Arabische Lente 2.0

Foto: Reuters

Zijn wij met de massale demonstraties in Iran en Tunesië nu getuige van de Arabische Lente 2.0? Wat Donald Trump betreft wel. Hij heeft zich nu als schutspatroon van de Iraanse demonstranten opgeworpen. Zeker nu in Iran ‘dood aan ayatollah Khamenei’ wordt geroepen.

Voor Washington blijft immers Iran bij uitstek het Rijk van het Kwaad, waarbij Trump zich opnieuw voor het Israëlische karretje laat spannen, door tussenkomst van zijn schoonzoon Jared Kushner. Niet dat de Iraanse demonstranten in hun verzet tegen de theocratie geen steun verdienen. Hetzelfde geldt voor hun verzet tegen de groeiende armoede en de oneerlijke verdeling van rijkdom. Alleen vormen zeker in dát geval Amerika in zijn algemeenheid en Trump in het bijzonder niet de meest geloofwaardige schutspatroon. De laatste beijvert met zijn belastingverlaging voor miljardairs vooral de welvaartskloof in eigen land verder te vergroten, terwijl één op de acht Amerikanen honger lijdt, een statement dat onlangs door fact-checkers van de NRC werd bevestigd.

In zowel Iran als Tunesië breekt de onvrede naar buiten. Buitenstaanders willen dan graag een patroon zien, zoals men dat ook bij de ‘eerste’ Arabische Lente zag. Daarvan vormt juist het huidige Tunesië het enige toonbare resultaat, terwijl het in Egypte uiteindelijk tot een militaire staatsgreep leidde en in Libië en Syrië de zaak gruwelijk in anarchie respectievelijk burgeroorlog ontspoorde. Op het Arabisch schiereiland waren de Saoediërs er als de kippen bij om de onvrede met een royale greep uit de goedgevulde staatskas af te kopen, wat in Tunesië en Egypte wegens gebrek aan oliegelden juist níet ging, terwijl de theocraten in Teheran een overslaan van de opstand wisten te verhinderen.

Dat maakt meteen al iets van de essentiële onvergelijkbaarheid van de ontwikkelingen in Tunesië en Iran duidelijk, ook al liggen in beide landen aan de onvrede gefnuikte economische verwachtingen van een jongere generatie ten grondslag. Een goede opleiding die resulteert in een relatief omvangrijke middenklasse – en de Tunesiërs en de Iraniërs horen in heel de regio tot die landen die daarop het meeste kunnen bogen – vormt geen garantie voor sociale stijging. Dat valt niet los te zien van de enorme bevolkingsgroei. Waar Europa vergrijst, kampt de islamitische wereld juist met een buitensporig jonge bevolking. Boze jongeren gaan nu eenmaal eerder met revolutionaire leuzen en stenen de straat op dan boze ouderen. Die laatsten moeten het doen met rollators en Henk Krol.

Tunesië en Iran hebben beiden een bevolking die gemiddeld minder religieus is dan die van de buurlanden. De Iraanse samenleving is in mentaal opzicht veel moderner dan haar leidende politici. In Saoedi-Arabië, waar de jonge kroonprins Mohammad bin Salman al-Saoed nu van bovenaf een modernisering met kemalistische pretenties probeert te forceren, ligt dat eerder omgekeerd. Daar zijn veel inwoners nog veel traditioneler dan hun nieuwe – overigens verre van democratische! – leider. In Teheran zijn de theocraten, omdat ze te weinig brood op de plank brengen, bijna veertig jaar na de Iraanse Revolutie ideologisch opgebruikt.

Dat bleek ook bij de beide laatste presidentsverkiezingen, waarbij met Hassan Rohani de meest seculiere van de door de ayatollahs toegelaten kandidaten won en het vervolgens wegens gebrek aan daadwerkelijke speelruimte bij een deel van zijn kiezers verbruide. Hoe dan ook heeft Iran, ondanks dit theocratische keurslijf, al meer ervaring met democratie opgedaan dan het nu vanwege zijn plotselinge uitbarsting van vernieuwingszin bejubelde, maar nog honderd maal autocratischer en corrupter Saoedi-Arabië. In Iran zijn er nu eenmaal geen duizenden vetgemeste prinsen van koninklijken bloede die zonder iets uit te vreten op de staatskas teren en de welvaart opvreten.

Daarmee is, anderzijds, ook meteen het fundamentele verschil tussen Iran en Tunesië gegeven. In Iran zijn er wel verkiezingen, maar geen vrije. De ayatollahs maken eerst uit naam van Allah een personele voorselectie. Dat betekent dat de demonstranten nu nog hun hoop kunnen vestigen op echt vrije verkiezingen om verbetering te bereiken. Verkiezingen die vermoedelijk het einde van de fundamentalisten zouden inluiden. In Tunesië zijn er al democratische verkiezingen. De islamistische partij Ennahda heeft niet alleen zichzelf gedefundamentaliseerd, maar ook na een nederlaag keurig de macht overgedragen en zich aan de seculiere grondwet gecommitteerd. De democratie heeft hier niet het verhoopte materiële paradijs gebracht, maar veel kiezers teleurgesteld. Voor hun begrijpelijke onvrede bestaan geen eenvoudige staatkundige oplossingen meer en dat zet de democratie sterk onder druk. De roep om een ‘sterke man’ wordt al weer vernomen.

DELEN
Thomas von der Dunk
Publicist. Cultuurhistoricus.