5.9 C
Amsterdam

Oud-correspondent Jan Keulen: pessimistisch over ‘zijn’ Midden-Oosten

Lees meer

Tientallen jaren werkte Jan Keulen (72) als correspondent in het Midden-Oosten. Later was hij directeur bij het Doha Centre for Media Freedom in Qatar. In zijn vandaag verschenen boek De oorlog van gisteren beschrijft hij zijn Midden-Oosten-ervaringen. ‘De oorlog maak je mee en die gaat niet meer weg.’


‘Ik heb me vaak afgevraagd wat me ertoe bracht telkens terug te gaan naar de Arabische wereld. Het was beslist geen liefde’, schrijft Keulen in zijn nieuwste boek. ‘Ik heb me altijd willen distantiëren van het predicaat oorlogsjournalist’, vertelt hij via Zoom. ‘Oorlog was nooit mijn drijfveer. Ik was gewoon oprecht geïnteresseerd in de landen en de problemen die daar speelden.’

Dat daar telkens oorlog woedt, is toeval. Of misschien wel gewenning. Zijn eerste ‘echte journalistieke ervaring’ doet Keulen op in de Westelijke Sahara, als hij meeloopt met onafhankelijkheidsbeweging Polisario, die strijd tegen de Marokkaanse bezetter. Daarna maakt hij als Spanje-correspondent reizen naar Algerije, Marokko en Soedan. ‘Ik voelde daar een soort verwantschap mee, interesse is zo een zakelijk woord. Waar dat vandaan kwam weet ik niet.’

In 1980 begint hij als correspondent in het Midden-Oosten, in Beiroet, terwijl de Libanese Burgeroorlog daar gaande is. Hij doet er uitgebreid verslag van voor de Volkskrant, de Standaard en verscheidende radionieuwsrubrieken van de publieke omroep. Later is hij onder meer correspondent in Egypte en Jordanië, en directeur van het Doha Centre for Media Freedom in Qatar.

‘Op een gegeven moment voelde ik de behoefte om terug te kijken, wat misschien normaal is op een bepaalde leeftijd. Ook om een rode draad te identificeren, te bedenken in wat voor een wereld ik eigenlijk heb gewerkt. Er kwam één woord bovendrijven voordat ik ook maar een woord had geschreven. Dat woord was ‘islam’.’

De islam speelt in die tijd – en nog steeds – een prominente rol in de regio, vertelt Keulen. De gebeurtenissen in 1979, het jaar voordat hij naar Beiroet vertrekt, hangen ermee samen: de Sovjet-Unie valt Afghanistan binnen, in Iran maakt de islamitische revolutie een eind aan het regime van de sjah en in Mekka wordt de Grote Moskee bezet door religieuze extremisten.  Het zijn allemaal factoren die hebben geleid tot een grotere rol van de politieke islam en van de islam in het sociale leven.

Als ik het boek zo lees, dan zie ik geweld ook als terugkerend motief. U ook?

‘Dat is ook een beetje een open deur, natuurlijk. Er was nauwelijks ooit geen geweld. Er is in het Midden-Oosten een totaal gebrek aan dialoog, aan diplomatie, aan de ander dusdanig respecteren dat je ermee aan tafel gaat. Kijk naar Israël en Palestina, maar kijk ook naar het Syrische conflict waarbij we Assad allemaal zo een klootzak vinden – ik zeg ‘we’, ik bedoel het Westen en veel Syriërs – dat we niet met hem willen onderhandelen.’

Is dat niet logisch, niet met een man willen onderhandelen die gifgas op zijn eigen bevolking gebruikt?’

‘Het is uitermate begrijpelijk, maar tegelijkertijd onlogisch. Wat blijft er over als je niet praat? Geweld. En geweld lost weinig op. Dat klinkt als een vroom praatje. Maar als je kijkt naar de periode dat ik in het Midden-Oosten zat: de oorlog in Libanon, die vijftien jaar heeft geduurd, die hield op een gegeven moment op. Waarom? Niet omdat er een oplossing was gevonden voor de problemen die ten grondslag lagen aan het conflict. Ook niet omdat een partij gewonnen had. Maar omdat iedereen gewoon ontzettend moe was van die oorlog. Er was niks meer te winnen.’

‘Oorlog zorgt ook dat je hele intense goede ervaringen hebt, zoals vriendschap en solidariteit’

Wat gebeurt er met een correspondent die plots in een oorlogsgebied komt te wonen?

‘Het is geen fijne ervaring, niet iets waar ik met plezier op terugkijk – soms zelfs met pijn in mijn buik. Maar oorlog heeft ook tot gevolg dat je hele intense goede ervaringen hebt, zoals vriendschap en solidariteit. En het heeft nog iets heel idioots, dat je je schuldig voelt als je er niet meer bent.

‘Tijdens het beleg van Beiroet in 1982 heb ik mij ontzettend schuldig gevoeld. Ik woonde zelf in het westelijke gedeelte (gecontroleerd door de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie, red.), het gedeelte dat belegerd werd. En ik moest zo nu en dan over de groene lijn naar het oostelijke gedeelte (in handen van christelijke organisaties, red.) om kopij door te geven; in mijn stadsdeel werkte de telefoon niet meer. Soms bleef ik daar een nachtje slapen omdat het lastig was om ’s nachts terug te gaan. Dan zag ik dat mijn stadsdeel werd gebombardeerd en voelde ik me schuldig. Ik wilde niet daar zijn waar ik veilig was, ik wilde zijn waar mijn vriendin was, waar mijn vrienden waren.’

Wat deed de Libanese burgeroorlog uiteindelijk met u?


