8.5 C
Amsterdam

Erik Ader prikt in een nieuw boek zestien pro-Israëlische mythen door

Remco van Mulligen
Remco van Mulligen
Journalist, eindredacteur De Kanttekening

Lees meer

Erik Ader ontmantelt in zijn nieuwe boek zestien mythen over Israël. Persoonlijk heeft hij – zoon van ouders die in de Tweede Wereldoorlog Joden hielpen – een hele bekering doorgemaakt in hoe hij naar die Joodse staat kijkt. ‘Hamas is wel degelijk tot vrede bereid.’

Ader heeft zijn vader nooit gekend. Dominee Bastiaan J. Ader is in 1944 gefusilleerd door de Duitse bezetter. Erik, de jongste van twee zoons, was toen twee weken oud. Later werkte Erik Ader als diplomaat in onder andere Beiroet en Lima.

In de eerste decennia na de oorlog was de publieke opinie overweldigend positief over Israël. Het land leek een heilsstaat: de democratie, land van melk en honing, de woestijn bloeit. Geleidelijk ontdekte Ader dat de populariteit van Israël berust op mythen.

Ook zag hij ter plaatse hoe Israël alles wil uitwissen wat Palestijns is. Ader bezocht in het land een bos, geplant ter ere van zijn vader. De dertienhonderd bomen van dit Ds. Ader Bos bleken echter een bijbedoeling te hebben: ze verbergen de sporen van een Palestijns dorp dat op die plaats lag.

Ader schreef in 2020 Oorlogen & oceanen over zijn familiegeschiedenis. Dit jaar verscheen in het verlengde daarvan Kinderen van Amalek, waarin hij mythen en feiten benoemt over Israël en de Palestijnen. Het boek is gewijd aan zijn ouders, de ‘aanstichters’ van zijn betrokkenheid bij dit conflict.

Waarom heb je dit nieuwe boek geschreven?

‘Mensen denken vaak dat ze wel weten hoe het zit. Maar dat is een overschatting van de werkelijke situatie. Ik merk dat ook bij mezelf. Ik ben in de loop van de tijd van pro-Israël naar steeds kritischer geworden, ontdaan door wat de Palestijnen wordt aangedaan. Toch was er ook voor mij nog weer veel nieuwe informatie. Ik denk dat het over het algemeen met de kennis van dit conflict tegenvalt. Mijn boek wil systematische informatie geven over wat er is gebeurd en of onze beeldvorming klopt.’

‘Israël houdt niet meer de schijn op voor de buitenwereld’

Dat beeld is sterk bepaald door grote media zoals de NOS.

‘Ja, zeker. In die beeldvorming is wel wat verschoven. Eerst was het paradigma: alles wat Israël doet is goed. Nu is het: waar twee kijven, hebben twee schuld. Dat gaat echter nog niet ver genoeg. Want als je naar de feiten kijkt, kun je zonder moeite aanwijzen wie de agressor is in het conflict en wie de benadeelde partij is.

Ik denk dat vooral twee dingen onderbelicht zijn. Ten eerste het beeld van Israël dat de vredeshand uitsteekt, die door Arabische landen en Palestijnen constant wordt afgeslagen. Dat is hoe Israëlische propaganda werkt.

Ten tweede zijn mensen relatief onbekend met de religieuze impulsen die het Israëlische beleid en de Israëlische visie aan het dicteren zijn. Dat is vooral de laatste tijd duidelijk geworden, met de Smotrichs en Ben Gvirs in de regering [extremistische ministers in de huidige regering-Netanyahu in Israël, red.]. Weliswaar speelden de civiele en militaire autoriteiten al veel langer met die Joodse kolonisten onder een hoedje, maar het gaat steeds openlijker. Nu wordt het ook expliciet gesteund vanuit de regering. Israël houdt niet meer de schijn op voor de buitenwereld.’

Je noemt je ouders de ‘aanstichters’ van je betrokkenheid. In welke zin zijn zij dat?

