‘Bezig zijn met iets puurs van granen en water alleen’

Foto: Freek de Swart
Zo belangrijk als de haven is voor Rotterdam, zo cruciaal was ooit de jenever voor Schiedam. De sterke drank maakte het stadje in de achttiende eeuw wereldberoemd, maar ook roetzwart van de rook. De Kanttekening trok naar Schiedam om te kijken wat er nog over is van dit roemrijke verleden.

Wie zoekt naar het jeneververleden van Schiedam, komt al snel uit bij het Jenevermuseum aan de Lange Haven. Gezeteld in de oude distilleerderij De Locomotief biedt het museum een mooie mix van informatie en interactie. Zo mogen bezoekers zelf een fles jenever bottelen op ambachtelijke en handmatige wijze. Pronkstuk is de historische branderij die niet zou misstaan in een Charles Dickens-film. Het museum maakt hier zelf nog altijd zo’n tweeduizend liter moutwijnjenever op oer-Hollandse wijze onder de naam Old Schiedam. Dit houdt onder andere in dat er geen industriële blanke alcohol wordt gebruikt. Rutger Vismans is als stoker in opleiding medeverantwoordelijk voor het productieproces. Zelf kwam hij in Bierhuis De Klomp te Delft voor het eerst echt in aanraking met jenever. ‘Ik had eerst hetzelfde idee als veel mensen, dat jenever een oudelullendrankje is voor je opa.’ Het glaasje sterke drank smaakte naar meer en al snel had Vismans een bescheiden collectie in huis. Het idee om zelf te gaan stoken kwam een paar jaar later toen Vismans zich realiseerde dat een leven als commercieel ingenieur hem niet gelukkig zou maken. Aangemoedigd door zijn vriendin ging hij op zoek naar een baan als passie. Al snel ging de blik richting de drankkast met dertig verschillende flessen jenever en de droom van een eigen stokerij was gekiemd. ‘Het stoken van jenever is bezig zijn met iets puurs van granen en water alleen’, verklaart hij nuchter.

In tegenstelling tot wat sommige mensen denken, drinkt Vismans als stoker niet meer sterke drank dan vroeger. Op zijn handen rekent hij uit dat hij gisteren twee glaasjes heeft gedronken en daarvoor een hele week niet. Volgens Vismans is er ook een groot verschil tussen jenever zuipen en jenever drinken. ‘Dat eerste is zo snel mogelijk drank naar binnen klokken en gaan. Dat tweede gaat om een goede ambiance waarbij je de tijd neemt voor een glas.’ Ook tijdens de rondleiding blijkt hoe gepassioneerd Vismans is over het ambachtelijk stoken van oude jenever. Smakelijk vertelt hij over het beslag dat zelf gemaakt wordt en hoe rogge zorgt voor een mooie combi van appeltjes en rozijn. Grote namen binnen de distilleerwereld passeren de revue, zoals Silvius de Boeve, die ontdekte hoe je ingrediënten kunt scheiden tijdens het stoken en hoe je die later weer bij elkaar voegt. Het verhaal van de jenever ontpopt zich ook al snel als het levensrelaas van Schiedam zelf en eigenlijk dat van heel Nederland. Een kleine en compacte gemeenschap die zichzelf uit een moerasdelta worstelt middels handel en nijverheid. ‘Jenever mag ook alleen in Nederland, België en een paar plekken in Duitsland en Frankrijk gemaakt worden’, laat Vismans zich halverwege het gesprek ontvallen. In zijn stem klinkt de trots door van een ambachtsman die waarde hecht aan kwaliteit en traditie. Het is een faam die ook in de rest van de stad gevoeld wordt. Niet voor niets wordt het museum ook financieel gekoesterd door de laatste grote distilleerders van Schiedam. Zo is het terrein waar het museum zich op bevindt in handen van destilleerderij Kuijpers. Op de zolder van het museum leren we dat spreekwoorden als ‘De maat is vol’ en ‘Aan de strijkstok blijven hangen’ ook een band hebben met jenever. Ze komen uit dezelfde tijd dat zakkenwassers en zakkenvullers nog dagarbeiders waren en geen scheldwoorden. Al dat graan waar de jenever mee werd gestookt, moest immers met de hand vanuit de schepen naar de distilleerderij worden verscheept.

De Schiedamse jenever wekte ook al snel de interesse van de buitenwereld, waar de drank vele spin-offs kreeg. Zo zijn bijna alle cocktails volgens Vismans ooit begonnen met jenever als basis. Ook in het Verenigd Koninkrijk werd de drank een succes. ‘Engelse soldaten kregen voordat ze het strijdveld opgingen een borrel, dat was jenever. Dutch Courage noemden ze dat’, vertelt Vismans. De kwaliteit van de drank ging aan de overkant van het kanaal gaandeweg wel achteruit. Zo werd er op een gegeven moment steeds meer jeneverbes aan het brouwsel toegevoegd om de slechte kwaliteit van de moutwijn te verdoezelen. ‘Later is dat proces verfijnd tot wat nu gin is’, weet Vismans. Grappig genoeg zorgt de toenemende populariteit van gin ook voor een hernieuwde interesse in jenever. Met een afzet van 12.4 miljoen liter was jenever altijd al de meest populaire drank van Nederland, maar dat is vooral de jonge jenever. Kenners zweren daarentegen meer bij oude jenever die veel kruidiger smaakt, maar dus een stuk minder verkocht wordt. Het verschil tussen deze twee heeft overigens niets met leeftijd te maken, maar met de hoeveelheid moutwijn. Minder dan vijftien procent maakt jenever jong en meer dan vijftien procent oud. Daarnaast is er ook korenwijn die op zijn minst eenenvijftig procent moutwijn bevat. ‘Distilleerderijen Ketel1 en Hooghout zijn steeds meer bezig met jonge jenever voor cocktails. Oude jenever is meer het domein van kleine stokerijen’, verklaart Vismans, die zelf ook een oude jenever op de markt hoopt te brengen.

