‘Het gevoel hebben dat je hier hoort, ongeacht waar je vandaan komt’

Foto: Jitske Schols
‘Ik ben ook Nederlander, dus waarom noem ik mij niet gewoon zo? Ik wil niet me niet meer afvragen of ik nou meer Somalisch of meer Nederlands ben. Who cares, ik ben allebei!’

2018 was een roerig jaar, met december als de donkere climax. De discussie rondom Zwarte Piet polariseerde tot het uiterste. Nawal Mustafa is één van de opiniemakers in dit debat. De Kanttekening bevroeg haar over de stand van zaken in het racismediscours.

Hoe kijk jij naar het racismedebat?
‘Een groep in de samenleving is lang gemarginaliseerd en zegt ‘dit is ook míjn land’. Ik wil niet gekwetst en uitgesloten worden. Anderen hebben het gevoel dat ze iets aan het verliezen zijn. De uitingen van die laatste groep zijn soms heftig. Op Facebook kwam er in de Sinterklaastijd een bericht langs over een Zwarte Pieten-huwelijk, compleet met een witte jurk. Als je zo’n opname maakt, wil je de ander vooral pijn doen. Aan de andere kant zie ik ook veel mooie dingen. Mensen van verschillende achtergronden raken in gesprek over uitsluiting en discriminatie, er worden debatavonden georganiseerd over de impact van racisme. Tegelijkertijd vind ik het lastig dat mensen zoals ik, met een andere achtergrond, er steeds op moeten wijzen dat er racisme is en hoe het is om gediscrimineerd te worden.’

Maak jij zelf racisme mee?
‘Ik ben in Groningen opgegroeid. Daar is openlijk racisme, ik had veel ruzies op school en werd uitgescholden op straat. Ik woon nu in Amsterdam, daar gebeurt dat niet of nauwelijks. Wel maak ik uitsluiting mee. Op mijn werk aan de universiteit wordt regelmatig naar mijn pasje gevraagd. Waarom word ik er uitgepikt en mijn collega-promovenda niet? Omdat in onze hersenen het beeld bestaat dat mensen op de universiteit wit zijn. Een subtiele vorm van uitsluiting, waar je tegenaan loopt als je klimt op de maatschappelijke ladder.’

Is dat niet een proces dat tijd nodig heeft? Als er straks meer Nawals aan de universiteit werken, verandert dat.
‘Nee, het gaat niet alleen om aanwezigheid, maar ook om de mindset. De impliciete informatie die je meekrijgt in je jeugd, op school, op tv. De kunst is dat je beseft dat ook jij vooroordelen hebt en dat je er vervolgens wat aan doet. Ik kan niet denken ‘als ik maar lang genoeg wacht, wennen ze aan mij en dan wennen ze aan de volgende Nawal’. Het besef dat daar iemand zoals ik kan rondwandelen, daar is echt een bewuste verandering van gedachten voor nodig. Ik ben in Somalië geboren en in Groningen opgegroeid, in asielzoekerscentra en later in een roa-woning in Winschoten (regeling opvang asielzoekers; woning bestemd voor asielzoekers die nog hun procedure afwachten maar bijna zeker zijn van verblijf in Nederland, red.). Mijn moeder heeft vanaf het begin gezegd dat Zwarte Piet een rare traditie is. In het azc vonden zwarte mannen de Sinterklaasperiode verschrikkelijk, omdat ze overal buiten het centrum voor Zwarte Piet werden uitgescholden. Ik zag mijzelf als nieuwkomer en vroeg me altijd af ‘hoe gaan die donkere Nederlanders – de Surinaamse en Antilliaanse inwoners – hiermee om?’ In het azc domineerde de klassieke migrantenhouding; dit is niet mijn samenleving, ik ben hier te gast, ik kijk alleen maar. Dat is ook de houding van mijn moeder.’

