21.3 C
Amsterdam

Coördinator antisemitismebestrijding dreigt het eigen vlees te keuren

Jaap Hamburger
Voorzitter Een Ander Joods Geluid.

Lees meer

In april 2021 is een Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding (NCAB) aangesteld bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Deze nieuwe functie wordt vervuld door Eddo Verdoner, tot dat moment voorzitter van het Centraal Joods Overleg en vicevoorzitter van het CIDI. Beide functies werden als aanbeveling beschouwd: Verdoner zou van daaruit veel kennis meenemen over antisemitisme en het tegengaan daarvan.


Kort door de bocht geformuleerd is de opdracht van de NCAB namelijk het tegengaan van antisemitisme in Nederland te (helpen) bevorderen en te stroomlijnen. De functie en het functioneren van de NCAB moeten uiterlijk deze maand worden geëvalueerd.

In september 2021 al heeft Een Ander Joods Geluid samen met een aantal personen een officieel Klaagschrift ingediend over het handelen van de NCAB.

Zo viel Verdoner op Twitter uit naar Kenneth Roth, directeur van Human Rights Watch. Roth meldde dat het aantal antisemitische incidenten in het Verenigd Koninkrijk tijdens de zware Israëlische aanval op Gaza in mei 2021 was toegenomen.

Roth, in vertaling: ‘Antisemitisme is altijd fout, en was er al lang voor de stichting van Israël, maar de toename van antisemitische incidenten in het Verenigd Koninkrijk tijdens het recente conflict in Gaza weerspreekt de leugen van degenen die doen alsof het gedrag van de Israëlische regering geen invloed op antisemitisme heeft.’

Deze feitelijke – correlatieve – constatering kwam uit de Israëlische krant Haaretz en was gebaseerd op onderzoek uit het Verenigd Koninkrijk. De NCAB verdraaide dit echter ad absurdum, door te beweren dat Roth Israël de schuld gaf van deze toename – ‘Joden hebben het antisemitisme aan zichzelf te wijten’ – en sprak daar zijn afkeuring over uit.

Pikant detail: de NCAB deed in een interview vorig jaar met NRC dezelfde feitelijke constatering.

Met antisemitisme in Nederland had de hele kwestie niets te maken en het was meteen een omen voor de evaluatie. Een ander een uitlating voor de voeten werpen die je zelf exact zo hebt gedaan wekt geen vertrouwen in het beoordelingsvermogen en a fortiori niet in het vermogen tot zelfbeoordeling.

Ook bemoeide de NCAB zich met onderwijsinstellingen waar studenten middels spandoeken (tekst:‘Palestine free, free from the river to the sea’) kritiek uitten op de aanval op Gaza en op het mensenrechtenbeleid van Israël.

De NCAB twitterde: ‘Mooi dat de academie spijt betuigt. Dit spandoek roept op tot het opheffen van Israël. En zoals Abel Herzberg zei: Zonder Israël is iedere Jood een ongedekte cheque. Joden voelen zich bedreigd door deze actie. Dit spandoek had daar nooit moeten hangen.’

Daarvoor had hij als antisemitismebestrijder geen enkel mandaat. Het is bovendien een grove inmenging in de vrijheid van meningsuiting en daarom ongepast voor een overheidsfunctionaris en in strijd met de wet.


Als uitgangspunt voor zijn opvatting van wat onder antisemitisme moet worden verstaan, gebruikt de NCAB tot op de dag van vandaag klakkeloos de zogeheten IHRA-werkdefinitie van antisemitisme. Dat is een ook in joodse kring buitengewoon omstreden ‘definitie’, die de belangrijkste voorstander, de Israëllobby, erg goed van pas komt om Israël uit de wind te houden. Deze definitie geeft een aantal – vermeende – voorbeelden van wat antisemitisme inhoudt, voorbeelden die de Nederlandse regering heel uitdrukkelijk niet één op één heeft overgenomen.

Het risico van deze definitie is dat via enkele kunstgrepen bijna elke kritiek op het Israëlische beleid geduid gaat worden als een vorm van antisemitisme of, als dat niet kan overtuigen, als een verkapte vorm van antisemitisme. Het onderscheid tussen kritiek op Israëlisch beleid en antisemitisme wordt bewust vloeiend gemaakt.

