De Raad van State heeft kritiek op het wetsvoorstel van VVD-Kamerlid Claire Martens-America om religieuze uitingen bij boa’s te verbieden. Volgens de Raad is niet duidelijk waarom zo’n verbod nodig is. Bovendien beperkt het de godsdienstvrijheid en het recht op gelijke behandeling, zonder dat daar een goede onderbouwing voor is.
VVD-Kamerlid Martens-America wil dat buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s) geen zichtbare religieuze uitingen, zoals een hoofddoek of keppel, meer mogen dragen als ze in uniform werken en contact hebben met het publiek. Volgens haar moeten boa’s een neutrale uitstraling hebben, omdat ze namens de overheid optreden en in sommige gevallen geweld mogen gebruiken.
Maar volgens de Raad van State is niet duidelijk waarom zo’n verbod nodig is. Er zijn geen aanwijzingen dat zichtbare religieuze uitingen bij boa’s in de praktijk problemen opleveren. Ook is niet goed gekeken naar minder ingrijpende oplossingen, zoals verschillende soorten uniformen.
Daarnaast wijst de Raad erop dat boa’s heel verschillend werk doen en niet allemaal dezelfde bevoegdheden hebben. Zo mogen lang niet alle boa’s geweld gebruiken. Waarom het verbod dan voor alle boa’s zou moeten gelden, wordt volgens de Raad onvoldoende uitgelegd.
Het wetsvoorstel beperkt bovendien de godsdienstvrijheid en het recht op gelijke behandeling. Daarom moet goed worden uitgelegd waarom zo’n algemeen verbod nodig is. De Raad van State adviseert Martens-America om het voorstel beter te onderbouwen. Lukt dat niet, dan moet ze het aanpassen of ervan afzien.