Dat is niet jouw houding?
‘Absoluut niet. Dit is mijn land, ik ben hier opgegroeid, ik heb net zoveel rechten en plichten als ieder ander. Het feit dat ik mij opwind over discriminatie, heeft ook te maken met het feit dat ik om Nederland geef. Als je niet van een land houdt, is het makkelijker om je ervan te distantiëren. De Amerikaanse socioloog Eduardo Bonilla-Silva schreef het boek Racism without racists. In onze samenleving wil niemand racist genoemd worden, maar tegelijkertijd is racisme er wel. Op papier zijn rassendiscriminatie en uitsluiting verboden. De realiteit is dat veel jonge Marokkaanse Nederlanders drie keer per week worden aangehouden door de politie. Ze denken, die dure auto klopt niet, we moeten dit checken. Ik weet nog goed dat ik met mijn broertje van negen door ons dorp fietste. Hij was enthousiast een verhaal aan het vertellen en slingerde een beetje. Een oudere dame die langsliep maakte hem uit voor slingeraap. Mijn broertje hoorde het niet. Ik hield mijn mond. Had ik er wat op gezegd, dan confronteerde ik mijn broer met racisme en zou ik zijn kindertijd misschien opschrikken. Dat wilde ik niet, maar het zat me zo dwars. Racisme gaat allang niet meer over gelijke rechten. Het gaat om het gevoel hebben dat je hier hoort, ongeacht waar je vandaan komt. Het heeft ook te maken met het zelfbeeld van Nederlanders. Ze herkennen zich niet in mijn zwarte broertje, want hij lijkt niet op hun kind. Dat verandert pas als we onze perceptie van wat Nederlands is veranderen.’

Voor jou zal discriminatie nog merkbaarder zijn, je draagt een hoofddoek.
‘Ik kan mijn religie en mijn kleur niet scheiden van wie ik ben, het is allemaal één groot mengsel. Op 11 september 2001 was ik veertien en droeg ik een hoofddoekje. Ik was gewend aan gescheld; ‘neger’, ‘theedoek’, ‘ga terug naar je land’. Na 9/11 ging het plotseling over mijn religie. Er werden vragen aan mij gesteld over theologische en politieke kwesties, waar ik als tiener geen verstand van had. Op een gegeven moment was ik zo moe. Ik dacht, ik wil mijzelf kunnen zijn. Ik wil niet meer uitleggen waarom ik moslim ben en wat mijn religie zegt over mannen, vrouwen, homo’s – alles. En het gaat maar door. Laatst vroeg een journalist wat vrijheid en gerechtigheid voor mij betekent. Ik was vier toen de oorlog in Somalië uitbrak, we hebben rondgezworven en zijn al snel in Nederland terechtgekomen. Natuurlijk, mijn ideeën over vrijheid en gerechtigheid zijn beïnvloed door mijn opvoeding, maar vooral ook door de plaats waar ik ben opgegroeid. Niet door Somalië, waar ik mij maar weinig van herinner.’

Waarschijnlijk heeft die journalist een bepaalde verwachting. Jouw perspectief is vast behoorlijk internationaal.
‘Ja, dat denk ik ook wel. Mijn familie woont verspreid over de wereld. Veel geopolitieke verhoudingen raken mijn familie en daarmee ook mij; de Muslim ban (het inreisverbod voor moslims naar de VS), de vluchtelingencrisis. Ik heb neven die met gammele bootjes naar Italië zijn gevaren. Familieleden die vermist raakten tijdens de gevaarlijke tocht door de woestijn en waar we later losgeld voor moesten betalen. Ik heb Nederland altijd als mijn veilige thuis ervaren. Dat veranderde na de aanslagen in Parijs en Brussel in 2015 en 2016. Opeens ging ik nadenken of het wel veilig voor mij is op straat. Ik weet nog dat ik op een vrijdagavond in de trein zat. Er kwamen van die grote witte mannen binnen met tatoeages. Ze hadden gedronken en waren luidruchtig. Ik was bang en probeerde mij zo klein mogelijk te maken. Natuurlijk realiseer ik mij ook hoeveel privileges ik heb, ook al word ik uitgesloten en voel ik mij soms niet veilig. Somalië is na een jarenlange burgeroorlog grotendeels in handen van al-Shabaab, een terroristische organisatie, terechtgekomen.’

