‘Waar is jouw waardigheid, geweten, moraal?’

Foto: Spectrum. Sinan Can (Nijmegen, 1971) is onderzoeksjournalist en film- en programmamaker voor BNN-VARA. Hij werkte in het verleden onder andere voor het televisieprogramma Zembla. Hij schreef 'De Arabische storm: vijf jaar na de Lente' (2016) en maakte verschillende televisiedocumentaires, waaronder 'Bloedbroeders' (2015), 'Onze missie in Afghanistan' (2016), 'In het spoor van IS' (2017) en 'De verloren kinderen van het kalifaat' (2018). Hij ontving in 2016 de Journalist voor de Vrede-prijs.
Veel jongeren in Saoedi-Arabië snakken naar verandering. Gaat die er nu dan écht komen? De Kanttekening vroeg dat en meer aan Sinan Can. Zijn volgende documentaire gaat over het Arabische land.

In het streng-conservatieve Saoedi-Arabië vinden ongekende hervormingen plaats. Kroonprins Mohammed bin Salman bepaalde per decreet dat vanaf juni vrouwen hun rijbewijs mogen halen. Na een verbod van vijfendertig jaar, opende de eerste bioscoop weer zijn deuren. En er zijn plannen om van de Rode Zee-kust een toeristische bestemming te maken.

‘Puntjes van hoop’, noemt onderzoeksjournalist en film- en programmamaker Sinan Can deze veranderingen. Zijn nieuwste documentaire gaat over Saoedi-Arabië en wordt dit najaar uitgezonden. ‘In Saoedi-Arabië is zo’n vijfenzestig procent van de bevolking jonger dan dertig jaar. Zij snakken naar verandering’, vertelt Can in de stationsrestauratie van Amsterdam Centraal. ‘Het is vanuit een westerse leunstoel makkelijk kritiek hebben op hervormingen die van bovenaf worden opgelegd, maar daar zien ze dat anders. Een vrouwelijk Shura-lid (de Majlis al-Shura is het belangrijkste adviesorgaan van de koning, red.) vertelde dat veranderingen in Saoedi-Arabië nooit van onderaf komen. Alle dertig vrouwelijke Shura-leden zijn aangewezen door de koning. Bij vrije verkiezingen zou geen enkele vrouw worden gekozen. Gun ons de tijd om te veranderen, zegt ze.’

Als je naar de Arabische regio kijkt, ben je dan hoopvol?
‘Nee. In Syrië was een revolutie bezig. De leider van het land is blijven zitten. Hij heeft de afgelopen ruim zeven jaar ontzettend veel geweld gebruikt tegen zijn eigen bevolking. Er zijn honderdduizenden doden gevallen, miljoenen mensen zijn gevlucht. Allerlei landen bemoeien zich ermee. Amerikanen, Iraniërs, Golfstaten, Turkije, dat samen met het Vrije Syrische Leger de provincie Afrin heeft veroverd. Het is één groot Risk-bord waarop de verschillende landen een gevaarlijk spel spelen. Daardoor is het conflict alleen maar uitzichtlozer en hopelozer geworden.’

Voor de documentaires De Arabische storm en In het spoor van IS sprak je veel mensen die zich wilden aansluiten bij IS. Waarom wilden ze dat?
‘Ze hebben verschillende motieven. Toen ik in Tunesië was, zag ik hoe perspectiefloos het leven van veel jonge mannen daar is. Er is geen enkel uitzicht op werk. IS beloofde ze een maandinkomen van achthonderd dollar. Dat is voor Tunesische begrippen veel geld. In Irak kwam ik dat ook tegen, mannen die zich uit armoede bij IS aansloten. Of ze hadden wraak als drijfveer. Ze behoorden tot de soennitische minderheid die wordt onderdrukt. In Syrië sprak ik mensen die Assad wilden verslaan. Zij zeiden ‘IS is de sterkste groep in het gebied, zo kunnen we Assad pijn doen’. Dan zijn er nog de strijders uit het Westen. Een deel van hen was aan lager wal geraakt en op zoek naar avontuur. Ze geloofden dat het martelaarschap al hun misstappen zou uitwissen. Er waren jongeren die hun soennitische geloofsbroeders in Syrië wilden redden. En er was de groep die geloofde in de takfir-gedachte, ze wilden in een zo zuiver mogelijke islamitische heilstaat wonen.’

In interviews vertel je vaak dat je erg emotioneel wordt van de plekken die je bezoekt en de ellende die je daar aantreft. Waarom ga je er dan toch weer naartoe?
‘Mensen begrijpen elkaar door andermans verhalen te horen. Ik wil dat mijn werk impact heeft en nieuwe inzichten geeft. Al is er maar één persoon met een hardvochtig standpunt over vluchtelingen die naar beelden van een stad zoals Mosoel kijkt en dan denkt ‘ik snap nu wel dat een mens daar niet leven kan’. Dáár doe ik het voor, ik wil mensen verbinden.’