‘Voor een antwoord daarop moet je kijken naar Oorlogen & oceanen, dat de context verschaft voor Kinderen van Amalek. Ik beschrijf in dat eerste boek de fietstocht die mijn vader in 1937 maakte naar Jeruzalem. Dat getuigde in die tijd van ondernemingszin. Op een herenfiets, over grotendeels ongeplaveide wegen die tocht afleggen. Daardoor kreeg ik in 1966, als 21-jarige, zin om ook zelf eens te gaan kijken in dit land dat overvloeide van melk en honing – het ‘wonder’, verricht door socialistische idealisten. Ik ben op bezoek geweest bij oud-onderduikers die bij mijn ouders hadden gewoond.’

Hoe kwamen die onderduikers bij je ouders terecht?

‘Mijn ouders kregen in 1942 een briefje van een Joodse kennis uit Amsterdam: “Ik verkeer in grote nood, kan ik bij jullie komen schuilen?” Ze moesten er even over nadenken. Het tweede gebod van Jezus, ‘heb je naaste lief als jezelf’, maakte dat ze vonden dat ze geen nee konden zeggen. Toen kwam zij dus bij mijn ouders wonen, in de pastorie in Noordoost-Groningen. Al gauw begon mijn vader systematisch Joodse landgenoten op te halen uit Amsterdam om ze te laten onderduiken, eerst in de pastorie, vervolgens ook bij anderen. Hij zette een hele organisatie op om dit te regelen. Een deel van die onderduikers bleef na de oorlog in Nederland, een deel ging naar Israël.’

Dat is nogal wat, als je een jong gezin hebt. Je oudere broer is geboren in 1942. Namen zij een enorm risico terwijl de rest van Nederland zich koest hield?

‘Hoe groot dat risico was, is wel gebleken.’

Wat was je ervaring toen je zelf oud-onderduikers ontmoette?

‘Ik maakte mijn reis niet met het vliegtuig, zoals in die tijd al gebruikelijk was, maar liftend, in het bandenspoor van mijn vader. Ik kwam daardoor door Libanon, Syrië en Jordanië – dat voor de Zesdaagse Oorlog van 1967 ook nog de Westbank omvatte. Daar stuitte ik op een werkelijkheid die ons in Nederland volstrekt onbekend was. Palestijnse vluchtelingen leefden daar in kampen, in armoedige omstandigheden, beroofd van hun middelen van bestaan, aangewezen op de bedeling. Uitzichtloos. Er was geen uitzicht op terugkeer. De omringende landen wilden hen ook niet opnemen en hadden daar goede redenen voor.

Hier komt mijn betrokkenheid vandaan. Dat was een geleidelijk proces. Ik sprak in Israël oud-onderduikers, maar als ik het had over mijn ervaringen onderweg in de omringende landen, was er geen belangstelling. Ze spraken alsof ik op het vliegveld bij Tel Aviv was uitgestapt en rechtstreeks bij hen was binnengekomen. Desalniettemin: natuurlijk waren die ontmoetingen bijzonder.’

Je bezocht ook het Ds. Ader Bos. Die ervaring was ook transformerend. Wat gebeurde daar?

‘Een chauffeur van het Joods Nationaal Fonds, dat dit bos had aangeplant, reed mij erheen. Ik zag aan dat bos weinig bijzonders en de chauffeur moest weer verder, dus ik stond onder tijdsdruk. Hij hield een lofzang op zijn broodheren, het Joods Nationaal Fonds. Zij hadden dit land groen gemaakt. Hij wees naar het oosten, waar je Jordanië kon zien liggen. Daar was het bruin en verschroeid. Logisch, want dat waren akkers na oogsttijd. Maar het verhaal van de chauffeur kreeg al snel overtones, die mij deden denken aan de racistische taal in de zuidelijke staten van de VS, waar ik een jaar eerder doorheen was gereisd – en waar ze het hadden over ‘luie n*g*rs’. Wat deze chauffeur in Israël zei, was iets soortgelijks: Arabieren zijn te lui om te werken en klagen alleen maar. Het ergerde me. Ik zei dat ik in Jordanië en Syrië was geweest en ook daar geïrrigeerde velden had gezien. Zijn mond viel open. ‘Ben je dáár geweest?’ Ja, zei ik. ‘En heb je iets goeds over ze te melden?’ Jazeker. Het waren heel aardige, beschaafde mensen. De stemming was daarna wel bedorven.’

‘Israël pretendeert mijn vader te eren, maar gebruikt zijn goede naam om de geschiedenis van een bloeiende Palestijnse gemeenschap uit te wissen’

Het Ds. Ader Bos was bedoeld om te misleiden, schrijf je in Oorlogen & oceanen. Hoe kwam je daar achter?

