Cultuursensitieve zorg: ‘Hij is hier gelukkig’

Foto's: Freek de Swart
Je moeder of vader naar een verzorgingshuis brengen is voor veel Nederlanders met een migratieachtergrond not done. Daar lijkt langzaam maar zeker verandering in te komen met de komst van multiculturele verzorgingshuizen. ‘De familie in Turkije vraagt zelfs niet meer hoe het met hem gaat.’

Sinds de jaren zestig is het gebruikelijk dat senioren met gebreken na verloop van tijd in een verzorgingshuis gaan wonen. Binnen veel niet-westerse bevolkingsgroepen heerst echter nog een behoorlijk taboe op deze gang van zaken. Niet alleen op het uitbesteden van zorg, maar ook bij de ziektebeelden die het steeds maar ouder worden met zich meebrengt. Cultuursensitieve verzorgingshuizen vormen voor sommigen een goed alternatief. Wat maakt ze anders dan ‘gewone’verzorgingshuizen? Hoe ziet het dagelijkse leven er uit? De Kanttekening bezocht cultuursensitieve verzorgingshuizen om antwoorden te vinden op deze en andere vragen.

Cultuursensitieve zorg
Verzorgingshuis Maasveld van zorginstelling Laurens ligt middenin de wijk Feijenoord en is met haar zeventienjarige bestaan één van de oudere multiculturele verzorgingshuizen in Nederland. In eerste instantie was het alleen bedoeld voor senioren met een Surinaams-Hindoestaanse achtergrond, maar inmiddels wonen er ook Turkse, Kaapverdiaanse en Antilliaanse Nederlanders. ‘Wat je hier in de wijk buiten ziet lopen zit ook hier binnen’, zegt manager Susan Sital. Ze wijst erop dat het verzorgingshuis cultuursensitieve zorg levert. Dat betekent dat binnen de muren van Maasveld rekening wordt gehouden met de culturele achtergrond van bewoners wanneer het gaat om eten, taal en zaken als muziek. Omdat er verschillende religies onder een dak wonen zijn er geen religieuze afbeeldingen te zien buiten de stilteruimte. Uitzondering daarop is de afdeling van dementerende bewoners, omdat dat hen helpt in het herkennen van wat ooit was en nog steeds is. Net als in een regulier verzorgingshuis blijkt het koningshuis overigens erg geliefd bij de oudjes. Her en der hangen dan ook portretten van koning Willem-Alexander en koningin Maxima aan de muur.

Babylonische spraakverwarringen
Of dat niet botst al die verschillende culturen onder een dak? Volgens Sital valt dat best mee, al zijn er weleens Babylonische spraakverwarringen. Tijdens de rondleiding wijst ze naar een bejaarde Hindoestaanse vrouw die een Antilliaanse medebewoner in een rolstoel helpt met het dichtknopen van een blouse. ‘Ze verstaan elkaar niet, maar zoals je ziet gaat dat gaat prima.’ Het succesvol draaiende houden van een cultuursensitief verzorgingshuis vraagt volgens Sital wel om een andere benadering dan een reguliere variant. ‘Je moet de cultuur begrijpen, waarom bijvoorbeeld de oudste zoon altijd spreekt en nooit de dochter. Door de sterke familieband zijn de kinderen van ouders met een migratieachtergrond vaak veeleisender en emotioneel meer betrokken bij het reilen en zeilen van het verzorgingshuis. Als moeder de ene dag om tien uur wil douchen en de andere dag om zes uur dan moet dat van veel kinderen gewoon kunnen.’ Ook zegt Sital dat ze vaak meemaakt dat cliënten overruled worden door hun kinderen, iets wat volgens haar behoorlijk wat stress kan veroorzaken. ‘Tegelijkertijd zijn de bewoners zelf vaak ook veeleisender. Men denkt vaak ‘als ik het aan de zuster vraag is het zo geregeld’. Ik probeer veel van deze problemen vroegtijdig te tackelen door voor plaatsing duidelijk de regels vast te stellen.’ Positieve kanten zijn er volgens haar ook. ‘Zo zijn de bewoners vaak socialer en zoeken ze elkaar, ongeacht culturele achtergrond, vaker op. Ik krijg van een mevrouw elke ochtend een stukje fruit, ze denken altijd aan je.’ Sital merkt dat het de laatste jaren normaler is geworden voor Nederlanders met een migratieachtergrond om te verhuizen naar een verzorgingshuis. ‘Helemaal zonder pijn gaat deze omslag echter niet. Vooral de ouderen moeten vaak wennen. In Suriname zijn er bijvoorbeeld wel verzorgingshuizen, maar die zijn vooral bedoeld voor alleenstaanden zonder kinderen.’ Ook heerst volgens haar vaak een stigma op een verzorgingshuis. Ze verwacht dat pas met het ouder worden van de derde en vierde generatie ‘nieuwe’ Nederlanders het verzorgingshuiswonen helemaal ingeburgerd zal zijn.

