21.2 C
Amsterdam

Antikoloniale critici: Indonesië-rapport over ‘extreem geweld’ is te eenzijdig

Fitria Jelyta
Journalist.

Lees meer

Gisteren werden de resultaten van het langverwachte onderzoek naar Nederlandse oorlogsmisdaden in Indonesië gepresenteerd. Al sinds het begin van deze langlopende studie bekritiseerden Indonesische historici en antikoloniale activisten de onderzoeksopzet en het gebruik van de term ‘extreem geweld’. Wij spraken met drie critici, allen niet overtuigd door de resultaten. ‘De opzet van het onderzoek was koloniaal, dus het was ook te verwachten dat de resultaten die lijn zouden volgen.’


Het langdurige onderzoek ‘Onafhankelijkheid, dekolonisatie, geweld en oorlog in Indonesië, 1945-1950’, dat in 2017 begon en waarmee 4,1 miljoen euro aan staatssubsidie is gemoeid, is geïnitieerd door het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV), het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) en het NIOD Instituut voor Oorlog-, Holocaust- en Genocidestudies. De twaalf deelstudies die dit grootschalige onderzoeksproject heeft opgeleverd, poogden de koloniale herbezetting door Nederland in Indonesië vanaf 1945-1950 te belichten vanuit verschillende perspectieven. Zo werd er samenwerking gezocht met Indonesische onderwijsinstituten en wetenschappers.

De onderzoekers concluderen dat de Nederlandse krijgsmacht zich ‘als instituut’ schuldig heeft gemaakt aan ‘extreem geweld’, dat structureel werd uitgevoerd op de Indonesische bevolking. Dit ging niet om uitzonderlijke gevallen, oftewel ‘excessen’, wat de conclusie was van een onderzoek uit 1969 door de inmiddels overleden Nederlandse historicus Cees Fasseur.

De onderzoekers stellen dat het aantal slachtoffers van de zogenoemde ‘Bersiap’-periode veel lager ligt dan gedacht. Tijdens deze beginfase van de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd in 1945-1946 zouden naar schatting tot 30.000 Nederlanders en Nederlandsgezinde bevolkingsgroepen – onder meer Indische Nederlanders, Molukkers, Chinezen en Indo-Europeanen – zijn omgekomen door toedoen van Indonesische verzetsstrijders, aldus de oude schattingen. In werkelijkheid gaat het om ‘slechts’ vierduizend dodelijke slachtoffers en tweeduizend vermiste personen, zeggen de onderzoekers.

Het totaal aantal Indonesische slachtoffers als gevolg van de koloniale oorlog is door onvolledigheid van bronnen niet met zekerheid vast te stellen, aldus de onderzoekers. De vaak genoemde schatting van 100.000 Indonesische slachtoffers in bestaande literatuur vormt wel een indicatie. Die kwam tot stand op basis van een eerdere berekening, dat er tijdens de zeven maanden na het tweede Nederlandse offensief in december 1948 tenminste 46.000 Indonesische doden vielen. ‘Volstrekt duidelijk is dat de verhouding in dodelijke verliezen bij gevechten tussen Nederland en de Republiek uitermate ongelijk was’, valt er verder te lezen in de samenvatting van het onderzoek.

Beeld: NIOD

Rekenschap afleggen met het verleden

Voor Indonesische Nederlanders en Indonesiërs die dit langdurige onderzoek nauw op de voet hebben gevolgd, zijn de conclusies echter niet nieuw. Het ‘extreme geweld’ dat het Nederlandse leger heeft toegepast op de Indonesische bevolking was allang bekend in de Indonesische geschiedschrijving, die niet in eerdere Nederlandse onderzoeken werd aangehaald. Dat stelt de Indonesische historicus Hoesein Rushdy. Hij was lange tijd in dienst bij de Universitas Indonesia. Deze universiteit was niet bij het grote dekolonisatieonderzoek betrokken.

‘Nederland en Indonesië verschillen fundamenteel in hun visie op de geschiedenis. Indonesiërs vochten voor hun vrijheid en onafhankelijkheid tegen Nederland als koloniale bezetter en agressor. Nederland was het er niet mee eens, en begon een koloniale oorlog om Indonesië te onderdrukken. Nederland zat fout, en wil haar fouten in het verleden nog steeds niet erkennen, onder andere door niet te erkennen dat de Republiek Indonesië officieel op 17 augustus 1945 de onafhankelijkheid had uitgeroepen’, legt hij uit.

