggezin, zodat de biologische moeder eventueel kan terugkomen op haar besluit. ‘Achteraf gezien denk ik, dat is slecht voor een kind, want je wordt van moeder naar moeder geschoven’, vertelt Hamdaoui. ‘Eerst werd Damir weggerukt bij zijn biologische moeder, daarna moest hij drie maanden aan zijn tijdelijke pleegmoeder wennen en toen kwam ik, weer een vreemde. Het heeft mijn kijk op adoptie wel veranderd. Er is een grote kans dat een adoptiekindje hechtingsproblemen heeft. Hechten begint al in de baarmoeder.’

‘Hij praat non-stop, tot hij in slaap valt’

In De goede mama vertelt Hamdaoui hoe de kleine jongen haar stilletjes door het hele huis volgt wanneer ze bezig is met het huishouden. Ze schrijft: ‘Soms struikel ik zelfs over je omdat ik niet zie of hoor dat je zo dichtbij bent. Maar het moment dat ik je mijn volledige aandacht wil geven en je in mijn armen wil nemen of op schoot, stoot jij mij af. Ik mag niet te dichtbij komen.’

Hoe is jouw band met Damir nu?

‘Wij zijn wel gehecht inmiddels, maar het heeft veel tijd en energie gekost om dat voor elkaar te krijgen. Ik las mijn verhaal ter voorbereiding op dit interview terug. Ik heb even gehuild, het was zo’n moeilijke periode toen. Gelukkig gaat het al veel beter, maar het is nog niet helemaal oké. Ik houd van hem en hij houdt van mij natuurlijk, en ik ben zijn mama. Maar je merkt gewoon dat hij nog niet helemaal tot rust gekomen is na al die grote veranderingen.’

Hoe merk je dat?

‘Hij praat non-stop, tot hij in slaap valt. Het is van: ik praat dus ik ben. Hij is heel aanwezig, alsof hij bang is om vergeten te worden. Hij is ook erg onzeker en vraagt om bevestiging. Aan zijn vriendjes en vriendinnetjes stelt hij die vragen ook: ‘Zie ik er mooi uit met dit petje?’

We hebben veel therapieën gevolgd, hij zelf en ik ook. Ik moest mijn manier van praten en handelen beter afstemmen op hem. En ik heb nog steeds therapieën in de planning staan om met hem te gaan doen. Eigenlijk ben je als adoptiemoeder niet alleen ouder maar negen van de tien keer ook hulpverlener. Dat is iets wat ik mij van tevoren helemaal niet realiseerde.’

Weet hij dat hij geadopteerd is?

‘Ja ik ben daar heel open over. Ik heb helaas geen foto van zijn moeder. Laatst zat hij met een vriendinnetje op de achterbank van de auto. Het meisje vroeg of Damir Marokkaans is. Ik vertelde dat ik dat wel ben maar Damir niet. Het meisje vroeg of Damir ook een vader heeft. Toen antwoordde ik dat iedereen een vader heeft, maar dat ik niet weet wie de vader van Damir is en waar hij is. Dat begreep ze niet zo, en toen ik het uitlegde merkte ik dat Damir geconcentreerd luisterde. Het is sowieso een nieuwsgierig kind.’

Hoe vindt je familie het dat je een kind geadopteerd hebt?

‘Heel bijzonder. Niemand wist dat ik hiermee bezig was. Pas toen ik het telefoontje kreeg van de Raad voor de Kinderbescherming, heb ik het aan mijn moeder verteld. Ik dacht: wie weet krijg ik helemaal geen kind, dus ik houd dat adoptieproces voor me. Het was eenzaam om het niet te vertellen, maar dan krijg je ook geen goedbedoelde bemoeienis. Sommige familieleden schrokken een beetje. Mijn moeder vond het eigenlijk wel heel leuk, want zij is een echte oma, ze houdt van kinderen. Ze zei wel: ‘Oh, mensen zullen praten.’ Dan bedoelt ze dus over mij, een ongehuwde moslimvrouw die een kind heeft. ‘Hoe heeft ze dat kind gekregen?’ Maar daarna zei mijn moeder, en dat vond ik heel fijn: ‘Laat ze maar praten.’ En ze is ook gewoon helemaal gek op hem. Damir zegt soms ‘mama’ tegen haar. Voor hem voelt ze dus ook moederlijk.’