Taboe
Dat er naast een taboe op verzorgingshuizen ook een stigma zit op bepaalde ouderdomskwalen bewijst het verhaal van de Turks-Nederlandse Kübra Gürsoy. Haar 57-jarige vader raakte een aantal jaren geleden dement en woont sindsdien in Lâle, een woonzorgcentrum voor Turks-Nederlandse ouderen in Breda. Tijdens haar bezoek is goed te zien dat de ziekte de hersens van Gürsoys vader voorgoed hebben beschadigd. De man herkent haar nog wel en pakt continu haar hand vast, maar loopt voor de rest vooral rondjes in de riante tuin van het verzorgingshuis. Gürsoy merkt dat de Turks-Nederlandse gemeenschap moeilijk kan omgaan met de dementie van haar vader. Vanuit de moskee in Waalwijk zijn ze twee keer op bezoek geweest. Sindsdien hebben ze het daar ‘te druk’ voor. Hetzelfde geldt voor de vrouw van zijn kinderen, de moeder van deze man, haar ooms en eigenlijk iedereen behalve twee Nederlandse vrienden. ‘Omdat ze dementie niet kennen zijn ze bang en nemen ze liever afstand’, vermoedt Gürsoy. Extra pijnlijk is het gegeven dat de man vroeger een succesvol ondernemer was en een groot sociaal netwerk om zich heen had. ‘Hij was een persoon die veel voor de medemens heeft gedaan. Mijn vader bouwde moskeeën in Turkije en hielp daar ook jongeren met studiebeurzen’, vertelt Gürsoy. ‘Tegenwoordig is het blaffen van een hond genoeg om hem te laten schrikken, dat terwijl hij er vroeger zelf één had.’

Puppies en gasexplosies
In het begin probeerde Gürsoy de sociale omgeving van haar vader nog te onderwijzen dat dementie niet eng is of iets is om je voor te schamen. Dat het simpelweg een ziekte is die iedereen kan overkomen en helaas soms bij het leven hoort. ‘Ik heb mijn oma het wel acht keer uitgelegd, soms met een neuroloog of een huisarts erbij. Ze kan het helaas niet accepteren dat haar kind dement is geworden.’ Wat Gürsoy wel vaak hoorde was de hoop dat hij beter zou worden. Dementie is tot op heden nog niet te genezen. De vrouw heeft door deze afwijzingen met veel familieleden geen contact meer. ‘De familie in Turkije vraagt zelfs niet meer hoe het met hem gaat. Ik heb ook de energie er niet meer voor om het uit te leggen.’ Ondanks dat Gürsoy meer weet over de gevolgen van dementie vond ze de stap naar het verzorgingshuis eveneens groot. ‘Eerst woonde ik een half jaar samen met mijn vader als mantelzorger, totdat dat te zwaar en onverantwoord werd’, vertelt ze.‘Hij deed soms hele gekke dingen, zo reed hij ineens naar Düsseldorf op weg naar Turkije. Soms waren zijn vreemde acties vertederend. Zo kocht hij eens in een impuls vijf puppy’s voor mij. De andere keer zorgde zijn verstrooidheid voor een levensgevaarlijke situatie, wanneer hij bijvoorbeeld een keer het gas liet aanstaan.’