‘Wij Indonesiërs hebben altijd al geweten dat Nederland fout zat in deze geschiedenis. Toen ze voor het eerst in 1602 naar Indonesië kwamen om handel te drijven en vervolgens koloniale bezetters werden, en ook met hun poging tot herbezetting van Indonesië na 17 augustus 1945. Door het weigeren van de Indonesische onafhankelijkheid dwongen de Nederlanders ons tot een strijd die zij nooit zouden winnen. Dat Nederland rekenschap moet afleggen met zijn foute verleden is dus een Nederlands probleem.’

‘Als Nederland met dit onderzoek gaat bepalen hoe wij Indonesiërs moeten denken over hun misdaden, dan is dat niet alleen koloniaal maar ook volkomen absurd’

In een artikel op de Indonesische website Detik News zette Rushdy eerder al uiteen waarom hij het Nederlandse onderzoek weigert te erkennen. Het onderzoek zou volgens hem te eenzijdig zijn door het gebrek aan volledige bronnen vanuit de Indonesische geschiedschrijving, mede omdat veel van deze bronnen ook door Nederland zijn vernietigd of in beslag genomen. Daarnaast wil hij niet dat de resultaten van dit onderzoek de publieke opinie in Indonesië zou beïnvloeden. ‘Als Nederland met dit onderzoek gaat bepalen hoe wij als Indonesiërs moeten denken over hun misdaden, dan is dat niet alleen koloniaal maar ook volkomen absurd.’

Eerder richtte Rushdy de Indonesische stichting Yayasan Ermelo op, waarin hij samen met Indonesische veteranen van de Siliwangidivisie, de elitedivisie van het Indonesische leger, verbinding zocht met Nederlandse veteranen. ‘We deelden elkaars verhalen en respecteerden elkaars standpunten, ondanks de verschillen. Het was een mooi initiatief. We hadden zelfs goed contact met het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH, red.) en gingen op uitnodiging naar Nederland om elkaar te ontmoeten. Andere initiatieven tot verbinding en dialogen tussen Nederlanders en Indonesiërs waren er al geweest, ver voor dit onderzoek. Waarom dan nú weer het verleden oprakelen? Dat vond ik verdacht.’

Open brief

Aan het begin van de presentatie van de onderzoeksresultaten noemde programmadirecteur Frank van Vree de rechtszaken van Stichting Comité Nederlandse ereschulden (Komite Utang Kehormatan Belanda, K.U.K.B.) van de Indonesische Jeffry Pondaag als een van de aanleidingen voor het onderzoek ‘Onafhankelijkheid, dekolonisatie, geweld en oorlog in Indonesië, 1945-1950’.


In 2011 won K.U.K.B. de rechtszaak over Rawagede, een dorp waar ruim vierhonderd Indonesische mannen in 1947 standrechtelijk werden geëxecuteerd door het Nederlandse leger. Daarna volgden andere rechtszaken die de stichting won met behulp van de mensenrechtenadvocate Liesbeth Zegveld van het advocatenbureau Prakken d’Oliveira. De Nederlandse regering betaalde vervolgens een schadevergoeding aan de nabestaanden van de Indonesische slachtoffers en bood haar excuses aan voor de executies in Rawagede.

Verder werd de monografie De brandende kampongs van generaal Spoor van de Nederlandse historicus Remy Limpach genoemd als aanleiding voor het grote dekolonisatieonderzoek. Wat echter onbenoemd bleef, is dat het NIMH Limpach in 2013 benaderde om de juridische claims van Stichting K.U.K.B. ‘historisch te verifiëren’. Dit vormt de basis van een van de kritiekpunten die Pondaag en de Indonesisch-Nederlandse Francisca Pattipilohy aanhaalden in de open brief die zij in 2017 schreven aan de Nederlandse regering. De brief werd in drie talen gepubliceerd op de geschiedenissite Histori Bersama en ondertekend door 138 mensen, waaronder Indonesische en Nederlandse historici.

‘De dubbele rol van het NIMH en Limpach wekken sterk de schijn van belangenverstrengeling’, valt er te lezen in de open brief. ‘Overigens moet hierbij worden opgemerkt dat het promotieonderzoek van Limpach door een buitenlandse universiteit (de Universiteit van Bern in Zwitserland, red.) is gefinancierd en het NIMH het onderzoek pas heeft omarmd toen de rechtszaken, en de bijbehorende excuses en compensaties, een politieke realiteit waren geworden.’

