De vijfenzestig dagen van Iwardo

Foto: Isa Grido met foto van zijn vader.

Twentse nazaten van de Assyrische genocide vertellen de aangrijpende verhalen van hun ouders, die de slachtpartijen hebben overleefd.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog besloten de machthebbers van het Ottomaanse Rijk, de voorloper van het huidige Turkije, om de Armeniërs en andere christelijke minderheden uit te roeien. Veel mensen hebben inmiddels van de Armeense Genocide gehoord, maar in Twente wonen naar schatting twintigduizend overlevende kinderen en kleinkinderen van dezelfde genocide, die geen Armeniërs zijn. Met Armeniërs hebben zij geen raakvlakken, behalve het belijden van hetzelfde geloof. Zij zijn bekend onder verschillende namen, onder andere Assyriërs, Syrisch-orthodoxen of Suryoye. In Enschede, Hengelo, Oldenzaal en Rijssen vormen zij de grootste etnische minderheid. Uitgerekend dankzij de vader van een van hen hebben de voorouders van de huidige twintigduizend Assyriërs in Twente de moorden overleefd. Zonder de vader van de Hengeloer Isa beth Grigo zouden er nauwelijks Assyrische overlevenden meer zijn. De Enschedese wijk Wesselerbrink zou nu een andere samenstelling hebben. De Kanttekening sprak met nazaten van de overlevenden van de Assyrische Genocide.

Assyrische Genocide

‘De genocide’, zoals de Assyriërs, Armeniërs en het Nederlandse parlement het noemen; ‘de kwestie’ zoals de Turkse en Nederlandse regering het noemen, begon in Istanbul met het aanhouden van circa tweehonderdvijftig Armeense intellectuelen, op 24 april 1915. Vervolgens werden de christenen overal in het Aziatische deel van het rijk vermoord. Ottomaanse militairen en Koerdische milities zagen geen verschil tussen de Armeniërs enerzijds en anderzijds de Assyriërs en Grieken. Zij waren immers toch allemaal christenen.

De meeste Assyriërs woonden in Zuidoost-Turkije, onder meer in de steden Malatya, Van, Kayseri, Sivas, Adiyaman, Urfa, Harput, Diyarbakir, Mardin, Batman, Nusaybin en Midyat. Binnen circa twee maanden werden de meeste Assyriërs in de genoemde steden uitgemoord of gedwongen te vluchten naar andere delen van het Ottomaanse Rijk, zoals het huidige Irak, Syrië en Libanon.

Een deel van de Assyriërs bekeerde zich noodgedwongen, in een soort flitsprocedure, tot de islam. Dit deden ze om te overleven. De Zweeds-Assyrische onderzoeker Eliyo Eliyo stelt dat nu meer dan twee miljoen Assyriërs als moslim in Zuidoost-Turkije door het leven gaan, waarvan de voorouders tijdens de genocide moslim zijn geworden. Een uniek voorbeeld hiervan is de oprichting van een Assyrische Vereniging in Diyarbakir door islamitische Assyriërs. Zij hebben paar jaar geleden gedurfd om ‘uit de kast’ te komen. ‘Onze voorouders zijn in de genocide gedwongen door het leven te gaan als moslims. Wij proberen nu door het oprichten van deze vereniging in ieder geval onze identiteit terug te krijgen. Wij zijn geen Koerden’, aldus een woordvoerder van de vereniging, die zich op de vlakte houdt over een eventuele hernieuwde bekering tot het christendom.

Ook het dorp Gerza, in de buurt van Batman, is een ander voorbeeld van de islamisering gedurende de genocide. Het dorp is nu volledig islamitisch. ‘Mijn vader vluchtte na de genocide uit Gerza naar Syrië’, vertelt de zestigjarige G. Gabriel, die sinds 1985 in Nederland woont. ‘Mijn oom en andere familieleden bleven in Gerza. In Syrië ging mijn vader gewoon door het leven als christen. In Gerza werden mijn familieleden moslim en dat zijn zij nog steeds. Na bijna een eeuw is het niet makkelijk terug naar het christendom te keren. Onze kerk doet ook geen moeite om hen te benaderen, zij durft niet. Wij hebben decennialang geen contact met onze familie in Turkije gehad. Nadat wij naar Nederland zijn gekomen, heb ik mijn familie in Gerza bezocht. In het dorp is er nog steeds een kerk. Jarenlang werd de kerk verwaarloosd, maar nu wordt het gebouw weer goed onderhouden.’

Verzet

De Assyriërs waren in 1915 totaal niet voorbereid op dergelijke grootschalige moordpartijen. Er was dan ook amper sprake van verzet. Een uitzondering was het dorpje Iwardo, dat op zo’n tien kilometer van de stad Midyat ligt (tegenwoordig heet het Gülgöze, red.). Hier boden de Assyriërs uit puur lijfsbehoud succesvol verzet, net zoals de Armeniërs dat deden bij de berg Musa Dagh. Het Armeense verhaal is vele malen bekender, dankzij de roman Die vierzig Tage des Musa Dagh (De veertig dagen van Musa Dagh) uit 1933 van de Oostenrijkse schrijver Franz Werfel. Het sprookje van het dorpje Iwardo heeft echter een directe erfgenaam, Isa beth Grigo (83) die sinds 1978 in Hengelo in Twente woont.