‘De oorlog die maak je mee en die gaat niet weg. Die blijft bij je. Het leidt soms ook tot enige vervreemding. Ik herinner mij dat ik uit Beiroet kwam, in Nederland aankwam, en op Schiphol al die vakantiegangers zag. Al die mannen in korte broeken. ‘Waar zijn die mee bezig?’, dacht ik. Daar zie ik wel gevaar in: dat mijn gevoel zegt dat het echte leven oorlog is. Niet dat zorgeloze, vrolijke oppervlakkige gedoe. Want dat is natuurlijk niet zo.’

In uw boek bent u kritisch op Israël. U schrijft: ‘Volgens mij is de Joodse staat in wezen sektarisch. Het is een staat waar de ander, de niet-Jood, wordt uitgesloten.’ Dat klinkt als apartheid.

‘Ik denk dat je zeker kunt spreken van een systeem van apartheid. Dan bedoel ik, als we het vriendelijk zeggen, dat er privileges zijn voor één groep en een andere groep achtergesteld wordt. Je ziet een enorme verharding in Israël. De politiek trekt nog verder naar rechts. Daar ben ik niet optimistisch over. Ik ben überhaupt niet optimistisch.’

Hoezo niet? De meeste mensen zeggen altijd wel een sprankje hoop te hebben.

‘Een sprankje is maar een sprankje. En als je geen sprankje hebt, wat doe je dan nog? Dan kan je net zo goed je mond houden. Ik heb ook wel een sprankje hoop, maar dat betekent niet dat ik optimistisch ben. Ik ben zelfs pessimistisch.’

Dat komt, vertelt Keulen, doordat er de veertig jaar nauwelijks conflicten in het Midden-Oosten en Noord-Afrika zijn opgelost. Het ‘vredesproces’ tussen Israël en Palestina bestaat al jaren niet meer, Israël trekt naar nationalistisch rechts, wat het juist ingewikkelder maakt. De oorlog in de jaren tachtig tussen Irak en Iran kende geen overduidelijke winnaar – die is vooral beëindigd door oorlogsmoeheid, zegt hij. ‘We strijden nog steeds tegen de invloed van Iran, ook daar is niets opgelost.’

‘Ik denk dat je in het geval van Israël zeker kunt spreken van een systeem van apartheid’

Keulen: ‘Een ander conflict dat mij aan het hart gaat speelt zich af in de Maghreb. Het gaat om het zelfbeschikkingsrecht van de Sahrawi (een nomadisch volk dat in de Westelijke Sahara woont, red.). Het is misschien een klein volk, en een klein en stil conflict, een low intensity war. Maar het is ook een illustratief conflict. Dezelfde vluchtelingen die ik veertig jaar geleden bezocht in kampen in Algerije zijn ofwel dood of oud geworden in die kampen. En nieuwe generaties zijn erin opgegroeid.

‘Ik ben absoluut geen pessimistisch ingesteld persoon, alleen wel wat dit betreft. Daarbij komt nog eens kijken dat ik jarenlang bezig ben geweest met journalistiek in de Arabische wereld. Mijn idee was en is dat goede journalistiek overal belangrijk is, maar zeker in die regio. Wat we zien is dat na de Arabische lente de autoritaire regimes zich hebben versterkt en dat de persvrijheid is afgenomen. Alle lijntjes lopen naar beneden.’

In uw boek beschrijft u ook uw tijd als directeur van het Doha Centre for Media Freedom in Qatar. Daar wordt u uiteindelijk ontslagen. Bent u van een koude kermis thuisgekomen?

‘Nee, helemaal niet. Dit was iets waarvan ik wist dat het kon gebeuren, vanaf dag één. Toen ik er een paar jaar werkte was ik er ook van overtuigd dat het zou gebeuren. Daar werken was soms een beetje een soap.’

U zat daar niet voor de bühne? Dat de Qatari’s kunnen zeggen: kijk, we hebben iemand uit Nederland met veel journalistieke ervaring die het centrum leidt.

‘Ik was mij zeer wel bewust dat dit centrum deel was van het soft power-narratief van Qatar. Maar dat vond ik helemaal niet erg, want het deed niks af aan het werk wat ik kon doen. Het Doha Centre was gemodelleerd naar RSF (de internationale perswaakhond Reporters Without Borders, red.). Dus één van de dingen die wij deden was steun verlenen aan journalisten die in de problemen waren gekomen. In de gevangenis, in het ziekenhuis of zelfs overleden. Dat deden we in het Midden-Oosten, maar ook in Afrika. We hebben echt honderden journalisten kunnen helpen. Daarnaast hebben we trainingen kunnen geven aan journalisten en journalisten die moesten vluchten – uit Somalië bijvoorbeeld – kunnen opvangen.’

Beeld: Jurgen Maas

Wat was het lastigst aan dit boek schrijven?

‘Het moeilijkste vond ik om dicht bij mijzelf blijven. Ik heb absoluut geen boek willen schrijven wat nu eens even uitlegt hoe het Midden-Oosten in elkaar zit. Dus ik vond het lastig om mij in te houden, om niet te veel duiding te geven. Daar zijn andere boeken voor. Wat ik heb willen doen, en waarin de meerwaarde zit, is laten zien hoe míjn Midden-Oosten er uitziet. Mijn voorbeeld was De wereld van gisteren van de Oostenrijkse schrijver Stefan Zweig. Nu ben ik by far geen Stefan Zweig, maar qua vorm komt het overeen: een autobiografisch relaas gemengd met herinneringen uit een periode. Dat was het doel.’

Nu u hier toch bent...

Goede journalistiek kost geld. Leden en donaties maken onze gebalanceerde berichtgeving over biculturaliteit, zingeving en vrijheid mogelijk. Steun ons daarom als u ons werk belangrijk vindt.

Vertel mij meer!

- Advertentie -