Net als Rushdy volgde Jeffry Pondaag de ontwikkelingen van het grote dekolonisatieonderzoek nauw op de voet. ‘Het uitgangspunt van het onderzoek was niet dat het onrechtmatig was dat Nederland Indonesië als zijn eigendom beschouwde. Waar haalt Nederland het recht vandaan om een land dat duizenden kilometers verwijderd ligt als zijn eigendom te beschouwen?’, zegt hij. ‘De opzet van het onderzoek was koloniaal, dus het was ook te verwachten dat de resultaten die lijn zouden volgen.’ Pondaag heeft daarnaast kritiek op het begrip ‘extreem geweld’ dat de onderzoekers gebruiken in hun studie. ‘De onderzoekers hebben het steeds over ‘extreem geweld’. Wat is dan ‘normaal geweld’? En is dat dan wel legitiem? Net zoals zij de indruk wekken dat kolonialisme legitiem is?’

‘Extreem geweld’

Het is begrijpelijk dat er vraagtekens zijn gezet bij het gebruik van de term ‘extreem geweld’, vindt de Nederlandse historicus Peter Romijn, hoofd Onderzoek bij het NIOD en hoogleraar Geschiedenis van de Twintigste Eeuw aan de Universiteit van Amsterdam. Hij droeg bij aan Talen van geweld, het deelonderzoek over de stilte, informatie en misleiding in de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog van 1945-1949. Deze deelstudie zal deze zomer gepubliceerd worden. ‘Wat het lastig maakt, is dat je als onderzoeker naar een breed scala aan geweldshandelingen moet kijken. Ook is er het gegeven dat mensen zelfs in de context van geweld over de schreef gaan’, vertelt hij. ‘Het is hoe dan ook een koloniale oorlog. Hierbij golden er ruimere normen voor de koloniale machthebbers dan bij een ‘gereguleerde oorlog’ tussen, wat je zou kunnen zeggen, westerse mogendheden. We wilden ons richten op de eindeloze hoeveelheid grootschalige geweld, dat het gevolg was van de oorlog die Nederland is aangegaan om Indonesië terug te veroveren.’ Volgens Romijn maakte de term ‘extreem geweld’ het gemakkelijker om niet te verhullen dat het geweldsniveau van deze oorlog zo enorm hoog was, en dat de inzet van geweld door Nederlandse zijde ook stelselmatig is geweest.

‘De onderzoekers hebben het steeds over ‘extreem geweld’. Wat is dan ‘normaal geweld?’

Door sommige critici van het onderzoek wordt het gebruik van de term ‘extreem geweld’ echter gezien als een poging tot het verbloemen van de feiten, omdat de term ‘oorlogsmisdrijven’ juridisch zwaarder wegen. Zo blijkt ook uit de rechtszaken die de stichting K.U.K.B. aanspande – én wontegen de Nederlandse staat. In de samenvatting van het onderzoek valt bovendien te lezen dat er bewust afstand is gehouden van ‘kaders en begrippen in het toenmalige of hedendaagse internationaal recht’. ‘Dat recht was in deze jaren aan sterke veranderingen onderhevig en het gebruik van dat kader zou daardoor allicht leiden tot ingewikkelde historische-juridische debatten.’ Dit wekt de indruk dat er bewust is gekozen om de term ‘oorlogsmisdrijven’ te vermijden uit vrees voor juridische gevolgen, menen critici.

Toch zouden de bevindingen van dit historische onderzoek bijdragen aan een kanteling in de Nederlandse blik op het koloniale verleden van Nederland in Indonesië, denkt Romijn. Nu kan er niet meer worden gezegd dat het geweld slechts uit ‘excessen’ bestaat. ‘Het onderzoek van Cees Fasseur in 1969 leidde ertoe dat politici en historici konden ontkennen dat het geweld extreem was. Door andere onderzoeken werd Fasseurs bevinding later bijgesteld. Nu zijn er nog maar weinig historici die durven zeggen dat het Nederlandse leger fatsoenlijk heeft opgetreden en dat er een rechtvaardige oorlog werd gevoerd in Indonesië.’