Voed jij je kind anders op dan je moeder?

‘Mijn moeder deed de eerste jaren de opvoeding ook alleen. We woonden toen nog in Marokko, mijn vader was hier in Nederland aan het werk. Ze had natuurlijk wel financiële steun, en dat is anders als je alleenstaande moeder bent. Mijn ouders zijn laaggeletterd. Zij brachten hun kinderen groot zoals zij dat geleerd hadden. En ik doe wat dingen vanuit een boekje en vanuit mijn eigen gevoel, maar er zijn ook veel overeenkomsten. Mijn moeder is ook altijd een beetje overbezorgd. En dat ik streng ben wist ik al wel, en de opvoeding is ook een beetje streng. In die zin verschil ik van Nederlandse ouders, die kinderen vaak heel vrij laten.’

Wat bedoel je?

‘Ik merk dat kinderen van echt Nederlandse ouders alles mogen. Brutaal zijn, rennen door een restaurant, er zitten nauwelijks consequenties aan vast. Daarin ben ik meer Marokkaans. Je moet je gedragen en respect hebben voor ouderen. Je mag niet alles roepen wat in je hoofd opkomt.

Damir op het strand

Het enige andere verschil speelde vroeger in mijn jeugd, en nu zie ik het weer. Als kinderen bij mij thuis kwamen, waren ze te gast en mochten ze daarom alles eten wat ze wilden. Maar als ik bij een Nederlands kind speelde, dan was er niet zoveel te eten. Ik weet nog goed dat ik als tiener een vriendinnetje ophaalde. Het was avond. Ze gingen net aan tafel en ik moest even wachten, zonder dat ze mij vroegen of ik ook iets wilde. Dat heb ik dus nooit aan mijn moeder verteld, want dan zou ik daar nooit meer over de vloer mogen komen. Ik keek daar anders naar, en dacht: ‘Zo zijn de meeste Nederlanders nu eenmaal. Dat ik moet wachten en kijken hoe ze eten.’’

Hoe denk je dat het verder gaat met jou en Damir?

‘Graag zou ik willen dat het allemaal goedkomt met hem, omdat ik mij wel zorgen maak. Aan de andere kant weet ik dat hij grote stappen zet. Zoveel dingen gaan al beter. Maar er komen ook weer nieuwe fases aan, zoals afgelopen jaar toen hij naar de basisschool ging. Ik maak mij er wel zorgen over dat ik straks een puberjongen moet opvoeden. Ik hoop eigenlijk dat hij nog een vader krijgt en dat ik de opvoeding niet alleen hoef te doen, want het is echt heel zwaar. Verder is het gewoon een heel lekker kind, ik hoop dat hij kan genieten van het leven. Toen ik hem voor de allereerste keer zag, dacht ik: ‘Hij heeft een oude ziel.’ Hij had ook drie grijze haren op zijn babyhoofdje. En nu: de ene keer gedraagt hij zich jonger dan hij is, als een peutertje bijna, maar het volgende moment kan hij heel zorgzaam en bezorgd zijn. Dan denk ik: ‘Arme jongen dat hoef jij niet te doen, je bent nog een kind.’’

Nu u hier toch bent...

Goede journalistiek kost geld. Leden en donaties maken onze gebalanceerde berichtgeving over biculturaliteit, zingeving en vrijheid mogelijk. Steun ons daarom als u ons werk belangrijk vindt.

Vertel mij meer!
- Advertentie -