Net als veel van zijn generatiegenoten weet Isa beth Grigo zijn geboortedatum niet. ‘Alleen mijn geboortejaar is bekend, ik ben van 1935.’ Isa beth Grigo werd dus twintig jaar na de verschrikkelijke gebeurtenissen geboren, waarbij vele Assyriërs om het leven kwamen. Isa’s vader Gallo speelde echter een doorslaggevende rol in het verzet tegen de Ottomanen, waardoor de laatste christenen in de regio konden overleven. De nazaten van die groep christenen, die dankzij zijn vader de slachtingen hebben overleefd, wonen nu in Twente. Isa heeft besloten om het verhaal van zijn vader en van zijn volk op papier te zetten. ‘Schrijven lukt mij helaas niet, maar ik heb het verhaal verteld en op papier laten zetten. Binnenkort wordt het in het Nederlands, Turks en Engels uitgegeven.’ Vol trots laat hij de tekst van zijn boek zien. Hij is ongetwijfeld de oudste schrijver van de Lage Landen die laaggeletterd is.

Het dorpje Iwardo werd ongewild het epicentrum van het Assyrische verzet. De overlevenden uit de omliggende dorpen trokken naar dit dorp. Gallo beth Grigo was in 1915 ongeveer 28 jaar oud. Hij vormde onder leiding van Mesut Mirza een zeven man tellend verzetscomité. ‘Zij werden op democratische wijze gekozen door alle hoofden van de families,’ zegt Isa beth Grigo over zijn vader en de andere verzetsleden. Ondanks zijn hoge leeftijd is Isa zeer helder van geest en hij vertelt zijn verhaal vol passie. ‘Jammer dat mijn vader niet meer leeft. Hij zou het nog beter kunnen vertellen. Maar alles wat ik u vertel, heb ik van hem gehoord. Ik kan niks verzinnen. Ik ben geen romanticus, maar iemand die jarenlang zijn verhalen heeft gehoord.’

In het dorpje Iwardo woonden oorspronkelijk ongeveer tweehonderdvijftig gezinnen, waarvan ongeveer dertig Koerdische moslims. ‘Aan het begin van de genocide werden de moslims in Iwardo gewisseld met de christenen van het nabijgelegen dorp Mozizah. De Koerden in Iwardo mochten veilig vertrekken, als de christenen van Mozizah ook veilig naar Iwardo mochten komen. Het was de eerste deal in oorlogstijd gesloten tussen de christenen en moslims in de regio. Na deze ruil stroomde het dorp verder vol met mensen uit de omliggende dorpen, die de genocide daar hadden overleefd. Mijn vader noemde een aantal van acht- tot negenduizend mensen in het dorp. Voordat ons dorp op 9 juli 1915 werd omsingeld door ruim dertienduizend Turkse soldaten, plus een even grote groep Koerden, werden vanuit het dorp een aantal bevrijdingsacties verricht, om volksgenoten in andere dorpen te bevrijden. Sommige acties waren succesvol, anderen mislukten. Zo werd geprobeerd om Midyat uit de wurggreep van de Turkse soldaten te bevrijden, zonder succes. De omsingeling door dertienduizend troepen was te vergevorderd om de stad nog te kunnen ontzetten. In Midyat zijn daarom helaas veel mensen vermoord. De bevrijding van de mensen in het dorp Bote lukte deels wel, maar de mensen die niet wisten te ontsnappen werden in de kerk en in een ondergrondse loopgraaf vergast. Eén grote groep uit het dorp Kafarze werd door middel van een gevangenenruil gered. Een zus van een Koerdisch clanleider was een paar dagen eerder door het verzet gevangen genomen. Zij mocht gaan op voorwaarde dat de mensen uit Kafarze veilig naar Iwardo mochten komen, wat ook gebeurd is. De bevrijding van het dorp Dermuske slaagde ten slotte volledig. Alle bewoners konden meekomen naar Iwardo.’ Isa beth Grigo vertelt het verhaal over de bevrijdingsacties van zijn vader en diens kameraden emotioneel, alsof hij zelf aanwezig was bij de verschillende acties.

65 dagen

Het beleg van Musa Dagh duurde meer dan 50 dagen, maar hier maakte Werfel 40 van vanwege de Bijbelse symboliek. De Armeniërs konden uiteindelijk worden geëvacueerd, dankzij tussenkomst van de Franse marine. In Iwardo, dat in dezelfde tijd werd belegerd, liep het net even anders.