Gelukkig en rustig
De gemeenschap nam het Gürsoy in het begin kwalijk dat ze haar vader vanuit Waalwijk helemaal verhuisde naar het ‘verre’ Breda. Zelf heeft ze daar nooit een boodschap aan gehad. ‘Ik dacht bekijk het lekker, het gaat om zijn geluk en welzijn.’ Ze koos voor verzorgingshuis Lale vanwege de grote tuin en het feit dat hij daar tussen andere Turks-Nederlandse mensen woont. Ook spreekt het personeel de enige taal die hij nog kent en worden religieuze feestdagen zoals het Suikerfeest samen gevierd. Hoewel de eerste periodes moeilijk waren laat ze hem tegenwoordig met een gerust hart achter. ‘Hij is hier gelukkig, hij is niet meer in paniek. Zo nu en dan zie ik heel even mijn vader weer.’ Gürsoy hoopt dat haar verhaal helpt om het taboe op dementie binnen de Turkse gemeenschap te doorbreken. Hoewel volgens haar daarin de laatste jaren stappen zijn gemaakt is er nog een hoop te verbeteren. Aan mensen die in dezelfde situatie zitten heeft ze ook nog een tip. ‘Deel wat je meemaakt. Wat gebeurt doet extreem pijn, dus durf ook hulp te vragen.’ Zelf had Gürsoy in moeilijke periodes veel aan haar vriendenkring. Ook stichting Alzheimer doet volgens haar veel goed werk op dit gebied.

Alzheimer onder ‘nieuwe’ Nederlanders
Alzheimer Nederland heeft berekend dat in Nederland zo’n 260.000 mensen lijden aan dementie. Van hen heeft ruim 10 procent een migratieachtergrond. De prognose is dat door de vergrijzing dat aantal zal doorgroeien tot ongeveer 307.000 in 2020 en zelfs circa 423.000 in 2030. De groep ‘nieuwe’ Nederlanders met dementie groeit in deze periode dubbel zo hard. Naar verwachting zal de groep demente ‘nieuwe’ Nederlanders namelijk in 2030 zo rond de 60.000 personen liggen. Het lage percentage ‘nieuwe’ Nederlanders met dementie op dit moment komt door de relatieve jonge leeftijd van deze groep. In de realiteit komt dementie vaker voor bij ‘nieuwe’ Nederlanders dan bij autochtonen. Dat komt onder andere doordat bepaalde risicofactoren voor dementie vaker voorkomen bij deze groep. Zo hebben 28 procent van de Turkse en 31 procent  van de Marokkaanse Nederlanders last van diabetes. Bij autochtonen is dat 10 procent. Ook een lager opleidingsniveau vergroot volgens Alzheimer Nederland de kans op dementie.

Gevolgen
Momenteel woont 70 procent van de dementerenden in Nederland thuis en wordt verzorgd door een mantelzorger. Bij ‘nieuwe’ Nederlanders is dat 99 procent. Onderzoek heeft uitgewezen dat 90 procent van deze mantelzorgers een groot risico loopt op een burn-out of overbelasting. Deze overbelasting is onder mantelzorgers met een migratieachtergrond hoger vanwege de onbekendheid met dit ziektebeeld. Ook weet deze groep vaak niet bij welke professionele instanties zij moet aankloppen voor hulp. Slechts 1 procent  van de Marokkaanse Nederlanders en 7 procent  van de Turkse Nederlanders maakt gebruik van thuiszorg. Bij autochtone Nederlanders is dat 16 procent. Dat zorgt ervoor dat verpleegopname bij deze groep nauwelijks voorkomt. Minder dan 1 procent van de Marokkaanse en Turkse Nederlanders met dementie woont in een verpleeghuis. Bij autochtone Nederlanders ligt dit percentage rond de 30 procent.

Alzheimer Nederland stelt dat een vroege diagnose van dementie van groot belang is, omdat het onzekerheid wegneemt bij naaste familieleden en vrienden. Daarnaast creëert het begrip voor de ontstane situatie en mogelijkheden om begeleiding en steun in te schakelen. Het vroegtijdig signaleren van deze ziekte zorgt er verder vaak voor dat dementerenden langer thuis kunnen wonen. Dementie is bij ‘nieuwe’ Nederlanders moeilijker vast te stellen dan bij autochtonen. Dat heeft onder andere te maken met taalachterstand en een gemiddeld lager opleidingsniveau. Ook schaamte en het niet herkennen van symptomen spelen een rol. Doordat de diagnose dementie later wordt vastgesteld krijgen dementerenden met een migratieachtergrond meestal ook later professionele ondersteuning.

DELEN
Freek de Swart
Journalist gespecialiseerd in politiek en maatschappij. Verslaggever.