Ik kan me ook voorstellen dat je alleen maar ontzettend moedeloos wordt van al die troosteloosheid.
‘Ja. De situatie in het Midden-Oosten is voor ons maar moeilijk te vatten. Wij leven in een veilig land en weten niet meer goed wat oorlog is. Ik merk dat zelf ook. Ik heb een Koerdisch-Turkse achtergrond, maar kom uit Nijmegen. Soms snap ik waarom er in het Midden-Oosten zoveel geweld is, ik ken de geschiedenis, de sektarische en etnische conflicten, maar er zijn ook momenten dat het mijn begrip te boven gaat. In een land als Afghanistan is al honderdvijftig jaar oorlog. Dat doet iets met de mensen daar. Voor de opnames van Onze missie in Afghanistan kwamen we in Oeroezgan in een hinderlaag van de Taliban terecht. Er brak een ruim tweeënhalfuur durend vuurgevecht uit. Veertien mensen gingen dood. Ik was mentaal stuk. Maar de commandant van de colonne met wie we reisden, vroeg lachend aan mij wat ik van het vuurwerk vond. Ik dacht: hoe kun je nu lachen, er zijn zojuist mensen gestorven. Zij liggen daar al bijna niet meer wakker van geweld, maar voor ons is dat heel heftig.’

Waarom komt er maar geen einde aan de oorlogen en conflicten in de regio?
‘Eén van de redenen is de complexe historie van het gebied. Wat het Westen niet goed ziet is de grote rol die het daarin heeft gespeeld. Toen na de Eerste Wereldoorlog (1914-1918, red.) het Ottomaanse Rijk (1299-1922, red.) uiteenviel, hebben de Engelsen, Fransen en Italianen de gebieden verdeeld, zonder te kijken naar gemeenschappen, stammen, sektarische verschillen en geloofsverschillen. Zo deden ze dat ook in Afrika. Ze trokken gewoon een streep, dit is Tsjaad en dat is Mali, maar zo werkt het niet. Libië bestaat nu uit drie gebieden met verschillende machthebbers. Dan kun je zeggen dat het land is uiteengevallen, maar het waren al drie regio’s. De Italianen hebben er in 1912 met dwang één land van gemaakt. Als je naar de Arabische wereld kijkt, houden de mensen die ik daar spreek vaak een heel riedel over Amerika en het Westen. Ik ga daar een eind in mee. Natuurlijk, wij westerlingen verkopen wapens en zijn constant bezig met economische belangen. Zie de oorlog in Irak, hoe de Amerikanen er een rotzooi van hebben gemaakt. Maar waar is jouw eigen verantwoordelijkheid, als inwoner van het Midden-Oosten, bij al het geweld dat nu gaande is? Waar is jouw waardigheid, geweten, moraal?’

Wat zeggen ze dan?
‘Daar hebben ze vaak geen antwoord op. Ze vinden het een vervelende opmerking, te kritisch ook. Maar je hoeft niet mee te gaan in die geweldspiraal. Je kunt weigeren de wapens op te pakken. De opstand tegen Assad begon vreedzaam, maar al snel werd de oppositie bewapend en liep het uit de hand. In het Midden-Oosten vinden ze het vaak lastig om met afwijkende meningen om te gaan, dat mis ik ook in mijn eigen Turkse gemeenschap. Er is geen debatcultuur. Gewoon op een waardige en respectvolle manier in discussie gaan zonder dat het ontaardt in ruzie en je de ander uitmaakt voor ‘terrorist’ of ‘verrader’. Waar vinden we elkaar, waar botst het, waar kunnen we elkaar een beetje beïnvloeden? Je moet ander de ruimte geven voor een eigen mening. Na de documentaire Bloedbroeders, waarin we de geschiedenis van de Armeense Genocide (1915-1923, red.) proberen te ontrafelen, kreeg ik vanuit Turkse hoek de wind van voren. ‘Ik werd onder meer ‘landverrader’, ‘advocaat van de Armeniërs’ en ‘Armeniër’ genoemd.’

Hoe komt dat?
‘De discussie- en debatcultuur is nog niet voldoende ontwikkeld. Ik zie dat ook in Egypte en Tunesië. Je mag ouderen niet tegenspreken. Er zijn allerlei taboeonderwerpen, zoals seks, religieuze leiders, koningshuizen, emirs en presidenten. Vooral kritiek op het geloof is een rode lijn. Je komt geen stap verder als je steeds zegt ‘stop, heilig, taboe’.’

Zijn we hier in het Westen verder?
‘In dat opzicht wel. Al vind ik wel dat je de ander niet nodeloos moet kwetsen. In Europa zijn we gewend om te discussiëren. Dat heeft met de Verlichting te maken. Niet dat er in het Oosten geen verlichting was. In de twaalfde en dertiende eeuw gaven soefigeleerden stevige kritiek op de uitleg van sommige Koran-passages. Dat moet je nu niet in je hoofd halen. Openstaan voor andere meningen leidt ook tot nieuwe inzichten, het ontwikkelt je. Ik heb een linkse achtergrond, maar lees toch ook wat ‘rechts georiënteerde’ journalisten schrijven.’

Je bent soefi. Vind je dat in het soefisme beter gediscussieerd wordt?
‘Ja. Er is veel meer openheid en er zijn minder taboes. Ik zie het soefisme als een progressieve beweging, een humanistische tak van de islam. Het hecht grote waarde aan ‘alles waar leven in zit’, van mens tot boterbloempje. Soefi’s vinden dat je de heilige geschriften in hun tijd moet bezien. Een geloof ontwikkelt zich zoals mensen zich ook ontwikkelen. Er is een hadith die soefi’s vaak aanhalen, de profeet Mohammed zegt ‘wie zijn ratio niet gebruikt, heeft geen geloof’. Ik hoef geen honderd verhandelingen over de islam te lezen of blind achter geestelijken of despotische leiders aan te lopen; je eigen morele kompas volgen, dat is het belangrijkste.’

DELEN
Mariska Jansen
Journalist gespecialiseerd in religie, filosofie en integratievraagstukken.