‘De eerste keer dat ik dat bos bezocht, was mij niets opgevallen. Een beetje heuvelachtig terrein, met jonge aanplant, vrij dicht beplant. Je kon er nog overheen kijken. Toen ik er in 2005 weer was, viel me op dat her en der op het terrein olijfbomen stonden van het formaat waarvan je zag: die zijn eeuwen oud. Toen ben ik nog wat beter gaan kijken. Er waren ook resten zichtbaar van wat eens terrassen waren geweest. Bomen en terrassen duidden op het eerdere bestaan van een olijfboomgaard. Niks woeste grond die tot bloei was gebracht.

Dus vroeg ik het Joods Nationaal Fonds om uitleg. Ik vertelde dat ik nieuwsgierig was naar de geschiedenis van het gebied, maar ze zeiden dat ze daar niets van wisten. Degene die ik sprak noemde wel de naam van een Joods dorp dat hier rond het begin van de jaartelling moest hebben gelegen. Maar wat er in de eeuwen daarna was gebeurd, dat interesseerde ze niet. Zo konden ze blijven denken dat het land leeg was, toen ze arriveerden.

Het Joods Nationaal Fonds zou voor mij nagaan wat de geschiedenis was geweest van de plek van het bos. Een dag later heb ik nog eens gebeld en een paar maanden later opnieuw.  Ze zouden het laten weten – maar ik heb nooit antwoord gekregen. Intussen was ik op een Israëlische organisatie gestuit die al langere tijd bezig was systematisch in kaart te brengen waar voormalige Palestijnse dorpen hebben gelegen en wat er met de inwoners is gebeurd. Zo ontdekte ik dat het bos ligt op de plek waar voor 1948 een Palestijns dorp lag, en welk dorp dat was. In oktober van dat jaar zijn de inwoners verdreven. Via contacten heb ik iemand gevonden en gesproken die destijds aan de hand van zijn ouders uit dit dorp is gevlucht en sindsdien in een vluchtelingenkamp bij Bethlehem woont.’

Was je reis in 1966 het begin van deze geleidelijke ‘bekering’?

‘Ja, die reis had veel dimensies. Het was ook een beetje het begin van een zoektocht naar mijn vader. Ik heb hem niet gekend. Wat zou hij voor man zijn geweest? Via de verhalen die ik over hem hoorde, was hij heel aanwezig. Maar waarom moest hij als pasgetrouwd man zo nodig op de fiets naar Jeruzalem? Dus dat ik weet wat ik nu weet over Israël, heb ik te danken aan mijn ouders. En nu ik het weet, kan ik daar niet over zwijgen.’

Je kwam er ook achter dat het Joods Nationaal Fonds op veel meer plekken de Palestijnse geschiedenis verdoezelt. Is het een systematisch project?

‘Ja, ze hebben overal dit soort schanddaden begaan. Het is een schandaal in het kwadraat: dat je pretendeert iemand te eren en in werkelijkheid zijn naam gebruikt om bij goede gevers geld uit de zak te kloppen dat je aanwendt om de sporen van een florerende agrarische gemeenschap uit te wissen die je zelf eerst het slachtoffer hebt gemaakt van etnische zuiveringen.’

Een belangrijke mythe in je boek is die van Israël als enige democratie in het Midden-Oosten. Dat klinkt toch redelijk, als je kijkt hoe rampzalig omringende landen worden bestuurd?

‘In vergelijking met de omringende landen is Israël beter, ja dat klopt. Maar wij hebben altijd de neiging om Israël te zien als een land als wij. Een modern en beschaafd land. Maar als je 20 procent van je bevolking niet behandelt als volwaardige staatsburgers, dan is dat niet zo. Het is geen volwaardige democratie. Iedereen die niet Joods is, is tweederangsburger.

Een tweede punt: in 2006 waren er verkiezingen in de Palestijnse gebieden. Eerlijk, zowel in de aanloop als op de verkiezingsdag zelf. Alleen vonden Israël en daarmee wij in het Westen de uitslag onaanvaardbaar, omdat Hamas die verkiezingen won.’

Die westerse huiver voor Hamas, is die niet logisch?