Hoe is jouw relatie met Somalië?
‘Ik ben er sinds mijn vlucht niet meer geweest. De asielprocedure duurde meer dan tien jaar, daarna volgde een tijdelijke verblijfsvergunning. Toen ik eindelijk een Nederlands paspoort kreeg en mocht reizen, was ik tweeëntwintig en student. Wat Somalië meer op een afstand heeft geplaatst is de dood van mijn oma vorig jaar. Zij was mijn laatste grootouder. Ik heb haar als klein meisje in Somalië gekend en daarna altijd telefonisch contact met haar gehad. Ik zag haar als mijn schakel met Somalië. Het is alsof iets is doorgeknipt. Somalië is minder van mij en ik hoor minder bij Somalië. Om je thuis te voelen zijn relaties belangrijk. Vriendschappen, maar ook het praatje bij de bakker waar ik altijd brood koop. Ik heb goede gesprekken met een dierbare vriendin, ze is wit en belijdend christen. Al die identiteitsmarkers die ons zo anders maken – zwart, wit, moslim, Somalisch – doen er bij ons niet toe. Ik geloof dat échte gesprekken, waarin je je kwetsbaar en open opstelt, je diepgaand kunnen beïnvloeden. Ik luister vaak naar de podcasts On Being van de Amerikaanse journaliste Krista Tippett. Het zijn zulke fijne gesprekken met allerlei schrijvers en denkers over samenleven en religie, ik haal er inspiratie uit. Ik ben ook benieuwd naar onze geschiedenis, naar Anton de Kom, de Curaçaose verzetsstrijder Tula. We weten maar weinig over ze. Een paar jaar geleden bezocht ik Amerika. Van tevoren was ik huiverig, want ik ben zwart en draag een hoofddoek. Maar er gebeurde niets. Ik ging met zo’n Greyhound-bus van New York naar Washington. Het was heel druk bij de vertrekhalte. De buschauffeur was zwart, alle passagiers waren zwart of hadden een Aziatisch uiterlijk. Er was één witte jongen bij. Hij vroeg  aan mij ‘is het hier altijd zo chaotisch?’ Ik zei ‘I don’t know, ik kom hier niet vandaan’. ‘Waar kom je dan vandaan’, vroeg hij. ‘Somalië’, zei ik. Hij snapte het niet en zei ‘Nee, waar woon je?’ We hebben vier uur lang in de bus gepraat, over politiek, over fraude. Geen enkele keer heeft hij gevraagd waarom ik een hoofddoek draag en of ik onderdrukt word. Ik dacht, waarom word ik thuis altijd met vragen geconfronteerd en hier niet? Natuurlijk is er racisme in Amerika, maar het was een verademing om mij niet steeds te hoeven verantwoorden.’

Hoe komt dat?
‘Iedereen noemt zich American. De Amerikaanse identiteit staat op de voorgrond, het is hét verbindende element. Niemand is geïnteresseerd in waar je voorouders vandaan komen, want iedereen heeft een migratiegeschiedenis. Je bent er een individu, geen representant van een groep. Dat is anders dan de Nederlandse identiteit is. Die is wit. Na die busreis in Amerika dacht ik: ik ben ook Nederlander, dus waarom noem ik mij niet gewoon zo? Ik wil niet me niet meer afvragen of ik nou meer Somalisch of meer Nederlands ben. Who cares, ik ben allebei!’

Dit artikel kwam tot stand dankzij een subsidie van de Stichting Maand van de Filosofie.

DELEN
Mariska Jansen
Journalist gespecialiseerd in religie en filosofie.