Rutger Vismans

Na al deze informatie is het tijd om de Schiedamse jenever eens zelf te testen. Een paar stappen van het museum vandaan bevindt zich al eenentwintig jaar de Jeneverie ‘t Spul van Rob van Klaarwater. Het café is niet alleen de thuishaven van jeneverproeverij De Drie Glaasjes, maar ook de expositieruimte van een hoop jeneverprullaria. Op de vraag waarom hij een café is begonnen dat draait om jenever hoeft Van Klaarwater niet lang na te denken. ‘Absoluut de geschiedenis die eraan hangt en de grote hoeveelheid ambachtelijke kennis. Je hebt het over tradities van honderden jaren met uiteenlopende smaken.’ Al snel heeft Van Klaarwater een rij jenevers ingeschonken van verschillende distilleerderijen in de buurt. Voor een leek zijn de verschillende smaken moeilijk te onderscheiden, al maakt het enthousiasme en de uitleg van Van Klaarwater veel goed. Volgens de café-eigenaar zorgde de jenever ervoor dat Schiedam wel drie gouden eeuwen heeft gekend in  plaats van één. Het hoogtepunt lag hierbij volgens hem rond 1880, toen de stad zo’n vierhonderd branderijen kende. In die tijd kwam ongeveer tachtig procent van alle gedistilleerde drank uit Nederland. Dat deze nijverheid in Schiedam gepaard ging met een hoop rook en roet, nam de stad op de koop toe. ‘Mensen stikten hier misschien wel van de rook, maar ze gingen niet dood van de honger’, vertelt Van Klaarwater olijk. Volgens sommigen kreeg de stad hierdoor de naam ‘Zwart Nazareth’, anderen beweren dat het zwart symbool stond voor de verdorde ziel van de Schiedammers zelf. Vandaag de dag zijn in sommige Schiedamse stegen de roetvlekken nog altijd zichtbaar, maar van een verdorde ziel is daarentegen geen sprake meer. Van Klaarwater merkt dit vooral aan de grote hoeveelheid import uit Rotterdam. ‘En Rotterdammers zijn soms net Amsterdammers, te bang om de eigen stad te verlaten.’

De jenever in Schiedam heeft echter niet alleen maar glorietijden gekend. Vooral de Duitse bezetting zorgde voor een slechtere kwaliteit. ‘Door de wereldoorlog kreeg jenever een slechte naam. Men maakte alleen nog maar jonge jenever, omdat men de granen nodig had om te eten.’ Hierdoor kwamen er veel jenevers op de markt waar nauwelijks nog moutwijn inzat. Vanaf die tijd wordt er onderscheid gemaakt tussen oude en jonge jenever. Volgens Van Klaarwater zorgde dit er ook voor dat de jenever de reputatie kreeg als drank voor het plebs. ‘Ik haat de associatie tussen jenever en alcoholisme. Dat is in de jaren twintig ontstaan, toen we niet meer exporteerden’, vertelt de bareigenaar, die net als Vismans zweert bij nippen in plaats van achterover gooien. In de jaren zeventig kwam er een einde aan de zoektocht naar de laagste bodemprijzen en gingen distilleerders zich weer richten op kwaliteit.

‘t Spul

Na een aantal jenevers te hebben geproefd en de verhalen die daarbij horen, neemt Van Klaarwater ons mee naar een ruimte achterin de kroeg. Hier staan nog meer jeneverattributen, die nog maar eens duidelijk maken hoe belangrijk jenever was voor de stad. Dat Schiedam hierbij ook vaak de grotere broer ten oosten voorbijstreefde, bewijst een oude jeneverfles van een destilleerderij in ‘Rotjeknor’. ‘Rotterdam near Schiedam’ staat er op het etiket. Net als Champagne en Cognac blijkt dat Schiedam vroeger een eigen merknaam was die geen verdere beschrijving nodig had. Oftewel, je bestelde een Schiedammer, geen jenever, volgens Van Klaarwater een merkrecht dat Nederland heeft verkwanseld aan de Fransen. ‘Ze zeiden: wij maken ook jenever, jullie gaan niet deponeren en dan noemen wij jullie voortaan altijd het tweede kaasland ter wereld.’ Dat jenever al vrij vroeg overal te vinden was op de wereld, bewijzen ook de kleine minikruikjes waarmee zeemannen van de VOC voor een gedeelte werden uitbetaald. Ook zijn er foto’s te zien uit Afrika waar hele bouwwerken op staan, gemaakt van jeneverflessen voor voodoo-rituelen. ‘We kwamen dan in Ghana aan met schepen om slaven te kopen en dat werd dan beklonken met jenever’, verklaart Van Klaarwater. Ook zouden Nederlandse zeevaarders volgens hem minder vaak malaria krijgen vanwege de kinabast in de jenever. Na nog een aantal glazen wordt niet alleen de ambiance steeds groter en fabelachtiger, maar ook de verhalen zelf. Gelukkig maakt dat, zittend aan de bar van Jeneverie ’t Spul, allemaal niet uit. Zowel in mythe als in realiteit is Schiedam overduidelijk onlosmakelijk verbonden met de jenever – en daar mogen ze best een beetje trots op zijn.

DELEN
Freek de Swart
Journalist gespecialiseerd in politiek en maatschappij. Verslaggever.