Anders dan eerdere studies plaatst dit nieuwe onderzoek bovendien de koloniale gedachtegang in perspectief, meent Romijn. Deze koloniale mindset had als gevolg dat er in de Nederlandse maatschappij een groot draagvlak bestond om de Indonesische onafhankelijkheid in 1945 te onderdrukken. ‘Nederland wilde Indonesië hoe dan ook domineren. De gedachte daarachter was heel duidelijk: ‘Indonesiërs kunnen niet zelf bepalen wat goed voor hen is, dat doen wij Nederlanders. Wie zich hiertegen verzet heeft geen politiek geschil met ons, maar is een extremist, een crimineel of kwaadwillig’. Het is heel belangrijk om deze context te onderkennen. Want hierdoor konden Nederlandse politici, bestuurders en militairen ook het enorme geweldsniveau van die oorlog verdedigen.’

De rol van kolonialisme

Het koloniale denken sijpelt door in de huidige maatschappelijke discussie over verantwoordelijkheid en dader- en slachtofferschap tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd, ziet de Nederlands-Amerikaanse wetenschapper Annemarie Toebosch. Zij is universitair docent en hoofd van de Dutch and Flemish Studies-afdeling aan de University of Michigan. Net als Hoesein Rushdy ondertekende zij in 2017 de open brief van Pondaag en Pattipilohy. Zij plaatste haar kritiek, gericht aan het NIOD, in een videoboodschap.

‘Stel dat we bij de Holocaust perspectieven van daders gelijkstellen aan die van slachtoffers… Onmogelijk. Waarom hier dan wel?’

Toebosch is het eens met de analyse van Jeffry Pondaag en Francisca Pattipilohy, die stelden dat het onderzoek als uitgangspunt had moeten nemen dat het kolonialisme onrechtmatig was, vertelt ze. ‘In het onderzoek werd de nadruk gelegd op meerstemmigheid en het betrekken van verschillende perspectieven om naar de koloniale geschiedenis te kijken. Het uitgangspunt was: ‘Waar twee vechten, hebben twee schuld.’ Wat voor rol heeft het jarenlange kolonialisme van Nederland dan in dit onderzoek? Dat had centraal moeten staan, waardoor je het Indonesische leed en de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd niet gelijk kunt trekken met wat er zich afspeelde tijdens de zogenoemde Bersiap’, zegt Toebosch. ‘Aan mijn studenten geef ik onder meer les over de Holocaust. Stel je eens voor dat we in onderzoeken over de Holocaust ook de perspectieven van de daders zouden aanhoren, en gelijkstellen aan die van de miljoenen slachtoffers. Dat is onmogelijk. Waarom wordt het hier dan wel gedaan?’

Volgens Toebosch wordt er in het onderzoek te weinig aandacht gevestigd op de machtsverschillen tussen Nederlanders, Nederlandsgezinde groepen en Indonesiërs. Dit had wel gemoeten, om meer begrip te krijgen in de onrechtmatigheid van Nederlandse wandaden tijdens 1945-1950. ‘In de maatschappij bestaan er altijd verschillende machtsstructuren ten koste van anderen. Door een aanpak van meerstemmigheid te hanteren in deze context ben je niet inclusief, maar ga je voorbij het probleem: namelijk dat kolonialisme een grote schending is van mensenrechten die op geen enkele wijze goed gepraat kan worden.’

Pondaag is het daar helemaal mee eens. ‘De vraag is nu of al deze bevindingen tot gevolg hebben dat Nederland eindelijk 17 augustus 1945 erkent als de officiële Onafhankelijkheidsdag van Indonesië. Maar ook of het gaat leiden tot een beter besef van de Nederlandse wandaden, en uiteindelijk tot herstelbetalingen aan Indonesië’. De voorzitter van Stichting K.U.K.B. zegt hoe dan ook door te gaan met zijn strijd voor gerechtigdheid voor de Indonesische slachtoffers en nabestaanden.

Onlangs heeft Stichting K.U.K.B. gebroken met advocate Liesbeth Zegveld, als gevolg van een meningsverschil over de te volgen strategie. Pondaag vertelt dat zijn stichting nu dringend op zoek is naar een andere advocaat om K.U.K.B. juridisch bij te staan in de vele rechtszaken die hij van plan is aan te spannen tegen de Nederlandse staat. ‘Ik heb onlangs van het NIMH een lijst gekregen van nog eens 830 namen van Indonesische slachtoffers die standrechtelijk werden geëxecuteerd in de periode 1945-1950. Dit is nog maar het begin.’

Nu u hier toch bent...

Goede journalistiek kost geld. Leden en donaties maken onze gebalanceerde berichtgeving over biculturaliteit, zingeving en vrijheid mogelijk. Steun ons daarom als u ons werk belangrijk vindt.

Vertel mij meer!

- Advertentie -