22.3 C
Amsterdam

Beëindigen van opvang niet-Oekraïners is in strijd met Europees recht

Carolus Grütters
Carolus Grütters
Onderzoeker Centrum voor Migratierecht (Radboud Universiteit Nijmegen).

Lees meer

Onder Iraanse asielzoekers die via Oekraïne naar Nederland kwamen bestaat grote onrust omdat voor hen uitzetting dreigt. Carolus Grütters, deskundige op het gebied van migratierecht, stelt in reactie op een artikel op ons platform dat de zorgen van deze vluchtelingen onterecht zijn. Het besluit tot uitzetting is volgens hem strijdig met Europees recht.

De Kanttekening berichtte op 20 januari over de grote ongerustheid onder zo’n vijfduizend ontheemden uit Oekraïne in Nederland, van wie een deel de Iraanse nationaliteit heeft. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) heeft hen namelijk een brief gestuurd met de aankondiging dat de opvang, die zij nu krijgen in het kader van de Tijdelijke Beschermingsrichtlijn, met ingang van 4 maart zal worden beëindigd. Dat is al over vijf weken.

De paniek die onder deze groep van ontheemden, slachtoffers van de oorlog in Oekraïne, is ontstaan is zeer begrijpelijk. Het goede nieuws is dat de paniek niet terecht is. Kort gezegd is de maatregel van de staatssecretaris van Justitie (aangekondigd door de IND) in strijd met het Europese Unierecht. Ik zal dat nader toelichten.

In verband met de oorlog in Oekraïne voerde de Europese Raad, op voorstel van de Europese Commissie, op 4 maart 2022 de Tijdelijke Beschermingsrichtlijn (TBRi) in. Het formuleren en bekrachtigen van dit besluit was het resultaat van een zeldzaam eensgezinde Europese Unie. Precies acht dagen na de inval trad deze maatregel in werking.

Deze richtlijn biedt aan een tweetal categorieën van ontheemden bescherming. Onder de eerste categorie vallen Oekraïners, en niet-Oekraïners die uit Oekraïne zijn gevlucht en in dat land een permanente verblijfsvergunning hadden. Onder de tweede categorie vallen alle niet-Oekraïners die in dat land een tijdelijke (en dus geen permanente) verblijfs­vergunning hadden. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om studenten of arbeidsmigranten uit een land buiten Europa. Deze zogenoemde ‘derdelanders’ hadden wel het recht om in Oekraïne te wonen, werken of studeren, maar dat recht was tijdelijk van aard.

Europese Raad heeft juist besloten om de werking van de TBRi met nog een jaar te verlengen

Voor deze derdelanders konden de lidstaten van de EU naar eigen keuze ook de bescherming van de TBRi van toepassing verklaren. Een aantal landen heeft dat gedaan: Nederland, Duitsland, Ierland, Tsjechië, Oostenrijk en zelfs een niet-EU-land als Zwitserland. Dat betekent dat deze tweede categorie ook in Nederland bescherming heeft volgens deze richtlijn. En dus hebben zij het recht om hier te wonen en te werken.

Motie

Naar aanleiding van een aantal verontrustende berichten nam de Tweede Kamer in juli vorig jaar een motie aan met als strekking: beëindig de opvang van deze gevluchte ‘derdelanders’. De staatssecretaris dacht vervolgens dat die motie heel simpel was uit te voeren, door in de Nederlandse regelgeving vast te leggen dat nieuw binnengekomen derdelanders niet meer in aanmerking komen voor deze bescherming. Bovendien beperkte de regering de bescherming voor ontheemden die hier al waren in de tijd tot 4 maart 2023.

Beide maatregelen zijn onjuist en in strijd met het recht. Allereerst kun je eenmaal verworven rechten niet met terugwerkende kracht intrekken. In de tweede plaats is het wel mogelijk om voor sommige derdelanders zonder een permanente verblijfs­vergunning in Oekraïne het loket in Nederland sluiten, maar dat geldt alleen voor nieuwe gevallen. En dat betekent dan – in de juridische context – nieuwe gevallen die zich aandienen nadat deze wijziging op de juiste manier is afgekondigd, dus met een publicatie van de gewijzigde maatregelen in de Staatscourant. Dat gebeurde op 25 augustus 2022. In die aflevering van de Staatscourant stond echter ook dat de wijzigingen met terugwerkende kracht zouden ingaan, maar dat kan dus niet.

Ministers van de EU

In de Tijdelijke Beschermingsrichtlijn staat bovendien expliciet dat de Europese Raad besluit of en wanneer de richtlijn bescherming zal bieden. Daarin staat vermeld dat alleen de verzamelde ministers van Justitie van de EU de bevoegdheid hebben dit besluit te nemen. De Nederlandse staat­secretaris is dus niet in de positie om op eigen gezag degenen die hier bescherming krijgen, te vertellen dat deze op 4 maart zal stoppen.

Sterker nog, de Europese Raad heeft vlak voor de jaarwisseling juist besloten om de werking van de TBRi met nog een jaar te verlengen tot in ieder geval 4 maart 2024.

Als de staatssecretaris toch de opvang zal willen stopzetten, mogen derdelanders daar niet alleen formeel bezwaar tegen maken, maar zelfs naar de rechter stappen. Daar kunnen zij, in een bestuursrechtelijk kort geding, eisen de bescherming en alle daarmee verband houdende rechten te continueren. Ik vermoed dat een dergelijke actie uiterst kansrijk is bij de rechter.

Nu u hier toch bent...

Goede journalistiek kost geld. Leden en donaties maken onze gebalanceerde berichtgeving over biculturaliteit, zingeving en vrijheid mogelijk. Steun ons daarom als u ons werk belangrijk vindt.

Vertel mij meer!
- Advertentie -