Voorbeeld van dergelijk gebruik van de IHRA-definitie is al aanwezig: het criminaliseren van de BDS-beweging, een internationale beweging die Israël wil dwingen, onder andere door middel van vreedzame, selectieve boycotacties, de bezetting op te heffen en Palestijnen die leven in de Israëlische invloedssfeer individueel en collectief gelijk te berechtigen voor de wet.

Het inzetten van de IHRA-‘definitie’ maakt het de NCAB makkelijk kritische uitingen over Israël onder antisemitisme te scharen. De externe commissie die het eerder genoemde Klaagschrift moest beoordelen, meende evenwel dat het gebruik van de IHRA-definitie een beleidskeuze was en verklaarde daarom dat onderdeel van de klacht niet-ontvankelijk.

Beleidskeuze of niet, het oordeel van de commissie doet niets af aan de ondeugdelijkheid van deze definitie en de verwarring en verwijtbare ondermijning van de geloofwaardigheid van zijn eigen functie, die de NCAB met het gebruik ervan in het leven roept. Dit verergert hij door elke discussie over dit uitgangspunt uit de weg te gaan. Waarschijnlijk daarom adviseerde de commissie de minister om het mandaat van de NCAB aan te scherpen.

Dit advies is overigens weer niet door de minister overgenomen. Wel is toegezegd dat de klacht zelf en het advies van de commissie met de NCAB besproken zullen worden en ‘meegenomen worden’ bij de evaluatie van de NCAB-functie.

De klagers hebben op hun beurt de NCAB in januari dit jaar gevraagd om gehoord te worden ten behoeve van deze evaluatie. Zij hebben geen reactie ontvangen en daarom aan de secretaris-generaal van het ministerie van Justitie en Veiligheid, de formele baas van de NCAB, hetzelfde verzoek gedaan.

Ondanks een herinnering is het stil gebleven. Hun ongenoegen daarover hebben klagers nu geuit bij de Nationale Ombudsman, aan wie zij verzocht hebben het ministerie te manen om hen te antwoorden. Zij hebben als hun indruk meegegeven dat kritiek op de NCAB op dorre grond valt, door op z’n vroegst na afronding van de evaluatie te reageren op het verzoek gehoord te worden.

‘Evaluatie’ suggereert beoordeling door onafhankelijke, of tenminste deskundige, derden. Naarmate de evaluatietermijn – tot eind mei – verstrijkt, wordt de kans op maatschappelijke inbreng van anderszins betrokkenen, bijvoorbeeld kritische joden of deskundige buitenstaanders, daarbij kleiner.

Als dit uitmondt in ‘zelfevaluatie’, dan zal die op zijn beurt nog beoordeeld moeten worden door of namens de Minister van Justitie en Veiligheid, degene aan wie de NCAB rapporteert. Hiervan is echter weinig te verwachten, aangezien de huidige minister Dilan Yesilgöz, toen zij nog VVD-Kamerlid was, samen met toenmalig ChristenUnie-collega Joël Voordewind gepleit heeft voor instelling van de NCAB.

Onafhankelijkheid en objectiviteit van de evaluatie van het functioneren van de NCAB dreigen volledig zoek te raken

We krijgen dan per saldo te maken met een situatie waarin twee slagers hun eigen vlees keuren: eerst beoordeelt de NCAB zichzelf, waarna deze zelfbeoordeling wordt getoetst door degene op wier voorspraak deze functionaris aangesteld is. Over de vraag of de beoordeling door de minister daarna nog onderwerp van debat zal zijn in de Kamer bestaat nu nog geen duidelijkheid.

Onafhankelijkheid en objectiviteit van de evaluatie van het functioneren van de NCAB dreigen volledig zoek te raken. Bovendien is al toegezegd dat de aanstellingsduur van de NCAB wordt verlengd, zonder dat wordt gewacht op de uitkomst van de evaluatie. Zou er niet een nieuwe bestuurscultuur worden ingezet?

Nu u hier toch bent...

Goede journalistiek kost geld. Leden en donaties maken onze gebalanceerde berichtgeving over biculturaliteit, zingeving en vrijheid mogelijk. Steun ons daarom als u ons werk belangrijk vindt.

Vertel mij meer!

- Advertentie -