‘Je zou huiverig kunnen zijn, als je gelooft dat Hamas een bloeddorstige, irrationele en fundamentalistische organisatie is. Dat is het beeld dat Israël cultiveert. Wie zich werkelijk verdiept in hoe Hamas is begonnen en waar ze voor staan en wat er met hen aan overeenkomsten bereikt had kunnen worden…’

‘Israël heeft een tweestatenoplossing systematisch gesaboteerd. Die is al jaren zo dood als een dodo’

Dit raakt aan een andere mythe: dat Palestijnse ‘haatzaaiers’ vrede in de weg staan. Klopt dus ook niet? Hamas wilde toch lange tijd Israël van de kaart vegen?

‘Hun oude handvest is vervangen door een nieuw handvest waar dat doel niet meer in staat. Voor de bühne wekken ze nog wel de indruk dat dit het uiteindelijke doel is. Ze streven naar een staat tussen de Middellandse Zee en de Jordaan, met one man, one vote. Dat betekent niet dat de Joden weg moeten. Alleen dat Joden niet meer kunnen overheersen.’

Veel Joden vrezen dat zij dan zelf tweederangsburgers worden. Terechte vrees toch?

‘Dat zou kunnen gebeuren natuurlijk, omdat het zo gepolariseerd is. Israël heeft een tweestatenoplossing systematisch gesaboteerd. Die is al jaren zo dood als een dodo. Wat blijft er dan over? Hamas heeft, zo heb ik uit verschillende bronnen, in een brief aan de Israëlische regering vastgelegd dat ze bereid zijn tot het sluiten van vrede. Eerder heeft Hamas ook aangegeven een overeenkomst met Israël te accepteren wanneer de Palestijnse bevolking zich daarover in een stemming kan uitspreken. Hamas heeft dus veel water bij de wijn gedaan.’

Een idee dat als rode draad door diverse mythes heen loopt is dat Israël altijd alleen maar heeft gereageerd op agressie. De anderen zijn begonnen.

‘Kortheidshalve verwijs ik in antwoord hierop naar het boek van Zeev Maoz, docent aan de Militaire Academie in Israël en later hoogleraar in Californië, die heel systematisch op een rij heeft gezet hoe Israël telkens heeft gekozen voor de aanval als beste verdediging. Het land heeft steeds weer verzuimd diplomatie een kans te geven. Maoz laat zien dat dat beleid teruggaat tot 1948.’

Israël moet wel, antwoorden mensen dan. Want als het niet een militair overwicht heeft, zal een land als Iran haar dreigementen waarmaken en Israël vernietigen. Dat is ook waarom mensen boycot, desinvestering en sancties (BDS) anti-Israëlisch en antisemitisch vinden.

‘In hoeverre Iran werkelijk een bedreiging is, is de vraag. En ik denk dat het goed zou zijn als er boycot, desinvestering en sancties komen, om Israël te dwingen serieuze onderhandelingen te beginnen over een op gerechtigheid gebaseerde duurzame vrede, ook in het belang van Israël zelf. Ik ben alleen wel bang dat dat een gepasseerd station is, met name door de nederzettingen.’

Vorig jaar ontstond er een stormpje rond een opinieartikel dat je in het Nederlands Dagblad schreef. Je betoogde toen: Israël is hoofdschuldige. Dat riep ontzettend veel reacties op. Zo schreef Lody van de Kamp – die ook bij de Kanttekening columnist is – dat beide kanten heftige dingen roepen. Jij staat dan aan één kant. En wat we volgens hem vergeten is naar elkaar te luisteren. Dat klinkt redelijk, toch?

‘Dat is de val die steeds weer wordt opgezet. Een beroep op redelijkheid, maar dan wil men graag zelf invullen wat die redelijkheid dan is. Er zit al een standpunt in: dat er twee kanten aan de zaak zitten. Wat ik doe, is nadrukkelijk één kant belichten, de onderbelichte kant, de kant van de onderdrukte. Ik zeg: lees die feiten en kijk wat je ermee doet.’

‘Het heeft niet zo veel zin een gesprek te voeren over Israël als de feiten niet bekend zijn, of op basis van emoties’

Lody van de Kamp vindt luisteren belangrijk. Ik denk dat weinig mensen daar anders over denken.