Volgens Beth Grigo werd zijn geboortedorp precies vijfenzestig dagen door het Ottomaanse leger belegerd. ‘Mijn vader vertelde mij dat zij aan alles een tekort hadden. Er was amper eten en water. De verdedigers waren zwak qua bewapening. Tegelijkertijd moesten de gewonden verzorgd worden en de doden begraven. Dit alles gebeurde in een gebied van nog niet eens een paar voetbalvelden groot. De christenen hadden zich in een aantal gebouwen met hoge muren verschanst. De zeven leiders hadden elk de leiding over één of meerdere gebouwen. Om met elkaar in contact te blijven werden er gaten in de muren van de huizen gemaakt, waar men doorheen kon kruipen om met elkaar te kunnen communiceren. Bovendien kon men zich ook door deze gaten verplaatsen, in geval van nood. Ondertussen werden in de nachtelijke uren wapens gekocht van de Koerden die met het leger samenwerkten, deze waren niet altijd betrouwbaar. Op het ene moment verdienden zij geld aan ons en het andere moment hielpen zij het leger.’

Na 65 dagen belegering wilde het Ottomaanse leger een einde maken aan de omsingeling van het dorp, zonder gezichtsverlies te lijden. Waarom? ‘Omdat de Turkse soldaten, net als mijn vader en de andere mensen in het dorp, volkomen uitgeput waren. Het Ottomaanse leger had bijna geen eten meer en beschikte niet over schoon drinkwater. Dat kwam omdat de Assyriërs het water in de putten van Iwardo en de omgeving ondrinkbaar hadden gemaakt, door er dode dieren in te gooien. Als je hier wel van dronk werd je erg ziek. Bovendien was het in de tijd dat er om Iwardo werd gevochten – de maanden juli, augustus en begin september – heel erg warm. Zonder water konden soldaten niet vechten. Veel Turkse soldaten kwamen dan ook om het leven.’

Het Ottomaanse leger kon Iwardo dus niet veroveren. ‘Om gezichtsverlies te voorkomen werd Sheg Fathulla, een Koerdische geestelijke, ingeschakeld om te bemiddelen. Het was de derde poging van het leger om een overgave van de christenen af te dwingen. De eerste twee keer vertrouwden de christenen het niet en mislukten de onderhandelingen. De derde keer slaagde Sheg Fathulla er wel in om de christenen te overtuigen. Het Ottomaanse leger wilde vijfhonderd wapens hebben, zodat men aan de bevelhebbers duidelijk kon maken dat de christenen zich hadden overgegeven. Mijn vader en zijn zes medebestuurders wilden echter niet meer dan driehonderd wapens overdragen. Uiteindelijk werd er een overeenkomst bereikt over een wapenstilstand. De onderhandelaars gingen akkoord en er werden voor ons huis driehonderd geweren aan het leger overhandigd. Hierna trok het Ottomaanse leger zich terug.’

 Doordat de slag om Iwardo in feite door het leger werd verloren kwam er een einde aan de actieve moordpartijen op de christenen in de directe regio. Zo bleven ongeveer tien Assyrische dorpen in de Izla-gebergte ongemoeid. Veel van de kinderen en kleinkinderen van deze genocideoverlevenden wonen tegenwoordig in Twente.

De herder als postduif

Het verhaal van de ouders van de tachtigjarige Basse beth Golo (ze is in het jaar van het overlijden van Kemal Atatürk geboren, in 1938 dus, maar op haar paspoort staat dat ze van 1928 is) heeft een happy end. Basse woont sinds 1980 in Nederland. Haar vader woonde in een van de Assyrische dorpen, die dankzij het verzet in Iwardo ongemoeid werden gelaten. Haar moeder was, toen de genocide begon, bij haar broers, die herder waren. Zij zaten gevangen in een overwegend islamitisch dorp. ‘Mijn ouders waren al een paar jaren verloofd. Mijn moeder woonde te voet berekend ongeveer vijf uur van mijn vader in het dorpje M’are (Marinbogazi). Samen met haar moeder, haar vader, haar vier broers en de vrouw van een van haar broers was zij tijdelijk in het dorp, omdat er daar genoeg ruimte en weidevlaktes waren voor het grazen van hun geiten.’

De moeder van Basse beth Golo kwam echter in de problemen, toen de Koerdische clanleider Yusuf besloot dat zij maar met zijn broer moest gaan trouwen. ‘Mijn vader hoorde van dit plan en probeerde in contact te komen met zijn verloofde. Hij schakelde hiervoor een jezidi-herder in. De jezidi’s leefden toen nog in redelijke veiligheid, want zij werden niet direct als vijanden van de islam gezien, zoals de christenen. De herder fungeerde als postduif, hij gaf de boodschap van mijn vader door aan mijn moeder. Mijn moeder kreeg een dag en een tijdstip door, waarop mijn vader met een grote groep Assyrische strijders naar het dorp zou gaan om haar te bevrijden. Zij verzon een smoes om in de avonduren nog eens water te halen uit een nabij gelegen put. Ook nam ze ruim een kilo zilver mee. Bij de put kwam een van de militieleden van mijn vader haar ophalen. Dezelfde nacht wandelden mijn moeder, mijn vader en alle militieraden veilig terug naar klooster Mor Malke. Ze werden niet aangevallen. Volgens de gebruiken van toen moesten zij nog dezelfde dag in de kerk trouwen. In het klooster woonde een monnik, hij zorgde voor de kerkelijke inzegening.’

Auteur: Abraham Beth Arsan

DELEN