‘Nou, dat weet ik niet, maar ik help het je hopen. Mensen definiëren luisteren natuurlijk ook verschillend. Maar op een zeker moment vind ik die ander zo onredelijk dat het ophoudt, dan houdt het luisteren op. Ik vind het moeilijk me te verstaan met mensen die het internationaal recht ondergeschikt achten aan hun privé-opvattingen of het wel oké vinden als mensenrechten worden geschonden wanneer Israël dat doet.

Andere ingezonden reacties op je stuk zeggen: dit is zo onredelijk, zo breng je een oplossing niet dichterbij. Hoe kun je met die mensen in gesprek blijven?

‘Ik beschouw dat wel een beetje als een verloren zaak. Er zijn geharnaste pro-Israël-advocaten die ik niet kan en wil bereiken.

Jij reageerde in het Nederlands Dagblad op een column van oud-buitenlandcorrespondent Aad Kamsteeg. En hij reageerde weer op jou met de boodschap dat hij een heel eind met je kan meegaan. Jullie waren dus toch in gesprek. Maar hij zegt dat jij de ‘bloedige Arabische agressie’ negeert.

‘Welke bloedige Arabische agressie? Dat is mijn vraag aan hem. Dit is een van de dingen die ik in mijn boek als mythe ontmasker.’

Is het gesprek met Kamsteeg een zinvol gesprek? Ik probeer af te tasten waar voor jou de grenzen liggen.

‘Ik ben graag bereid om met iedereen een gesprek te voeren op basis van de feiten. Het heeft niet zoveel zin om gesprekken te voeren als die niet bekend zijn, of op basis van emoties. De feiten die ik noem zijn alle verifieerbaar en gebaseerd op serieuze bronnen, bijna allemaal joods-Israëlisch. Het loont om daar kennis van te nemen. Los daarvan en voor alle duidelijkheid: met Lody van der Kamp en Aad Kamsteeg acht ik een gesprek natuurlijk wel zinvol.

Zit er beweging in het maatschappelijk debat?

‘Ik meen wel wat beweging te zien. Ik zie bijvoorbeeld bij de ChristenUnie-jongeren die de oudere generatie ter verantwoording roepen en zeggen: ‘Hé, wacht eens even, wat gebeurt hier? Waarom geldt het internationaal recht hier niet? Waarom laten jullie dat lopen?’’

Zestien mythen

Erik Ader werkte jarenlang in het Midden-Oosten, reisde door Israël en Palestina en vergaarde door de jaren heen veel kennis over het conflict. In Kinderen van Amalek verzamelt hij zestien mythen, die hij wil weerleggen aan de hand van feiten. Het gaat om de volgende mythen:

  1. Een land zonder volk voor een volk zonder land
  2. Het vluchtelingenprobleem is het gevolg van Arabische agressie
  3. Wij staan quitte na de verdrijving van de Joden uit de Arabische landen
  4. De Palestijnen hadden een eigen staat kunnen krijgen als zij het verdelingsplan van de VN uit 1947 hadden geaccepteerd
  5. De Zesdaagse Oorlog is begonnen voor Arabische landen
  6. Israël bood in 1967 al bezet gebied aan in ruil voor vrede
  7. De Jom-Kippoeroorlog is het bewijs dat Arabische landen uit zijn op de vernietiging van Israël
  8. Israëls uitgestoken vredeshand
  9. Het mislukken van Camp David in 2000 is de schuld van Arafat
  10. Israël vocht in de voorhoede van de War on Terror
  11. Praten met Hamas is even verwerpelijk als zinloos
  12. De blokkade van Gaza is nodig om te voorkomen dat Hamas zich bewapent
  13. Palestijns haatzaaien staat het bereiken van vrede in de weg
  14. Israëlisch geweld is legitieme uitoefening van staatsmacht, Palestijns geweld is terrorisme
  15. Israël is de enige democratie in het Midden-Oosten
  16. Kritiek op Israël is een vorm van crypto-antisemitisme

Nu u hier toch bent...

Goede journalistiek kost geld. Leden en donaties maken onze gebalanceerde berichtgeving over biculturaliteit, zingeving en vrijheid mogelijk. Steun ons daarom als u ons werk belangrijk vindt.

Vertel mij meer!
- Advertentie -